200806637/1/V2. Datum uitspraak: 23 juni 2010 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 1 augustus 2008 in zaak nr. 08/4479 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 27 september 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) aan [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd verleend. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 1 augustus 2008, verzonden op 4 augustus 2008, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 augustus 2008, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 december 2009, waar de vreemdeling, in persoon, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. De vreemdeling, van Zwitserse nationaliteit, heeft bij brief van 19 januari 2007 verzocht om toekenning van de status van langdurig ingezetene op grond van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (hierna: de richtlijn). Ten tijde van deze aanvraag was zij in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrije verkeer van personen (hierna: de Overeenkomst), laatstelijk verlengd tot 9 februari 2008. De staatssecretaris heeft de brief van de vreemdeling van 19 januari 2007 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening "EG langdurig ingezetene" en deze vergunning bij besluit van 27 september 2007 verleend, met ingang van 22 januari 2007. 2.2. De vreemdeling klaagt in de enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte is voorbij gegaan aan haar beroepsgrond dat in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn is bepaald dat deze geldt onverminderd de gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en derde landen, anderzijds. De Overeenkomst kent bepalingen die voor haar gunstiger zijn dan de bepalingen uit de richtlijn. Nederland heeft hiermee geen rekening gehouden bij de implementatie, waardoor de richtlijn onjuist is geïmplementeerd. Hierover heeft de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten, aldus de vreemdeling. 2.2.1. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 7 van de richtlijn, dat ziet op de verwerving van de status van langdurig ingezetene, onlosmakelijk is verbonden met artikel 8 van de richtlijn en dat de daarin bedoelde verblijfsvergunning het noodzakelijke uitvloeisel is van de verwerving van de in artikel 7 bedoelde status. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat hieruit volgt dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de richtlijn onjuist is geïmplementeerd. Aan het standpunt van de vreemdeling dat het voor haar gunstiger zou zijn om enkel de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, kan dan ook worden voorbij gegaan, aldus de rechtbank. 2.2.2. De vreemdeling betoogt terecht dat de rechtbank, door aldus te overwegen, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet is ingegaan op de hiervoor onder 2.2. weergegeven beroepsgrond. Reeds hierom slaagt de grief. 2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling voor het overige in de grief aanvoert, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het door de vreemdeling tegen het besluit van 31 januari 2008 ingestelde beroep als volgt. 2.4. Artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn behoeft naar zijn aard geen implementatie in de nationale wetgeving. Bij de toepassing van de nationale wetgeving moet evenwel gewaarborgd zijn dat een vreemdeling de rechten die hij kan ontlenen aan gunstiger bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Gemeenschap of de Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en derde landen, anderzijds, onverminderd kan inroepen. 2.5. De vreemdeling heeft in beroep in dit kader betoogd dat de staatssecretaris in het besluit van 31 januari 2008 ten onrechte niet gemotiveerd is ingegaan op haar betoog dat, nu zij voor de afgifte van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening "EG langdurig ingezetene" een legesbedrag heeft moeten betalen dat hoger is dan het bedrag dat burgers van de Unie voor de afgifte van een verblijfsvergunning verschuldigd zijn, het discriminatieverbod op grond van nationaliteit is geschonden. Gelet op het bepaalde in artikel 3, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn had de staatssecretaris kunnen verklaren dat haar verblijfsvergunning met de aantekening "EG-langdurig ingezetene" moet worden beschouwd als verblijfsvergunning op grond van de Overeenkomst, met als gevolg dat deze op grond van het in artikel 2 van de Overeenkomst neergelegde discriminatieverbod niet meer mag kosten dan een verblijfsvergunning voor burgers van de Unie, aldus de vreemdeling. 2.5.1. De staatssecretaris heeft zich in voormeld besluit niet uitgelaten over dit betoog van de vreemdeling. Het verzoek van de vreemdeling om restitutie dan wel reductie van de leges heeft hij afgewezen met de overweging dat de richtlijn geen verbod kent op het heffen van leges en dat in de nationale wetgeving artikel 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de grondslag vormt voor legesheffing. Hiermee is de staatssecretaris niet, althans niet afdoende, ingegaan op hetgeen de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, zodat het besluit in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb een deugdelijke motivering ontbeert. De beroepsgrond slaagt. 2.6. Het beroep tegen het besluit van 31 januari 2008 is gegrond. Het besluit komt voor vernietiging in aanmerking. 2.7. Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zal evenwel worden nagegaan of aanleiding bestaat om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven. 2.7.1. Ingevolge artikel 1 van de richtlijn heeft deze ten doel:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.