201001629/1/V1. Datum uitspraak: 13 oktober 2010 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 15 januari 2010 in zaak nr. 09/23549 in het geding tussen: [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) en de staatssecretaris. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 juni 2009 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het niet ambtshalve doen van een aanbod op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 15 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat - samengevat weergegeven - de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, indien een vreemdeling niet binnen de periode van 1 april 2001 tot en met 13 december 2006 (hierna: de referteperiode) aantoonbaar uit Nederland is vertrokken, ononderbroken verblijf dient te worden aangenomen en dat de staatssecretaris, nu het al dan niet volgens de Regeling in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning niet mag afhangen van de voortschrijding van het proces van afwikkeling van de nalatenschap van de Vreemdelingenwet (oud) (hierna: de Vw (oud)), het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, indien een vreemdeling na 13 december 2006 aantoonbaar uit Nederland is vertrokken, deze evenmin aan het vereiste van ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 voldoet. 2.1.1. Volgens de Regeling, zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000, nr. 2007/11, (hierna: WBV 2007/11) wordt voor zover thans van belang - aan vreemdelingen die onder de Vw (oud) een asielaanvraag hebben ingediend en nog immer in Nederland zijn een verblijfsvergunning verleend, indien zij aan bepaalde vereisten voldoen. Als vereiste geldt dat de desbetreffende vreemdeling sinds 1 april 2001 ononderbroken in Nederland heeft verbleven. Een zodanig verblijf wordt aangenomen, indien dit blijkt uit een verklaring van de burgemeester van de gemeente waar de desbetreffende vreemdeling feitelijk verblijft (hierna: de burgemeesterverklaring). 2.1.2. Niet in geschil is dat de burgemeester van de gemeente Amsterdam op 27 mei 2008 heeft verklaard dat de vreemdeling gedurende het gehele jaar 2006 in Nederland heeft verbleven. Evenmin is in geschil dat de vreemdeling in 2008 naar België is vertrokken. 2.1.3. Volgens paragraaf 5.1 van de Regeling - voor zover thans van belang - wordt een verblijfsvergunning verleend aan vreemdelingen die nog immer in Nederland zijn. De staatssecretaris heeft tijdens een overleg met de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer der Staten Generaal toegelicht dat - voor zover thans van belang - indien uit het dossier van een vreemdeling blijkt dat hij zijn verblijf op enig moment hier te lande heeft onderbroken, hij niet voor verblijf volgens de Regeling in aanmerking komt; de burgemeesterverklaring verandert dit niet (Kamerstukken II 2006/07, 31 018, nr. 3, p. 25). 2.1.4. Hieruit volgt dat de staatssecretaris bij beantwoording van de vraag of een vreemdeling aan het vereiste van ononderbroken verblijf sinds 1 april 2001 voldoet, onderzoekt of de desbetreffende vreemdeling op enig moment, dus ook na 13 december 2006, aantoonbaar uit Nederland is vertrokken, waarvoor bepalend is de situatie op het tijdstip waarop de staatssecretaris ambtshalve beoordeelt of een vreemdeling volgens WBV 2007/11 voor een verblijfsvergunning in aanmerking komt. De enkele omstandigheid dat het tijdstip van voormelde beoordeling per vreemdeling verschilt, maakt niet dat de staatssecretaris aldus in strijd met het rechtszekerheids- dan wel gelijkheidsbeginsel handelt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2010 in zaak nr. 200908198/1/V2 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.