(1998)" (hierna: de StructuurvisiePlus Heusden). Hierin is het plangebied opgenomen als verdichtingsgebied, maar niet als woningbouwlocatie. Bovendien worden de plaatselijke zichtlijnen door woningbouw aangetast. 2.9.
- Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat woningbouw in het plangebied in de StructuurvisiePlus Heusden niet wordt uitgesloten. 2.9.
- Uit het ambtsbericht bij de bedenkingen met betrekking tot de Willy van den Berkstraat Noord van Grontmij Nederland B.V.
(2008)volgt dat de StructuurvisiePlus Heusden woningbouw in het plangebied niet uitsluit. In het Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld werd de locatie ten zuiden van de Inlaagdijk al aangemerkt als verdichtingsgebied. Binnen dit verdichtingsgebied dat wordt gevormd door het historische bebouwingslint Elshout en Haarsteeg, de Inlaagdijk, de Voordijk, de Heidijk en de Zeedijk kunnen (toekomstige) ontwikkelingen met een ruimte verdichtende werking geconcentreerd worden. Voorts volgt uit de StructuurvisiePlus Heusden dat bij de landschappelijke aspecten bestaande betekenisvolle zichtlijnen worden betrokken. Bovendien is het van belang om de open ruimten ter wille van de herkenbaarheid van Haarsteeg en van de ligging van de Voordijk in het landschap, in essentie te behouden. Gelet op hetgeen in 2.5.
- over de verkaveling is overwogen is, anders dan door [appellant sub 1] en anderen gesteld, wel rekening gehouden met zichtlijnen. Gelet op het voorgaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het plan niet in strijd is met de StructuurvisiePlus Heusden. 2.
- Voorts richt het beroep van [appellant sub 1] en anderen zich tegen het plan, voor zover de in het noordelijke gedeelte van het plangebied gelegen sloot niet is ingetekend op de plankaart. 2.10.
- Ter zitting is komen vast te staan dat de sloot, voor zover deze is gelegen in het plangebied, slechts is bedoeld voor de afwatering. De afwateringssloot valt als zodanig binnen de reikwijdte van de artikelen 3 en 6 van de planvoorschriften. Het college heeft zich dan ook met juistheid op het standpunt gesteld dat de afwateringssloot, voor zover deze is gelegen in het plangebied, weliswaar niet is ingetekend op de plankaart, maar wel in het plan is bestemd. 2.
- Tot slot betogen [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen dat er alternatieve, minder bezwaarlijke, locaties voor het plan beschikbaar zijn. Volgens [appellant sub 1] en anderen dient in dit kader rekening te worden gehouden met het provinciale uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik. 2.11.
- Uit de schriftelijke uiteenzetting van de raad volgt dat met de realisering van de ruime kavels tegemoet wordt gekomen aan een specifieke behoefte binnen de lokale en regionale woningmarkt, waarin niet op de beschikbare inbreidings- en herstructureringslocaties kan worden voorzien. 2.11.
- Het bestaan van alternatieven kan op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het plan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Het college heeft zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet. 2.
- De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] en [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Boermans voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2010 429-605.