← Nederland

ECLI:NL:RVS:2010:BN8581

201001884/1/H

  1. Datum uitspraak: 29 september
  2. AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 februari 2010 in zaak nr. 09/2519 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Justitie.
  3. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2009 heeft de minister de afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellante] geweigerd. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 februari 2010, verzonden op 8 februari 2010, heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 februari 2010, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2010, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Wildemors, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.
  4. Overwegingen 2.
  5. Ter zitting is gebleken dat [appellante] is gestopt met haar opleiding en geen VOG meer nodig heeft voor de stageplek bij [kinderopvangverblijf]. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat [appellante] geen belang bij het hoger beroep heeft, omdat zij is gestopt met de opleiding. 2.
  6. [appellante] heeft op dit standpunt gereageerd door te betogen dat zij evenwel nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke uitspraak, omdat ze de opleiding wil hervatten als uit die uitspraak blijkt dat de minister haar een VOG had moeten afgeven. Bij het hervatten van de opleiding moet wederom een stage worden gevolgd waarvoor een VOG is vereist, aldus [appellante]. 2.2.
  7. Niet is gebleken dat [appellante] nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Daartoe overweegt de Afdeling dat een eenmaal afgegeven VOG alleen maar gebruikt kan worden voor de functie waarvoor die VOG is aangevraagd. Niet gebleken is dat [appellante] haar afgebroken stage bij [kinderopvangverblijf] kan of zal hervatten. Bij de aanvraag van een nieuwe VOG vindt bovendien opnieuw een beoordeling plaats waarbij de termijn waarbinnen terug gekeken wordt of de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie door tijdsverloop een andere is dan welke bij deze aanvraag is betrokken. 2.
  8. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 2.
  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  10. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat. w.g. Van Altena w.g. Klein lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 29 september
  11. 280-637.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.