201003611/2/M
- Datum uitspraak: 25 juni 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: [verzoekster] (hierna: [verzoekster]), gevestigd te [woonplaats], en het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het college maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 2.20, eerste en vijfde lid, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer vastgesteld voor de inrichting van [verzoekster], gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 4 maart 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 april 2010, beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 juni 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door ing. F. Houtkamp en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. L.C. Geense, mr. B. Huizenaar en H.J. de Vries, zijn verschenen.
- Overwegingen 2.
- Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. 2.
- Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht. 2.
- [verzoekster] heeft naar aanleiding van het ontwerpbesluit geen zienswijzen naar voren gebracht. [verzoekster] stelt dat haar dit niet kan worden verweten nu het ontwerpbesluit door het college aan haar is toegezonden zonder een aanbiedingsbrief of kennisgeving, waarin haar op de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen werd gewezen. 2.
- Op grond van door het college overgelegde stukken, waaronder een verzendlijst, moet worden aangenomen dat het ontwerpbesluit met een begeleidende brief en de kennisgeving aan [verzoekster] is toegezonden. In de kennisgeving wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. In hetgeen [verzoekster] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding om er niettemin van uit te gaan dat de kennisgeving niet aan [verzoekster] is verzonden dan wel door haar is ontvangen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat [verzoekster] niet kan worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend. Overigens wordt op pagina 7 van het ontwerpbesluit voor de mogelijkheid van het indienen van zienswijzen verwezen naar 'de betreffende tekst in de bijgevoegde kennisgeving'. Indien [verzoekster] deze kennisgeving niet zou hebben ontvangen, kan van haar worden verwacht dat zij zich inspant om zich van de inhoud daarvan alsnog op de hoogte te stellen, door bijvoorbeeld de kennisgeving bij de gemeente op te vragen. 2.
- Gelet op het vorenstaande zal het beroep naar verwachting van de voorzitter niet-ontvankelijk worden verklaard. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van Staat. w.g. Brink w.g. Van der Maesen de Sombreff voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2010 190-628.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.