(1979)de bestemming "eengezinshuizen in open bebouwing (E 2.0)" was toegekend, op basis waarvan destijds reeds een vrijstaande woning in twee bouwlagen mocht worden gebouwd. Voorts wijst het college erop dat in het bestemmingsplan "Bebouwde kom Rucphen" reeds de bestemming "Woondoeleinden -W-" was opgenomen en dat zowel [appellant sub 1] als [appellant sub 2] geen rechtsmiddelen hebben aangewend tegen het bestemmingsplan. Het college acht verder van belang dat reeds in het kader van het bestemmingsplan een groot deel van het voorbereidend onderzoek is gedaan en dat daarbij is beoordeeld of toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet in strijd komt met een goede ruimtelijke ordening. 2.
- Ingevolge artikel 3, elfde lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan is het college van burgemeester en wethouders bevoegd tot wijziging van de bestemming "Woondoeleinden -W-", voor zover gelegen binnen het op de kaart aangegeven 'gebied met wijzigingsbevoegdheid', met in achtneming van de volgende bepalingen: a. de aanduiding 'tuin' mag gewijzigd worden in 'bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen' en 'achtertuin' en de aanduiding 'achtertuin' in 'bouwvlak hoofdgebouw met bijgebouwen' ten behoeve van de nieuwbouw van één vrijstaande woning; b. de afstand van de voorgevelrooilijn tot de aan de weg gelegen bestemmingsgrens dient minimaal 8 m te bedragen; c. de maximale goothoogte bedraagt 6 m; d. de wijziging dient te passen binnen het provinciale woningbouwprogramma voor de gemeente Rucphen; e. in het kader van de wijziging zijn de voorschriften van dit artikel van overeenkomstige toepassing. 2.
- Niet in geschil is dat aan de hiervoor beschreven, bij het plan gestelde wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Gelet hierop mag met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. De wijze waarop een wijzigingsplan moet worden getoetst, hangt echter af van de manier waarop de wijzigingsbevoegdheid is geformuleerd. Naarmate deze bevoegdheid betrekking heeft op een groter gebied of naarmate de vorige bestemming hierdoor kan worden gewijzigd in meer nieuwe bestemmingen, kunnen hogere eisen worden gesteld aan de belangenafweging. In dit geval heeft de wijzigingsbevoegdheid echter betrekking op één concreet perceel waarbij aan de reeds toegekende bestemming "Woondoeleinden -W-" een bouwvlak kan worden toegevoegd. De planologische afweging van de aanvaardbaarheid van de bouw van een woning ter plaatse heeft derhalve al plaatsgevonden bij de beoordeling van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan. De door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] naar voren gebrachte aspecten privacy, uitzicht, lichtinval, ontsluiting en de mogelijkheid om bijgebouwen op te richten, moeten worden geacht in dat kader te zijn afgewogen. Dit doet er niet aan af dat hierna nog wel aan de orde komen hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd over de breedte van het bouwperceel alsmede de al dan niet aanwezige flora en fauna ter plaatse, die mogelijk in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan. 2.
- [appellant sub 1] betoogt dat het college niet heeft onderkend dat het perceel niet voldoende breed is, omdat het aangrenzende perceel nr. 234 niet bij de berekening van de breedte van het perceel had mogen worden betrokken, nu dit niet in eigendom is van de erven [belanghebbende]. 2.7.
- Ingevolge artikel 3, derde lid, van de planvoorschriften bij het bestemmingsplan geldt voor een bouwperceel van een vrijstaande woning een minimale breedte van 12 m. Bij de vaststelling van de breedte van het bouwperceel kan volgens het college worden uitgegaan van de afstand tussen de zijdelingse perceelsgrenzen ter hoogte van de voorgevelrooilijn die volgens hem, zonder daarbij het perceel nr. 234 te betrekken, ter plaatse 12,26 m bedraagt. [appellant sub 1] heeft niet gesteld dat deze wijze van meting onjuist is. Het betoog faalt derhalve. 2.
- [appellant sub 1] betoogt dat het college ten onrechte is uitgegaan van een globaal flora- en faunaonderzoek. [appellant sub 2] voert aan dat het wijzigingsplan ertoe leidt dat een schakel tussen het bos achter het perceel en de bebouwde kom en het leefgebied van eekhoorns, egels, spechten, vleermuizen, mussen, koolmezen, merels en duiven zal verdwijnen. 2.8.
- De Afdeling begrijpt deze beroepsgronden aldus dat de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat het college het plan niet had kunnen vaststellen, indien en voor zo ver hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid in de weg staat. Volgens het college is deze situatie hier niet aan de orde, omdat niet is gebleken dat het perceel de bedoelde schakel vormt noch dat de genoemde diersoorten daadwerkelijk ter plaatse voorkomen. In dit licht heeft het college een nader onderzoek niet nodig geacht. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat het standpunt van het college onjuist is. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 2.
- In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Heijden, ambtenaar van staat. w.g. Simons w.g. Van der Heijden lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010 516-653.