(2001)127 definitief) volgt ook dat een dergelijke mogelijkheid tot uitsluiting niet is beoogd. Uit overweging 5.3 blijkt immers dat de reden om de in dat voorstel genoemde situaties van de toepassing van de richtlijn uit te zonderen, gelegen is in de omstandigheid dat het verblijf in die situaties slechts tijdelijk en vaak van korte duur is, alsmede dat het ook niet de bedoeling is van deze categorie personen om zich in het land te vestigen. Het is niet aannemelijk dat het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning is toegevoegd met de intentie om personen die wel de bedoeling hebben om langer in een lidstaat te verblijven en waarbij dat ook op basis van de door hen gevraagde verblijfsvergunning in beginsel onbeperkt mogelijk is, van de toepassing van de richtlijn uit te sluiten. Immers, daarmee zou de oorspronkelijke doelstelling van de richtlijn zijn verlaten, aldus de rechtbank. Bovendien zou de lezing van de staatssecretaris er feitelijk op neerkomen dat het lidstaten vrij zou staan om bepaalde groepen van onderdanen wier verblijf in een lidstaat niet naar zijn aard tijdelijk is en evenmin in duur gemaximeerd, van de werking van de richtlijn uit te zonderen. Hiermee zou de in punt 17 van de considerans weergegeven doelstelling om tot een harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene te komen, teniet worden gedaan. Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich ten onrechte, en in strijd met de richtlijn, op het standpunt gesteld dat de vreemdeling ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn van de werking ervan is uitgesloten. Het door de staatssecretaris gehanteerde beleid in paragraaf B1/7.1.2 van de Vc 2000 als ook het bepaalde in artikel 3.5, tweede lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 is in zoverre dan ook onverbindend, aldus de rechtbank. Grief 2.
- In de enige grief klaagt de staatssecretaris, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat het begrip 'formeel beperkte verblijfsvergunning' later is toegevoegd aan de in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Commissie) voorziene tekst van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn en derhalve op iets anders betrekking moet hebben dan op datgene wat al in het voorstel was opgenomen om een zinvolle toevoeging te kunnen zijn. De verwijzing van de rechtbank naar de toelichting op dit oorspronkelijke tekstvoorstel is in zoverre van weinig betekenis dat deze geen betrekking kan hebben op de latere toevoeging. De woorden 'gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is' wijzen er ondubbelzinnig op dat het hierbij niet gaat om verblijfsvergunningen waaraan inhoudelijke, materiële beperkingen zijn verbonden. Dit onderscheidt dit deel van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn van het eerste deel van deze bepaling, waarin het juist gaat om de inhoudelijke beoordeling aan de hand van de aard van het verblijf. Met deze toevoeging is aan de lidstaten de ruimte gelaten om door middel van een formele beperking aan een vergunning te voorkomen dat houders van bepaalde verblijfsvergunningen in aanmerking komen voor de status van langdurig ingezetene. Indien deze uitzondering door lidstaten zou worden gebruikt om het grote groepen houders van verblijfsvergunningen onmogelijk te maken de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, zou het nuttig effect van de richtlijn verloren kunnen gaan. De enkele mogelijkheid van misbruik betekent echter niet dat dit deel van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn niet de betekenis kan hebben die het volgens de tekst heeft. Daar komt bij dat uit punt 17 van de considerans van de richtlijn niet blijkt dat ten aanzien van de voorwaarden voor verkrijging van de status van langdurig ingezetene volledige harmonisatie is beoogd. Aan de subjectieve bedoeling van de vreemdeling kan geen overwegende betekenis worden gehecht, omdat de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn neergelegde uitzondering dan zowel in gevallen waarin de verblijfsvergunning formeel beperkt is als in gevallen waarin sprake is van verblijf uitsluitend om redenen van tijdelijke aard, zinledig zou worden. Daarbij is van belang dat godsdienstleraren en geestelijk voorgangers een verklaring als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000 moeten ondertekenen. Zij weten derhalve dat hun verblijfsrecht in beginsel van beperkte duur is, in die zin dat het wordt beëindigd zodra hun werkzaamheden voor de specifieke groepering waarvoor hun verblijf is toegestaan, worden beëindigd. Dat de rechtbank betekenis heeft gehecht aan het feit dat de geldigheidsduur van een vergunning voor verblijf als godsdienstleraar of geestelijk voorganger in beginsel onbeperkt kan worden verlengd, wekt de indruk dat haar oordeel anders zou hebben geluid, indien aan die vergunning een maximale verblijfsduur zou zijn verbonden. Als in dat geval de status van langdurig ingezetene wel zou kunnen worden onthouden, leidt dit tot de ongerijmdheid dat Nederland, juist door een soepeler beleid te voeren zonder maximale verblijfsduur, gehouden is de status van langdurig ingezetene toe te kennen, aldus de staatssecretaris. Beoordeling 2.
- Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) volgt dat de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan moet verzekeren. Het Hof heeft overwogen dat de vaststelling van nationale maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, niet tot gevolg heeft dat de richtlijn niet langer gevolgen heeft, en dat een lidstaat ook na vaststelling van deze maatregelen gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Derhalve kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat beroepen op bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn, in alle gevallen waarin de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk verzekerd is, dit wil zeggen niet alleen in geval van niet-uitvoering of onjuiste uitvoering van deze richtlijn, maar ook ingeval de nationale maatregelen die de betrokken richtlijn naar behoren uitvoeren niet zodanig worden toegepast dat het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt (arrest van 11 juli 2002, C 62/00, Marks & Spencer, punten 26 en 27, www.curia.europa.eu). 2.
- De rechtbank heeft – in hoger beroep onbestreden – overwogen dat de vreemdeling naar Nederland is gekomen om arbeid als geestelijk voorganger dan wel godsdienstleraar te verrichten en dat de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ongeacht de door hem ondertekende verklaring als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000, onbeperkt kan worden verlengd, zolang hij aan de daaraan gestelde voorwaarden blijft voldoen. 2.
- De grief komt er in wezen op neer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die is verleend onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, dient te worden aangemerkt als een formeel beperkte verblijfsvergunning in de zin van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn, zodat houders van een dergelijke vergunning, ongeacht de duur van hun verblijf in Nederland, niet in aanmerking komen voor verlening van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de richtlijn. 2.9.
- De staatssecretaris heeft met het door hem ingenomen standpunt aansluiting gezocht bij hetgeen is vermeld in de memorie van toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Vw 2000 ter implementatie van de richtlijn (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 567, nr. 3, blz. 19). Daarin heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voor zover thans van belang, de volgende toelichting gegeven: "Tevens kunnen tot gevallen waarin de verblijfsvergunning «formeel beperkt» is, eveneens behoudens andere uitleg door het Europese Hof van Justitie, redelijkerwijs worden gerekend de verblijfsvergunningen die worden verleend voor verblijfsdoelen die bij of ingevolge artikel 3.5 Vreemdelingenbesluit 2000 zijn of worden aangemerkt als tijdelijk. Het artikel 3.5 bevat immers zowel categorieën verblijfsdoelen die naar hun aard tijdelijk zijn, zoals verblijf als au pair, als ook verblijfsdoelen die als tijdelijk zijn aangemerkt omdat daarbij het uitzicht op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ontbreekt, zoals verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar." Ter zitting van de Afdeling heeft de minister voorts verwezen naar het nader rapport (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 567, nr. 4, p. 6), dat is opgesteld naar aanleiding van het advies van de Raad van State. Daarin heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie zijn eerdere toelichting gepreciseerd: "Artikel 3.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarnaar in de memorie van toelichting wordt verwezen en dat een opsomming bevat waarin, voor zover hier relevant, beide categorieën voorkomen, blijft derhalve van belang. Een van die categorieën is verblijf dat naar zijn aard tijdelijk is, zoals verblijf als au pair, in het kader van uitwisseling, enzovoort. Een andere categorie is verblijf dat niet naar zijn aard tijdelijk is, maar toch als tijdelijk wordt aangemerkt omdat het geen uitzicht geeft op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, zoals verblijf als godsdienstleraar of geestelijk voorganger. De verblijfsvergunningen (voor verblijfsdoelen) waarbij dat uitzicht ontbreekt worden aangemerkt als formeel beperkt […]." 2.9.
- Ter zitting van de Afdeling heeft de minister er wederom op gewezen dat de tekst van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn op zichzelf duidelijk is, in die zin dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen formeel en materieel beperkte verblijfsvergunningen. Verblijf dat naar zijn aard tijdelijk is, zoals verblijf om de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn opgesomde redenen van tijdelijke aard, kan als materieel beperkt worden aangemerkt. Als formeel beperkt verblijf geldt dan verblijf waarvan door de ontvangende lidstaat is bepaald dat het tijdelijk is, ook als dat verblijf naar zijn aard niet tijdelijk is. Indien een lidstaat het verblijf aanmerkt als formeel beperkt, valt het buiten het toepassingsbereik van de richtlijn, aldus de minister. Volgens de minister wordt het nuttig effect van de richtlijn niet ondermijnd door de verblijfsrechten die in artikel 3.5, tweede lid, van het Vb 2000 worden genoemd, als tijdelijk aan te merken, aangezien dat niet specifiek met het oog op de richtlijn is gebeurd. De verblijfsrechten die in die bepaling worden genoemd zien in elk geval deels op verblijf dat ook naar zijn aard tijdelijk is. Belangrijke toelatingsgronden zoals arbeid, gezinsvorming en gezinshereniging zijn niet als tijdelijk aangemerkt. Dat het verblijf als godsdienstleraar – waarvan het bijzondere karakter voor zich spreekt – wel als zodanig is aangemerkt, is een keuze die aan de verantwoordelijke bewindspersoon was en is. De richtlijn biedt daartoe de ruimte, aldus de minister. 2.9.
- Uit artikel 288, derde alinea, van het VWEU volgt dat lidstaten bij de implementatie van een richtlijn ruimte wordt gelaten, in zoverre dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten daarbij vorm en middelen te kiezen. Deze bevoegdheid wordt bevestigd in onder meer het arrest van 20 oktober 2005, C 6/04, Commissie/Verenigd Koninkrijk, punten 21 en 22 (www.curia.europa.eu), waarin het Hof heeft overwogen dat het vaste rechtspraak is dat de omzetting in nationaal recht van een richtlijn niet noodzakelijkerwijze vereist dat de inhoud ervan formeel en letterlijk wordt overgenomen in een uitdrukkelijke en specifieke wettelijke bepaling, doch dat, afhankelijk van de inhoud ervan, een algemene juridische context kan volstaan, wanneer deze daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekert. In dit verband moet in elk concreet geval de aard worden vastgesteld van de in de richtlijn opgenomen bepaling waarop het beroep wegens niet-nakoming betrekking heeft, om vast te stellen hoe ver de omzettingsplicht van de lidstaten gaat, aldus het Hof. Gelet op deze bevoegdheid van de lidstaten en gezien de gebruikelijke betekenis die in een juridische context aan de term 'formeel' wordt toegekend, kan de minister in beginsel worden gevolgd in de door hem voorgestane uitleg van de term 'formeel beperkt'. In zoverre zou kunnen worden geoordeeld dat de richtlijn aan lidstaten ruimte biedt om naar eigen inzicht aan een bepaalde verblijfsvergunning formele beperkingen te verbinden, mits de volledige toepassing van de richtlijn daadwerkelijk op voldoende duidelijke en nauwkeurige wijze verzekerd blijft. 2.9.
- De in artikel 288, derde alinea, van het VWEU neergelegde bevoegdheid van de lidstaten, laat onverlet dat het, eveneens volgens vaste rechtspraak van het Hof (onder meer het arrest van 18 januari 1984, 327/82, Ekro, punt 11, www.eur-lex.europa.eu; hierna: het arrest Ekro), met het oog op de eenvormige toepassing van het gemeenschapsrecht en het beginsel van gelijke behandeling, als algemene regel noodzakelijk is dat de termen van een gemeenschapsrechtelijke bepaling die voor de vaststelling van haar betekenis en draagwijdte niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, in de gehele Gemeenschap autonoom en op eenvormige wijze worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met de context van de bepaling en met het doel van de betrokken regeling. In de richtlijn wordt de term 'formeel beperkt', als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, niet nader gedefinieerd. Nu voor de vaststelling van de betekenis en draagwijdte van deze term niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten wordt verwezen, dient deze te worden aangemerkt als een communautair begrip als bedoeld in het arrest Ekro. Uit het arrest van 4 mei 2006, C-290/03, Barker, punt 40 (www.curia.europa.eu) kan worden afgeleid dat de omstandigheid dat de verlening van een vergunning door nationale instanties volgens nationaal recht geschiedt, daaraan niet afdoet. Anders dan de minister stelt, staat derhalve niet zonder meer vast of, en zo ja in hoeverre, artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn aan lidstaten de ruimte laat om een eigen invulling te geven aan het begrip 'formeel beperkte verblijfsvergunning'. Dit geldt te minder nu, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de mogelijkheid bestaat dat daardoor het nuttig effect van de richtlijn wordt aangetast. Hoewel de staatssecretaris op zichzelf terecht heeft gesteld dat het aanmerken van een bepaalde verblijfsvergunning als formeel beperkt niet per definitie het nuttig effect van de richtlijn tenietdoet, doet dat aan het bestaan van deze mogelijkheid niet af. Ter zitting van de Afdeling heeft de minister geen uitsluitsel kunnen geven over de mate waarin volgens hem lidstaten verblijfsvergunningen als formeel beperkt mogen aanmerken zonder dat het nuttig effect van de richtlijn wordt aangetast. Voor zover hij erop heeft gewezen dat het als tijdelijk aanmerken van de in artikel 3.5, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde verblijfsrechten niet specifiek met het oog op de richtlijn is gebeurd, geldt dat dit strijdigheid met het doel van de richtlijn niet op voorhand uitsluit. De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de door de staatssecretaris voorgestane uitleg tot gevolg kan hebben dat de doelstelling om tot een harmonisatie van de voorwaarden voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene te komen, wordt geschaad. Voor zover de staatssecretaris in dit verband heeft betoogd dat uit punt 17 van de considerans van de richtlijn niet blijkt dat ten aanzien van de voorwaarden voor verkrijging van de status van langdurig ingezetene volledige harmonisatie is beoogd, gaat hij eraan voorbij dat dit punt slechts betrekking heeft op toegestane gunstiger voorwaarden voor verkrijging van de status van langdurig ingezetene en niet op minimumnormen. 2.9.
- Ook de kenmerken van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zoals die in Nederland onder een beperking verband houdend met het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar wordt verleend, roepen de vraag op of deze verblijfsvergunning als 'formeel beperkt' in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn kan worden aangemerkt. Zoals hiervoor reeds overwogen, wordt de term 'formeel beperkt' in de richtlijn niet nader gedefinieerd. De betekenis van deze term kan evenmin uit de totstandkomingsgeschiedenis van de richtlijn worden afgeleid, omdat daarin niet is toegelicht waarom de zinsnede 'gevallen waarin hun verblijfsvergunning formeel beperkt is' op het daartoe door België gedane verzoek aan het oorspronkelijke voorstel van de Commissie is toegevoegd (Resultaat besprekingen van het Strategisch Comité immigratie, grenzen en asiel van 10 april 2003, 8408/03 MIGR 26). Uit punt 6 van de considerans van de richtlijn, voor zover thans van belang, volgt evenwel dat de duur van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat het belangrijkste criterium is voor de verwerving van de status van langdurig ingezetene. Het moet gaan om een langdurig en ononderbroken verblijf, waaruit blijkt dat de betrokkene sterke banden met het land heeft gekregen. Het verblijfsrecht als geestelijk voorganger of godsdienstleraar biedt naar nationaal recht geen zicht op een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De staatssecretaris heeft benadrukt dat godsdienstleraren en geestelijk voorgangers een verklaring als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000 moeten ondertekenen en dat zij derhalve weten dat hun verblijfsrecht in beginsel van beperkte duur is, in die zin dat het wordt beëindigd zodra hun werkzaamheden voor de specifieke groepering waarvoor hun verblijf is toegestaan, worden beëindigd. Daar staat tegenover dat de geldigheidsduur van een aan een geestelijk voorganger of godsdienstleraar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ongeacht deze verklaring, onbeperkt kan worden verlengd, zolang de houder ervan aan de daaraan gestelde voorwaarden blijft voldoen. Uit de brief van de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 11 mei 2006 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 19 637, nr. 1051, p. 8), die wordt aangehaald in de door de staatssecretaris in het hoger-beroepschrift geciteerde Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005-2006, 30 567, nr. 8, p. 18), volgt dat veel vreemdelingen die als geestelijk voorganger verblijf hebben, in de praktijk Nederland niet verlaten, dat er uiteindelijk in veel gevallen sprake is van langdurig verblijf en dat de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie mede om die reden voornemens was om het verblijfsrecht van geestelijk voorgangers en godsdienstleraren in de toekomst aan te merken als niet-tijdelijk van aard, zodat ook zij voortaan in aanmerking konden komen voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd met de aantekening 'EG-langdurig ingezetene'. Deze wetswijziging heeft inmiddels plaatsgevonden bij Wet van 7 juli 2010 (Stb. 2010, 2009) en Besluit van 24 juli 2010 (Stb. 2010, 307), maar is nog niet in werking getreden. In beginsel bestaan er voor geestelijk voorgangers en godsdienstleraren derhalve geen wettelijke beletselen om langdurig en ononderbroken rechtmatig in Nederland te verblijven. Gedurende dit verblijf worden zij in de gelegenheid gesteld sterke banden met dit land op te bouwen. Sinds 1 januari 2002 wordt op grond van diverse wet- en regelgeving van hen verwacht dat zij de Nederlandse taal leren en inburgeren in de Nederlandse maatschappij, waarbij aanvullende eisen worden gesteld ten opzichte van andere vreemdelingen die inburgeringsplichtig zijn. Gelet op deze omstandigheden, bezien in het licht van punt 6 van de considerans van de richtlijn, zou, ondanks het bepaalde in artikel 3.33, eerste lid, van het Vb 2000, kunnen worden geoordeeld dat de staatssecretaris en de minister de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ten onrechte als een 'formeel beperkte verblijfsvergunning' in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn hebben aangemerkt. 2.
- Gelet op hetgeen hiervoor, met name onder 2.9.
- tot en met 2.9.5., is overwogen, is naar het oordeel van de Afdeling niet buiten tot prejudiciële verwijzing nopende twijfel of de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft mogen aanmerken als een formeel beperkte verblijfsvergunning in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn. De Afdeling ziet daarom aanleiding het Hof van Justitie van de Europese Unie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vraag: Moet het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, aldus worden uitgelegd dat daaronder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd valt, die naar Nederlands recht geen uitzicht geeft op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, ook indien de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning voor bepaalde tijd naar Nederlands recht in beginsel onbeperkt kan worden verlengd en ook indien daardoor een bepaalde groep personen, zoals geestelijk voorgangers en godsdienstleraren, van toepassing van de richtlijn wordt uitgesloten? 2.
- Gelet op hetgeen onder 2.
- is overwogen, zal de behandeling van het hoger beroep worden geschorst, als na te melden.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven geformuleerde vraag: Moet het begrip formeel beperkte verblijfsvergunning, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, aldus worden uitgelegd dat daaronder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd valt, die naar Nederlands recht geen uitzicht geeft op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, ook indien de geldigheidsduur van die verblijfsvergunning voor bepaalde tijd naar Nederlands recht in beginsel onbeperkt kan worden verlengd en ook indien daardoor een bepaalde groep personen, zoals geestelijk voorgangers en godsdienstleraren, van toepassing van de richtlijn wordt uitgesloten?; II. schorst de behandeling van het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie; III. houdt iedere verdere beslissing aan. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E. van Laar, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Laar ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2010
- Verzonden: 14 oktober 2010 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser