(1974)was aan het perceel van de woning [locatie 6] de bestemming "Bosgebied A" toegekend, op basis waarvan het gebruik van bouwwerken voor permanente of tijdelijke bewoning was verboden. Niet in geschil is dat het gebruik van de woning is aangevangen vóór het van kracht worden van dat plan. Gelet hierop mocht het gebruik als recreatiewoning ingevolge de gebruiksovergangsbepaling in paragraaf IV, artikel 5, onder b, van de planvoorschriften worden gehandhaafd. Het gebruik als recreatiewoning was derhalve niet uitgesloten van het overgangsrecht. Gelet op het bepaalde in artikel 35.2.1 van de voorschriften van het voorliggende plan is het gebruik van de recreatiewoning thans evenmin uitgesloten van het overgangsrecht, nu het geen gebruik betreft dat eerst een aanvang heeft genomen na het verkrijgen van rechtskracht van het vorige bestemmingsplan. Het gebruik van de recreatiewoning is derhalve wederom onder het overgangsrecht gebracht. De keuze voor deze regeling is aanvaardbaar indien aannemelijk is dat het gebruik binnen de planperiode zal worden beëindigd. Dienaangaande is ter zitting gebleken dat [appellant sub 4] in 2009 een brief van het gemeentebestuur heeft ontvangen waarin hem is medegedeeld dat handhavend zal worden opgetreden tegen bouwwerken in het buitengebied die zonder bouwvergunning zijn opgericht. Daarbij is vanwege de raad toegelicht dat de brief een vooraankondiging betreft en dat in de komende planperiode handhavend zal worden opgetreden. Hiermee heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de recreatiewoning binnen de planperiode zal worden beëindigd. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het gebruik ervan ten onrechte onder het overgangsrecht is gebracht. 2.10.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" voor het perceel [locatie 6] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 2.
- [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" onderscheidenlijk "Agrarisch gebied met abiotische waarden" met de aanduiding "beschermingszone natte natuurparel" voor zijn percelen achter zijn bedrijfsperceel aan de [locatie 9] te [plaats], grenzend aan het [bedrijventerrein]. Volgens hem is in het plan ten onrechte geen bedrijfsbestemming toegekend aan deze gronden. [appellant sub 2] betoogt dat de percelen in het provinciaal beleid ten onrechte zijn aangemerkt als onderdeel van de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) en de beschermingzone natte natuurparel. Voorts voert hij aan dat de ligging in de GHS en de beschermingszone natte natuurparel niet in de weg heeft gestaan aan de realisatie van het industrieterrein Molenkamp enkele jaren geleden. Ten slotte is het college met de raad eraan voorbijgegaan dat behoefte bestaat aan uitbreiding van het [bedrijventerrein], aldus [appellant sub 2]. 2.11.
- Blijkens het deskundigenbericht is het westelijk gelegen perceel van de in geding zijnde percelen van [appellant sub 2] grotendeels gelegen in de GHS. Dat perceel heeft de bestemming "Agrarisch gebied met abiotische waarden" toegekend gekregen. [appellant sub 2] heeft zijn standpunt dat bedoeld perceel ten onrechte is aangemerkt als onderdeel van de GHS niet onderbouwd. De Afdeling ziet derhalve geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadere begrenzing van de GHS, zoals die op dit punt in het plan is vastgelegd, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Voorts zijn beide in geding zijnde percelen volgens het Uitwerkingsplan Zuidoost Brabant gelegen in het zogenoemde landschappelijk raamwerk, specifiek aangeduid voor beekdalsysteemontwikkeling, ten aanzien waarvan het beleid is gericht op het tegengaan van verdere uitbreiding van het stedelijk gebied. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling met het college geen aanleiding om het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten, nu de vastgestelde bestemmingen in overeenstemming zijn met het voornoemde provinciaal beleid, dat zich reeds tegen de gewenste bedrijfsbestemming verzet. Hetgeen [appellant sub 2] met betrekking tot de beschermingszone natte natuurparel heeft aangevoerd kan hieraan niet afdoen. Voor zover [appellant sub 2] beoogt te betogen dat het college van voornoemd beleid had moeten afwijken, is de Afdeling van oordeel dat daartoe geen aanleiding bestond, nu [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het nabijgelegen bedrijventerrein, anders dan de raad heeft verklaard, onvoldoende vestigingsmogelijkheden biedt. 2.11.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voornoemde plandelen niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 5] 2.
- Het beroep van [appellanten sub 5] is gericht tegen de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor het perceel Laar 76 te Nuenen. Het plan is ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld, in die zin dat een achterliggende strook grond van het perceel Laar 76 en een stuk grond waar de woning op staat - evenals het merendeel van dat perceel - de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" toegekend hebben gekregen. [appellanten sub 5] hebben geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht bij de raad. 2.12.
- Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een over het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheden doen zich niet voor wat betreft het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping", zoals dat reeds was opgenomen in het ontwerpplan. Het beroep van [appellanten sub 5] is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.
- Het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, richt zich tegen de goedkeuring van het plandeel zoals dat gewijzigd is vastgesteld met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor de achterliggende strook grond van het perceel Laar
- Zij betogen dat het college heeft miskend dat de te realiseren paardenstal en het koetshuis leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege stankoverlast en verminderd uitzicht. Verder vrezen zij dat de verkeersveiligheid ter plaatse in het gedrang komt als gevolg van het verkeer met paarden en koetsen van en naar de camping. 2.13.
- Het college verwijst voor zijn standpunt naar de bij besluit van 2 april 2009 op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO verleende vrijstelling van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan en de daartoe verleende verklaring van geen bezwaar voor onder meer de oprichting van een minicamping inclusief het (ver)bouwen van een koetshuis en een paardenstal. Voorts wijst het college erop dat het plan voorziet in de inpassing van hetgeen met het vrijstellingsbesluit is toegelaten. 2.13.
- Ingevolge artikel 10.1 van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor "Recreatieve en horecadoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor recreatieve voorzieningen en horecabedrijven overeenkomstig de aanduiding zoals opgenomen in de Staat van recreatieve en horecavoorzieningen in artikel 10.2.1, een en ander met bijbehorende voorzieningen. Ingevolge artikel 10.3.1 mogen uitsluitend bouwwerken worden opgericht ten behoeve van recreatieve voorzieningen passende bij de in de Staat van recreatieve en horecavoorzieningen opgenomen specifieke aanduiding. 2.13.
- Uit de plankaart bezien in samenhang met voornoemde Staat volgt dat op het perceel Laar 76 een minicamping is toegelaten. Ter zitting is van de zijde van de raad verklaard dat de vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO een minicamping betrof voor kampeerders die aankomen en vertrekken met paarden en koetsen. Het is volgens de raad de bedoeling geweest om de met deze vrijstelling mogelijk gemaakte bebouwing en het gebruik als minicamping in het plan op te nemen. In het plan zijn de begrippen 'minicamping' en 'recreatieve voorzieningen' echter niet gedefinieerd, zodat voor de uitleg daarvan dient te worden aangesloten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik wordt gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling kunnen een paardenstal en een koetshuis volgens het algemeen spraakgebruik niet worden begrepen onder bouwwerken ten behoeve van recreatieve voorzieningen passend bij een minicamping. Dit betekent dat - anders dan [appellanten sub 5], de raad en het college veronderstellen - de door [appellanten sub 5] bestreden bouwwerken op grond van het voorliggende plan niet zijn toegestaan. Het beroep van [appellanten sub 5] mist dan ook feitelijke grondslag en is derhalve ongegrond. Het beroep van [appellante sub 8] 2.
- [appellante sub 8] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan artikel 8.6.8 van de planvoorschriften, op basis waarvan vrijstelling van de planvoorschriften kan worden verleend voor de uitoefening van kleinschalige horeca-activiteiten op de gronden met de bestemming "Woondoeleinden". Zij betoogt dat in deze bepaling ten onrechte geen objectieve criteria zijn opgenomen ter voorkoming van nadelige gevolgen voor de horeca in Nederwetten ten gevolge van het toestaan van horeca-activiteiten aan de directe toegangswegen en op kleine afstand van het dorpscentrum. 2.14.
- Het college heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat de bezwaren van [appellante sub 8] zien op het voorkomen of beperken van concurrentie, hetgeen geen ruimtelijk relevant aspect is. Gelet op de in de planvoorschriften genoemde voorwaarden kan volgens het college geen sprake zijn van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. 2.14.
- Ingevolge artikel 8.5.1 van de planvoorschriften is het verboden de in dit artikel bedoelde gronden met de bestemming "Woondoeleinden" en de zich daarop bevindende opstallen te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de bestemming. Ingevolge artikel 8.6.8 kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in 8.5.1 teneinde binnen een bestaande woning en/of bestaande bijgebouwen en/of een bijbehorend perceel de uitoefening van kleinschalige horeca-activiteiten toe te staan, waarbij onder kleinschalige horeca-activiteiten wordt verstaan: de verkoop van ter plaatse te nuttigen uitsluitend niet-alcoholische dranken, verpakt ijs en koek, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren dient tevens de bewoner van de betreffende woning te zijn; b. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; c. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving; d. de activiteit mag niet vergunningplichtig ingevolge de Wet milieubeheer zijn; e. er mag geen detailhandel plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit; f. de vloeroppervlakte ten behoeve van de activiteit mag niet meer bedragen dan 25 m²; g. de activiteit mag uitsluitend plaatsvinden tussen 9.00 uur en 19.00 uur; h. ter plaatse mogen geen etenswaren worden bereid. 2.14.
- Niet in geschil is dat het voorkomen of beperken van concurrentie niet ruimtelijk relevant is. Slechts in geval zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal voordoen, zodanig dat sprake is van een in planologisch opzicht onaanvaardbare situatie, is plaats om in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter zake regulerend op te treden. Voor zover [appellante sub 8] heeft beoogd dit te betogen, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het toelaten van voornoemde kleinschalige horeca-activiteiten op basis van de in artikel 8.6.8 van de planvoorschriften genoemde criteria geen duurzame ontwrichting van het voorzieningniveau met zich zal brengen. Of het toestaan van horeca-activiteiten aan de directe toegangswegen en op kleine afstand van het dorpscentrum nadelige gevolgen heeft voor de horeca in Nederwetten is hierbij op zichzelf niet doorslaggevend. 2.14.
- De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 8] heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 8] is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 12] 2.
- Het college heeft goedkeuring onthouden aan artikel 13 van de planvoorschriften met betrekking tot de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken", omdat daarin volgens hem ten onrechte geen gebruiksbepalingen zijn opgenomen. Verder zijn de natuurwaarden volgens het college onvoldoende beschermd, in verband waarmee het college het aanlegvergunningenstelsel als bedoeld in artikel 12.6 van de planvoorschriften van overeenkomstige toepassing heeft verklaard op onder meer het gebied Hooidonk. 2.15.
- [appellant sub 10] en [appellant sub 12] betogen dat de afspraken met de omwonenden van de watermolen in het gebied Hooidonk over het toestaan van een detailhandel- en horecafunctie, zoals (deels) neergelegd in artikel 13.2.2 van de voorschriften, niet worden nagekomen. De Afdeling begrijpt dit betoog aldus dat volgens hen ten onrechte goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk, terwijl goedkeuring is onthouden aan artikel 13 van de planvoorschriften. 2.15.
- Zoals ter zitting naar voren is gekomen, heeft het college beoogd aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk goedkeuring te onthouden, althans dat het plan voor dat deel niet in werking zou treden en de bestemming in het voorheen geldende plan zou blijven gelden. Door alleen goedkeuring te onthouden aan bedoeld planvoorschrift en niet aan het desbetreffende deel van de plankaart is dit plandeel echter in werking getreden, zonder enig bijbehorend voorschrift omtrent het toegelaten gebruik. Dit betekent dat de gedeeltelijke inwerkingtreding van het plan niet strookt met de aard en inhoud van het plan. 2.15.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 10] en [appellant sub 12] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met artikel 10:29, eerste lid, van de Awb. De beroepen van [appellant sub 10] en [appellant sub 12] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk, dient te worden vernietigd. Voorts ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring te onthouden aan dit plandeel. Het beroep van [appellant sub 11] 2.
- [appellant sub 11] betoogt dat ten onrechte goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden" onderscheidenlijk "Bos en Natuur" en "Woondoeleinden" voor zijn gronden op het perceel Nieuwe Dijk 7c te Nuenen. [appellant sub 11] betoogt dat voor deze gronden ten onrechte niet een agrarisch bouwblok ter grootte van 10.800 m² zoals in het voorheen geldende bestemmingsplan is opgenomen. Volgens hem heeft het college ten onrechte in navolging van de raad bij zijn besluit betrokken dat het bouwblok zou komen te vervallen in ruil voor een subsidie voor het slopen van de voormalige varkensstallen. Voorts betoogt hij dat de nog aanwezige paardenstal, mestsilo en schuur als zodanig hadden moeten worden bestemd. 2.16.
- In het vorige bestemmingsplan "Landelijk gebied"
(1974)was aan de in geding zijnde gronden van [appellant sub 11] de bestemming "Agrarische doeleinden C" toegekend, waarmee een agrarisch bouwblok van 10.800 m² was toegekend. Niet in geschil is dat [appellant sub 11] in 1999 met een subsidie op basis van de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken het intensieve veehouderijbedrijf ter plaatse heeft beëindigd en sindsdien geen agrarisch bedrijf ter plaatse heeft gevestigd. Nu [appellant sub 11] onweersproken geen concrete plannen heeft om ter plaatse een grondgebonden agrarisch bedrijf op te richten, is de Afdeling van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de bestemmingen die geen agrarisch bedrijf met bouwwerken toestaan. 2.16.
- De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan op dit punt niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond. Proceskosten 2.
- Het college dient ten aanzien van [appellant sub 10] en [appellant sub 12] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 3] en [appellante sub 1] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de overigen bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 5], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Recreatieve en horecadoeleinden" met de aanduiding "mc-minicamping" voor het perceel Laar 76 te Nuenen, zoals dat reeds was opgenomen in het ontwerpplan, niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 10] en [appellant sub 12] gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 26 mei 2009, kenmerk 1471002,
- voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2];
- voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan: - het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11]; - het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk; IV. verleent goedkeuring aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" voor de woning [locatie 2]; V. onthoudt goedkeuring aan: - het plandeel met de bestemming "Bos en natuur" en de aanduiding "recreatiewoning" voor het perceel [locatie 11]; - het plandeel met de bestemming "Bijzondere doeleinden uit te werken" voor het gebied Hooidonk; VI. bepaalt dat deze uitspraak, voor zover het betreft het onder IV. en V. genoemde, in de plaats treedt van het besluit van 26 mei 2009; VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellanten sub 6], [appellant sub 7], [appellante sub 8], [appellante sub 9] en [appellant sub 11] geheel en het beroep van [appellanten sub 5], voor zover ontvankelijk, voor het overige ongegrond; VIII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 10] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 12] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellante sub 1], [appellant sub 3], [appellanten sub 10] en [appellant sub 12] het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellante sub 1], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 10] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 12] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat. w.g. Van Sloten w.g. Van der Heijden lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 3 november 2010 516-661-662.