(1999). In voorschrift 2.3.2 is bepaald, voor zover hier van belang, dat de controle moet zijn uitgevoerd door een daartoe deskundig bureau of deskundige binnen 2 maanden nadat de inrichting is voltooid en in werking is gebracht. In voorschrift 2.3.3 is bepaald dat het rapport binnen 1 maand na controle ter beoordeling aan het bevoegd gezag moet worden voorgelegd. 2.3.
- Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer geven de aan een vergunning te verbinden voorschriften de doeleinden aan, die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu op een door hem te bepalen wijze dient te verwezenlijken. Ingevolge artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, worden, voor zover aan een vergunning voor een inrichting waartoe een gpbv-installatie behoort, voor zover het die gpbv-installatie betreft, voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat: a. moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan, waarbij de wijze van bepaling wordt aangegeven, die ten minste betrekking heeft op de methode en de frequentie van de bepaling en de procedure voor de beoordeling van de bij die bepaling verkregen gegevens en die tevens betrekking kan hebben op de organisatie van die bepalingen en beoordelingen en op de registratie van die gegevens en de resultaten van die beoordelingen; b. de bij die bepaling verkregen gegevens aan het bevoegd gezag moeten worden gemeld of ter inzage gegeven of anderszins ter beschikking moeten worden gesteld van het bevoegd gezag. 2.3.
- De inrichting waarvoor bij het bestreden besluit een vergunning is verleend betreft een gpbv-installatie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 mei 2008 in zaak nr. 200707086/1) komt bij de invulling van de wijze en frequentie van controleren het bevoegd gezag beoordelingsvrijheid toe. 2.3.
- Het college heeft met voorschriften 2.3.1 tot en met 2.3.3 beoogd voorschriften te stellen als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer. Het college acht het hierbij voldoende dat eenmalig door geluidmetingen en berekeningen wordt aangetoond dat met de vergunde bedrijfsvoering aan de gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Het college stelt deze metingen en berekeningen op de representativiteit te beoordelen en acht het niet nodig om voor de verschillende door [appellanten] genoemde bedrijfsactiviteiten een aparte controlemeting voor te schrijven. 2.3.
- Volgens bestendige jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 20 december 2006 in zaak nr. 200605039/1) kan veelal worden volstaan met een eenmalige controlemeting. In voorschriften 2.3.1 tot en met 2.3.3 is voorgeschreven op welke wijze eenmalig moet worden bepaald of aan de gestelde doelvoorschriften wordt voldaan. Niet is gebleken van omstandigheden die ertoe nopen in dit geval meer dan één keer een controlemeting uit te voeren. Voorschriften 2.3.1 tot en met 2.3.3 zijn gebruikelijke voorschriften. Mede gelet op het betoog van het college, hebben [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat het noodzakelijk is dat in de voorschriften wordt bepaald dat de controlemeting plaatsvindt op het moment dat de door hen genoemde omstandigheden zich voordoen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de voorschriften 2.3.1 tot en met 2.3.3 als controlevoorschriften toereikend heeft kunnen achten. De beroepsgrond faalt. Slotoverwegingen 2.
- Het beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat. w.g. Van Diepenbeek w.g. Drouen voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2010 431-596.