(2001)D/285046, N 258/00, Duitsland (Recreatiezwembad Dorsten). Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het met het bouwplan voorziene zwembad, waarop de exploitatiebijdragen zien en dat in hoofdzaak gericht is op instructie- en doelgroepzwemmen en op gebruik door lokale zwemverenigingen, dient ter vervanging van het bestaande gemeentelijke zwembad "De Hoenderik", waarvan de gebruikers hoofdzakelijk uit de kern Bemmel en regio Lingewaard komen. Het voorziene zwembad is aldus, evenals voornoemd zwembad in Dorsten, in hoofdzaak op een lokale doelgroep gericht. Voorts is niet gebleken dat met het voorziene zwembad is beoogd bezoekers uit andere lidstaten aan te trekken. Hierbij wordt mede in overweging genomen dat het zwembad een uitvoering heeft die zich niet door bijzondere voorzieningen onderscheidt van andere gewone zwembaden. De omstandigheid dat de afstand van Bemmel tot de grens met Duitsland korter is dan de afstand van Dorsten tot de grens met Nederland maakt dit niet anders, aangezien op korte afstand van Bemmel en op kortere afstand van de grens met Duitsland de stad Nijmegen is gelegen, die over meerdere vergelijkbare zwembaden beschikt. Nu reeds gelet op het voorgaande niet aannemelijk is dat de door de gemeente beschikbaar gestelde financiële steun in strijd is met artikel 107, eerste lid, van het VWEU, komt de Afdeling, waar het in deze bepaling om cumulatieve voorwaarden gaat, niet toe aan een oordeel over de vraag of aan de eveneens in artikel 107, eerste lid, van het VWEU vervatte voorwaarde van vervalsing van de mededinging is voldaan. Gelet op het voorgaande bestond geen aanleiding de steunmaatregel bij de Europese Commissie te melden overeenkomstig het bepaalde in artikel 108, derde lid, van het VWEU. Voorts bestaat, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond voor het oordeel dat het college er niet in redelijkheid vanuit mocht gaan dat de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan verzekerd is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.
- Het hoger beroep van het college en de gemeente is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de beroepen van [appellante] en [belanghebbende] ongegrond verklaren. 2.
- Het besluit van 5 januari 2010 is een besluit als bedoeld in artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal dit besluit op de voet van artikel 6:19, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van die wet, in de beoordeling betrekken. 2.
- Uit het voorgaande volgt dat aan het besluit van 5 januari 2010, dat ter uitvoering van de vernietigde uitspraak is genomen, de grondslag is komen te ontvallen. Om deze reden zal de Afdeling dat besluit vernietigen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep van [appellante] en anderen ongegrond; II. verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard en de gemeente Lingewaard gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 december 2009 in zaken nrs. 09/1187, 09/1331, 09/1338 en 09/1375; IV. verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond; V. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard van 5 januari 2010, kenmerk
- Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, ambtenaar van Staat. w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Hanrath voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010 392.