(2)6' rust. [appellant] betoogt dat de raad bij het bepalen van de hindercirkel tevens uit dient te gaan van de grens van het dichter bij het plangebied gelegen bedrijfsperceel met de aanduiding 'B(z)'. Hier zijn volgens de bedrijfsbestemming eveneens activiteiten in de categorie 2 toegestaan, aldus [appellant]. 2.6.
- In de plantoelichting is miskend dat het deel van het bedrijfsterrein van Smit met de bestemming B(z) is gelegen binnen 50 meter van het bouwblok van de in het plan voorziene woning. De raad heeft zich echter in het verweerschrift in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vrees dat de woning belemmerend zal zijn voor de bedrijfsbestemming ongegrond is, aangezien er op kortere afstand van deze bestemming reeds woningen staan. 2.
- [appellant] voert aan dat er onduidelijkheden zitten in de planregels en de verbeelding. Zo ontbreekt er volgens hem een aanduiding van de voorste, achterste en zijdelingse perceelsgrenzen. Op grond van de planregels dient de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 9 meter te bedragen en de afstand van een aan-, uit- of bijgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde tenminste 2,5 meter. Het is volgens [appellant] onduidelijk welke zijden hiermee worden bedoeld. Verder stelt hij dat het plan niet aangeeft of de voorgevel van de woning gericht zal zijn op de Kapelaan Kockstraat en hoe de beoogde ontsluiting van de woning zal worden gerealiseerd, aangezien de infrastructuur niet is aangegeven in het plan. Voorts maakt het plan mogelijk een inbreuk op zijn privacy nu volgens [appellant] het maaiveldniveau en dus de uiteindelijke bouwhoogte onduidelijk zijn aangeven. Bovendien geeft het plan niet aan hoe de woning gesitueerd moet worden. Ten slotte voert [appellant] aan dat op de verbeelding niet is aangegeven aan welk deel van het perceel de bestemming tuin dan wel erf is toegekend. 2.7.
- De raad neemt het standpunt in dat de planregels geen onduidelijkheden bevatten. De voorste perceelsgrens is de naar de weg gekeerde grens van het perceel. In het plan wordt geen onderscheid gemaakt tussen tuinen en erven, omdat beide vallen binnen de bestemming "Wonen", aldus de raad. 2.7.
- Ingevolge artikel 3.2.1 onder b van de planregels dient het hoofdgebouw te worden gebouwd binnen het bouwvlak. Ingevolge artikel 1.25 (inleidende regels, begrippen) is de voorste perceelsgrens de naar de weg gekeerde grens van een perceel. Blijkens pagina 32 van de plantoelichting wordt onder "de weg" de Kapelaan Kockstraat verstaan, waarop alle nabijgelegen woningen zijn georiënteerd. Ingevolge artikel 1.26 is de zijdelingse perceelsgrens de grens tussen twee percelen, die de voor- en achterzijde van een perceel verbindt. De voorzijde van het perceel wordt gevormd door de voorste perceelsgrens. Voor de ontsluiting van de beoogde woning zal volgens pagina 17 van de plantoelichting gebruik worden gemaakt van de bestaande oprit van de woning aan de Kapelaan Kockstraat
- Ingevolge artikel 2.1 wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde. Nu de beoogde woning niet direct aan de weg ligt wordt ingevolge artikel 1.22 onder b het peil bepaald door de hoogte van de weg (ter plaatse van de hoofdtoegang) + 15 centimeter. 2.7.
- De voorzitter ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels onduidelijk zijn. Voorts vallen, zoals de raad heeft aangevoerd, de tuin en het erf van de beoogde woning allebei binnen de bestemming "Wonen". Voor een nadere aanduiding binnen deze bestemming is geen aanleiding, nu, gelet op de planregels, geen onderscheid wordt gemaakt tussen tuinen en erven. 2.
- [appellant] betoogt dat noch op grond van de planregels noch op grond van andere regelgeving kan worden afgedwongen dat de eerste verdieping van de voorziene woning daadwerkelijk zal worden uitgevoerd met een blinde gevel zoals in de plantoelichting wordt verondersteld. Voorts bedraagt de afstand tussen beide woningen weliswaar circa 15 meter, maar het plan maakt het mogelijk om aan- en bijgebouwen te realiseren op een kortere afstand van zijn woning, aldus [appellant]. Gelet hierop is volgens hem zijn privacy onvoldoende gewaarborgd. 2.8.
- Zoals in 2.3.
- is overwogen heeft de raad zich gelet op de afstand tussen de hoofdgebouwen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van onevenredig nadeel voor [appellant] als gevolg van de bouw van de woning. Voor het opnemen in de planregels van de verplichting een gevel uit te voeren als blinde gevel bestaat dan ook geen aanleiding. De minimale afstand tussen aan- en bijgebouwen van de in het plan voorziene woning en de woning van [appellant] is gelet op de planregels en de verbeelding 7 meter. Gezien deze afstand en de functie van genoemde gebouwen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan ook in dit opzicht niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant]. 2.
- In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. 2.
- Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep ongegrond; II. wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Boermans voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2010 429-656.