201001361/1/V
- Datum uitspraak: 26 oktober 2010 Raad van State AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, (hierna: de rechtbank) van 8 januari 2010 in zaak nr. 09/14562 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris).
- Procesverloop Bij besluit van 3 april 2009 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 8 januari 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 5 februari 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
- Overwegingen 2.
- Ambtshalve wordt het volgende overwogen. 2.1.
- Ingevolge artikel 8, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) heeft de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel
- Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l. 2.1.
- Bij besluit van 28 mei 2009 is aan de vreemdeling met ingang van 27 april 2009, geldig tot 27 april 2010, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling had ten tijde van de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 3 april 2009 derhalve rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a, van de Vw
- 2.1.
- Een eventuele vernietiging van het besluit van 3 april 2009 heeft tot gevolg dat de minister van Justitie opnieuw op de aanvraag moet beslissen. Artikel 30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 staat dan echter aan inwilliging van die aanvraag in de weg. Zolang de vreemdeling in het bezit is van de aan hem verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan hij met het door hem ingestelde beroep en hoger beroep niet bereiken dat aan hem - alsnog - een verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend. 2.1.
- Belang bij beoordeling van het besluit van 3 april 2009 ontstaat eerst indien de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken dan wel een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur daarvan wordt afgewezen, in welk geval de vreemdeling niet kan worden tegengeworpen dat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Teneinde deze toetsing op dat moment mogelijk te maken kan de vreemdeling de minister alsdan verzoeken de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel te heroverwegen, dan wel een nieuwe aanvraag om verlening van een zodanige vergunning indienen, waarbij het algemeen rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter kan worden voorgelegd niet aan toetsing van het daarop te nemen besluit in de weg staat. Nu de vreemdeling ten tijde van de beoordeling van het beroep in het bezit was van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, had de vreemdeling geen belang bij het door hem ingestelde beroep en heeft hij evenmin belang bij het door hem ingestelde hoger beroep, omdat gesteld noch gebleken is dat hij niet langer in het bezit is van een verblijfsvergunning. 2.1.
- Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.K. van Leening, ambtenaar van Staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van Leening ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2010 513-
- Verzonden: 26 oktober 2010 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visserd
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.