(1998)voor het perceel [locatie A] een zogenoemd verbaal bouwblok van 1,5 hectare was opgenomen, zodat aan dat plan een recht om bebouwing te mogen oprichten kon worden ontleend ter grootte van 1,5 hectare. Voorts heeft de raad niet aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat het vorige plan niet is gebaseerd op het Streekplan 1992 in vorenbedoelde zin, noch dat goedkeuring is onthouden aan de hierin opgenomen bouwrechten voor het perceel [locatie A], dan wel dat deze geen directe bouwrechten betroffen. Niettemin heeft de raad, in afwijking van de hiervoor onder
- genoemde randvoorwaarde, geen bouwblok van 1,5 hectare opgenomen in het plan zoals in het voorgaande bestemmingsplan. 2.2.
- In het voornoemde reconstructieplanbeleid ziet de voorzitter geen aanknopingspunten voor de uitleg van het college van gedeputeerde staten dat in het voorliggende geval een zogenoemd bouwblok op maat moet worden toegekend omdat de bouwrechten in het voorgaande plan niet zijn benut. Met de motivering dat voor de gewenste uitbreiding nog geen bouwvergunning is aangevraagd of verleend, stelt de raad zich kennelijk op het standpunt dat geen sprake is van een aantoonbaar concreet initiatief. Deze randvoorwaarde geldt echter niet voor de aan de orde zijnde situatie dat aan het vorige plan bouwrechten konden worden ontleend en dat plan is gebaseerd op het Streekplan
- Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat de raad vooralsnog niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat voor het perceel [locatie A] niet een bouwvlak in overeenstemming met het voorgaande plan kon worden opgenomen, zodat de voorzitter aanleiding ziet het in geding zijnde plandeel te schorsen. 2.2.
- Aangezien in de hoofdzaak de toepassing van hetzelfde reconstructieplanbeleid aan de orde is ten aanzien van andere partijen dan in deze procedure, ziet de voorzitter, hoewel partijen ter zitting daarvoor toestemming hebben gegeven, geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Het verzoek van [verzoeker sub 2] 2.
- [verzoeker sub 2] verzoekt het bestreden besluit te schorsen wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" en de aanduiding "uitvaartcentrum (uv)" voor het perceel Groenstraat 7 in Hoogeloon en wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch met waarden - informatiecentrum/opslag voor natuurbeheer (saw-io)", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak 120 m² (h 120)" voor het perceel ten noorden hiervan. [verzoeker sub 2] vreest door het nieuwe gebruik en de daarbij behorende bebouwing en bedrijfswoning op het perceel Groenstraat 7 te worden beperkt in de bedrijfsvoering van zijn paardenhouderij aan de [locatie B], die is gelegen op minder dan 50 meter afstand van het bouwvlak voor het uitvaartcentrum. Daarnaast betoogt hij dat het plan in strijd met provinciaal en gemeentelijk beleid voorziet in een toename van het gebruik als bedrijfsbebouwing ten opzichte van het voorheen geldende plan en in de nieuwbouw van een bedrijfswoning, nu niet de aanleg van nieuwe natuur is gewaarborgd ter compensatie van deze bebouwing. Verder is volgens [verzoeker sub 2] onvoldoende onderzoek verricht naar de economische uitvoerbaarheid van het uitvaartcentrum. Voorts stelt [verzoeker sub 2] dat de bestemmingsregeling voor het perceel ten noorden van het perceel Groenstraat 7 ingrijpend is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp en betoogt hij dat deze wijzigingen ten onrechte niet zijn gemotiveerd. 2.3.
- Voornoemde plandelen behelzen de planologische inpassing van de omvorming van het agrarische bedrijf naar uitvaartonderneming en de inrichting van de voormalige werktuigloods tot een toeristisch-recreatief informatiepunt met opslag voor natuur- en landschapsbeheeractiviteiten, waarvoor op 8 december 2009 een projectbesluit is genomen. [verzoeker sub 2] voert aan dat hij beroep heeft ingesteld tegen dat besluit en dat de inwerkingtreding van het plan van invloed is op de beoordeling van zijn beroep in de projectbesluitprocedure wanneer, zoals ter zitting namens de initiatiefnemers is verklaard, op korte termijn een aanvraag voor een bouwvergunning wordt gedaan. 2.3.
- De plandelen zijn gewijzigd vastgesteld naar aanleiding van de zienswijze van de initiatiefnemers over het ontwerp, waarin voor het perceel Groenstraat 7 een agrarische bestemming was opgenomen. Bij de reactie op hun zienswijze is volstaan met de opmerking dat het gemeentebestuur heeft ingestemd met de plannen en dat daartoe een projectbesluit is genomen. Dit terwijl [verzoeker sub 2] een zienswijze naar voren had gebracht over het ontwerp-projectbesluit en vóór de vaststelling van het plan beroep heeft ingesteld tegen het projectbesluit en partijen ook in die procedure aanzienlijk van standpunten verschillen. In dit licht acht de voorzitter niet uitgesloten dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat in het kader van het bestemmingsplan onvoldoende inzicht is geboden in de betrokken belangen en in de afweging daarvan. Gelet hierop ziet de voorzitter aanleiding de in geding zijnde plandelen te schorsen. 2.
- De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Bladel van 22 februari 2010, nr. R2010.004, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bestemmingsplan Buitengebied 2010 gemeente Bladel" voor zover het betreft: - het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor het perceel locatie A] in ]plaats]; - het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" en de aanduiding "uitvaartcentrum (uv)" voor het perceel Groenstraat 7 in Hoogeloon; - het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (AW-LW)" met de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch met waarden - informatiecentrum/opslag voor natuurbeheer (saw-io)", "bouwvlak" en "maximum bebouwd oppervlak 120 m² (h 120)" voor het perceel ten noorden van het perceel Groenstraat 7; II. veroordeelt de raad van de gemeente Bladel tot vergoeding van bij [verzoeker sub 1] en [verzoekers sub 2] in verband met de behandeling van hun verzoeken opgekomen proceskosten tot een bedrag van ieder € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. gelast dat de raad van de gemeente Bladel aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoeker sub 1] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [verzoekers sub 2] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van Staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van der Heijden voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2010 516.