(3)". Ingevolge artikel 7, derde lid, onder b, aanhef en onder 3 en 4, van de voorschriften van dat plan, voor zover van belang, waren hoofdgebouwen uitsluitend binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken toegestaan en gold een goot- en nokhoogte van 8 onderscheidenlijk 12 meter en diende, voor zover een kap wordt toegepast, de dakhelling tenminste 20 graden en ten hoogste 60 graden te bedragen. 2.9.
- De Afdeling overweegt dat, gelet op de systematiek van de Wro, aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen. In onderhavig geval heeft de raad er in redelijkheid voor kunnen kiezen om niet in de door [appellant sub 3] gewenste goot- en bouwhoogte te voorzien. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de toegekende goot- en bouwhoogte, anders dan [appellant sub 3] betoogt, geen beperking ten opzichte van het voorheen geldende plan inhouden. Voorts heeft de raad van belang kunnen achten dat hiermee wordt aangesloten op de bestaande bebouwing in de Stationsstraat. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 3] dat aan het perceel ten noorden van haar perceel wel een grotere goot- en bouwhoogte is toegekend, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat dit perceel is gesitueerd aan de Zeestraat en dat de Stationsstraat veel smaller is dan de Zeestraat. De raad heeft hieraan in redelijkheid de conclusie kunnen verbinden dat een grotere bouwhoogte voor het perceel van [appellant sub 3] in de Stationsstraat daarom niet wenselijk is. De maximale dakhelling is ten opzichte van het voorheen geldende plan verkleind van 60 naar 55 graden. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een voorheen geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften, ook inhoudende een verkleining van de maximale dekhelling, voor gronden vaststellen. Gelet op de omstandigheid dat het een marginale verkleining betreft en de mogelijkheid om met toepassing van de ontheffingsbevoegdheid uit artikel 19, aanhef en onder c, van de planregels de dakhelling met 10 procent te overschrijden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie a] door de vastgestelde maximale dakhelling onevenredig worden beperkt. Voor zover [appellant sub 3] betoogt dat een dakkapel op haar toekomstige woning niet mogelijk is, overweegt de Afdeling dat de planregels niet aan het realiseren van een dergelijke dakkapel in de weg staan. 2.9.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, is ongegrond. Proceskosten 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de plandelen [locaties] en artikel 1, onder 53, van de planregels; II. verklaart het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk voor zover dat ziet op het ontbreken van de mogelijkheid tot het realiseren van een erker op het perceel [locatie a]; III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en de beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] voor zover ontvankelijk ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Huszar voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010 533-635.