200906284/1/R1. Datum uitspraak: 7 juli 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, appellant, en de raad van de gemeente 's-Gravenhage, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Laakwijk-Schipperskwartier" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 augustus 2009, beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2010, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Tebrugge en mr. A.G. van Keulen, werkzaam bij Cleton&Com. B.V. vastgoed- en ruimtelijke ontwikkeling, en de raad, vertegenwoordigd door J.E. Leenders en ing. F.A.G. van der Meijden, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college richt zich in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd-1 (GD-1)" voor het perceel op de hoek van de Neherkade en de Slachthuislaan dat de ontwikkeling van 31 studentenwooneenheden mogelijk maakt. Het college betoogt dat die bestemming te risicovol is gelet op de wijze waarop in de plantoelichting de verhoging van het groepsrisico veroorzaakt door het LPG-tankstation aan de Neherkade (tegenover het perceel waarop die wooneenheden zijn voorzien) is verantwoord. Niet duidelijk is, aldus het college, of de maatregelen die de raad voorstelt te nemen daadwerkelijk zullen worden genomen en tot risicoreductie zullen leiden. Evenmin is, aldus het college, ingegaan op het negatieve advies van de brandweer en op de kritiek van de brandweer wat betreft de zelfredzaamheid van de bewoners van de voorziene wooneenheden. Het college bestrijdt het standpunt van de raad dat na het treffen van enkele maatregelen het groepsrisico slechts in geringe mate hoger zal zijn dan de oriëntatiewaarde. Ook is niet onderzocht, aldus het college, of de verkoop van LPG op deze locatie mogelijk moet blijven en evenmin of de voorziene woningen op een andere plek kunnen worden gerealiseerd. 2.2. De raad heeft bij de vaststelling van het plan de mogelijkheid voor de ontwikkeling van studentenwoningen op het aangegeven perceel gehandhaafd, in de toelichting bij het plan de verantwoording van de aanpak van het groepsrisico veroorzaakt door het LPG-tankstation aangepast en de gronden van het LPG-tankstation buiten het plan gelaten. Daarbij heeft de raad, blijkens de plantoelichting, overwogen dat weliswaar uit een onderzoek naar de externe-veiligheidssituatie volgt dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico thans wordt overschreden, maar dat de volgende, aanvullende maatregelen zullen worden genomen: het aanbrengen van hittewerende coating op LPG-tankwagens, mogelijke vervanging en verplaatsing van de bestaande tank van 40 m3 door een tank van 20 m3, verkleining van de doorzet tot 500 m3 en een inspanningsverplichting om de ingang van de studenteneenheden zodanig te situeren dat bewoners bij de brandhaard vandaan kunnen vluchten. Het groepsrisico zal dan, aldus de raad, slechts in geringe mate groter zijn dan de oriëntatiewaarde. 2.3. De Afdeling stelt vast dat het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: het Bevi) van toepassing is op het LPG-station aan de Neherkade. Ingevolge artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 13 van het Bevi, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, en de afstanden krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer in acht en wordt in de plantoelichting verantwoording afgelegd over het groepsrisico van de voor dat besluit van belang zijnde, aanwezige inrichtingen. Artikel 13, onder b, van het Bevi bevat een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. Onder groepsrisico wordt gelet op artikel 1, eerste lid, sub k, van het Bevi verstaan: de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100, of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Ingevolge artikel 13, aanhef en onder f, g, h, en i, van het Bevi moet in de toelichting bij een bestemmingsplan in elk geval worden vermeld (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.