200910105/1/H2. Datum uitspraak: 27 oktober 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ProRail B.V., gevestigd te Utrecht, 2. de raad van de gemeente Utrecht, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 12 november 2009 in zaken nrs. 08/3049, 08/3055, 08/3095 en 09/2245 in het geding tussen: 1. [wederpartij sub 1], 2. [wederpartij sub 2], 3. [wederpartijen sub 3], 4. ProRail en de raad. 1. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 6 september 2007 heeft de raad aan [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] per verzoek € 12.500,00 ter vergoeding van planschade toegekend. Bij besluit van 7 juli 2009 heeft de raad, voor zover thans van belang, de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] daartegen gemaakte bezwaren opnieuw gegrond verklaard en per verzoek € 20.000,00 ter vergoeding van planschade toegekend. Bij uitspraak van 12 november 2009, verzonden op 17 november 2009, heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartijen sub 3] en ProRail daartegen ingestelde beroepen gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de raad binnen zes weken een nieuw besluit op de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] gemaakte bezwaren neemt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben ProRail bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 december 2009, en de raad bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2009, hoger beroep ingesteld. ProRail heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 28 januari 2010. De raad heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 22 januari 2010. De raad, [wederpartij sub 1] en [wederpartijen sub 3] hebben ieder een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 september 2010, waar ProRail, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en de raad, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk, werkzaam bij de gemeente Utrecht, vergezeld door drs. B. van der Padt zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [wederpartij sub 1] en [wederpartijen sub 3], vertegenwoordigd door mr. C.R. Jansen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en [wederpartij sub 2] als belanghebbenden gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a en b, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO), zoals die bepaling tot 1 september 2005 luidde, kent de gemeenteraad een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover blijkt dat hij ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan of ten gevolge van een besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd. 2.2. Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding op de voet van artikel 49 van de WRO dient te worden onderzocht of de verzoeker als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kan, onderscheidenlijk kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Slechts in het geval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan daarin aanleiding worden gevonden om te oordelen dat van dit uitgangspunt afgeweken moet worden. 2.3. [wederpartij sub 1] is eigenaar van de woning en het bijbehorend perceel aan de [locatie 1] te [plaats]. [wederpartij sub 2] is eigenaar van de woning en het bijbehorend perceel aan de [locatie 2] te [plaats]. [wederpartijen sub 3] zijn eigenaar geweest van de woning en het bijbehorend perceel aan de [locatie 3] te [plaats]. [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] hebben verzocht om vergoeding van de planschade die zij hebben geleden door het op 8 augustus 2003 onherroepelijk geworden bestemmingsplan 'Vleuterweide' en door de - op uitwerking van dat bestemmingsplan anticiperende - besluiten van 8 juni 2004 en 24 oktober 2005, waarbij krachtens artikel 19, eerste lid, van de WRO vrijstellingen zijn verleend voor de verdubbeling van de spoorzone en de bouw van een treinstation met bijbehorende gebouwen en voorzieningen op een op korte afstand van hun percelen gelegen gebied. Aan de verzoeken om vergoeding van planschade hebben zij ten grondslag gelegd dat de planologische maatregelen de waarde van hun woningen hebben verminderd. 2.4. De raad betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd met artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartijen sub 3] en ProRail niet in de gelegenheid te stellen om voorafgaand aan het nemen van het besluit van 7 juli 2009 te reageren op drie gelijkluidende adviezen van Ten Have Advies (hierna: Ten Have) van 13 juni 2009 (hierna: de adviezen). Daartoe voert de raad aan dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 7:9 van de Awb in de beroepsfase niet van toepassing is en dat hij, onder verwijzing naar de adviezen, slechts een aanvulling op het bij haar ingediende verweerschrift heeft gegeven. 2.4.1. Bij besluiten van 4 september 2008 heeft de raad de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] tegen de besluiten van 6 september 2007 gemaakte bezwaren gegrond verklaard en per verzoek € 14.280,00 ter vergoeding van planschade toegekend. Hangende de door [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2] en [wederpartijen sub 3] tegen die besluiten ingestelde beroepen, heeft de raad de besluiten van 4 september 2008 herroepen, de bezwaren opnieuw gegrond verklaard en per verzoek € 20.000,00 ter vergoeding van planschade toegekend. Omdat die beslissing een wijziging van de rechtsgevolgen van de besluiten van 4 september 2008 inhoudt, is dat een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Awb en niet slechts een aanvulling van de motivering van het bij de rechtbank ingediende verweerschrift. Niet in geschil is dat de adviezen voor het besluit van 7 juli 2009 van aanmerkelijk belang zijn en dat [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartijen sub 3] en ProRail belanghebbenden bij dat besluit zijn. Artikel 7:9 van de Awb brengt met zich dat [wederpartij sub 1], [wederpartij sub 2], [wederpartijen sub 3] en ProRail, alvorens het besluit van 7 juli 2009 werd genomen, in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld van de adviezen kennis te nemen en daarop desgewenst te reageren. Vaststaat dat dit niet is gebeurd. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het besluit van 7 juli 2009 in strijd met deze bepaling tot stand is gekomen en op die grond niet in stand kan blijven. Het betoog faalt. 2.5. ProRail en de raad betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bebouwingsvoorschriften in artikel 23, onder A, van de bij het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 1974 Vleuten-De Meern' behorende planvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) mede op bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van toepassing zijn en dat de raad ten onrechte aan het besluit van 7 juli 2009 ten grondslag heeft gelegd dat het uitzicht vanuit de woningen had kunnen zijn bepaald door bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals geluidwerende kunstwerken, tot een hoogte van 15 m. Daartoe voeren zij aan dat het oordeel van de rechtbank op een onjuiste uitleg van die bepaling is gebaseerd. 2.5.1. Ingevolge artikel 23, onder A, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor spoorwegdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor het spoorwegbedrijf, met voor dit bedrijf noodzakelijke bouwwerken en bebouwing, zoals een seinhuis, relaishuisje, onderstation en dergelijke, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en werken, geen bouwwerken zijnde, met dien verstande dat:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.