201003630/1/V1. Datum uitspraak: 17 november 2010 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 24 maart 2010 in zaak nr. 09/31820 in het geding tussen: de vreemdeling en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 augustus 2009 heeft het COa een verzoek van de vreemdeling om hem verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 24 maart 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 14 april 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Het COa heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Volgens artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (PB 2003, L 31; hierna: de Opvangrichtlijn) wordt onder 'asielverzoek' verstaan een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om internationale bescherming door een lidstaat uit hoofde van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk om een andere vorm van bescherming vraagt waarom afzonderlijk kan worden verzocht. Volgens artikel 2, aanhef en onder c, wordt voor de toepassing van die richtlijn onder 'asielzoeker' verstaan een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend, waarover nog geen definitief besluit is genomen. Volgens artikel 3, eerste lid, is de richtlijn van toepassing op alle onderdanen van derde landen en staatlozen die een asielverzoek aan de grens of op het grondgebied van een lidstaat indienen voor zover zij als asielzoeker op het grondgebied mogen verblijven, alsmede op de gezinsleden, indien zij overeenkomstig het nationale recht onder dit asielverzoek vallen. Volgens artikel 13, eerste lid, zorgen de lidstaten ervoor dat voor asielzoekers materiële opvangvoorzieningen beschikbaar zijn wanneer zij hun asielverzoek indienen. Volgens artikel 2, aanhef en onder b, van de Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van de Europese Unie van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326; hierna: de Procedurerichtlijn) wordt onder 'asielverzoek' verstaan een door een onderdaan van een derde land of een staatloze ingediend verzoek dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat op grond van het Verdrag van Genève. Elk verzoek om internationale bescherming wordt als een asielverzoek beschouwd, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk vraagt om een andere vorm van bescherming waarvoor een afzonderlijk verzoek kan worden ingediend. Volgens artikel 2, aanhef en onder c, wordt onder 'asielzoeker' verstaan een onderdaan van een derde land of een staatloze die een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen. Volgens artikel 2, aanhef en onder d, voor zover thans van belang, wordt onder 'definitieve beslissing' verstaan een beslissing of de onderdaan van een derde land of de staatloze de vluchtelingenstatus wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2004/83/EG, waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat in het kader van hoofdstuk V, ongeacht of dit rechtsmiddel tot gevolg heeft dat de asielzoekers in de lidstaten mogen blijven in afwachting van het resultaat. Volgens artikel 2, aanhef en onder k, wordt onder 'in de lidstaat blijven' verstaan op het grondgebied blijven van de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend of wordt behandeld, daaronder begrepen aan de grens of in een transitzone van die lidstaat. Volgens artikel 7, eerste lid, voor zover thans van belang, mogen asielzoekers in een lidstaat blijven, louter ten behoeve van de procedure, totdat de beslissingsautoriteit in eerste aanleg een beslissing heeft genomen. Dit recht om te blijven houdt niet in dat de betrokkene recht heeft op een verblijfsvergunning. Volgens artikel 39, eerste lid, zorgen de lidstaten ervoor dat voor asielzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen de in dat lid genoemde beslissingen. Volgens artikel 39, derde lid, aanhef en onder a, voor zover thans van belang, stellen de lidstaten overeenkomstig hun internationale verplichtingen voorschriften vast betreffende de vraag of dat rechtsmiddel tot gevolg moet hebben dat asielzoekers in afwachting van de uitkomst in de betrokken lidstaat mogen blijven. Volgens artikel 39, derde lid, aanhef en onder b, voor zover thans van belang, stellen de lidstaten overeenkomstig hun internationale verplichtingen voorschriften vast betreffende de mogelijkheid van een rechtsmiddel of beschermende maatregel wanneer het rechtsmiddel niet het gevolg heeft dat asielzoekers in afwachting van de uitkomst in de betrokken lidstaat mogen blijven. De lidstaten kunnen ook voorzien in een rechtsmiddel van rechtswege. 2.2. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, samengevat weergegeven, hij niet kan worden aangemerkt als asielzoeker als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn, omdat sprake is van een definitieve beslissing als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Procedurerichtlijn, nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank van zijn beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen en de procedure inzake de ongewenstverklaring van de vreemdeling niet kan worden gezien als een asielprocedure als bedoeld in die richtlijn. De rechtbank heeft volgens de vreemdeling ten onrechte overwogen dat hij gelet hierop niet onder het toepassingbereik van de Procedurerichtlijn, onderscheidenlijk de Opvangrichtlijn valt en niet onderkend dat hij een recht op opvang kan ontlenen aan de Opvangrichtlijn. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de rechtbank heeft miskend dat de asielprocedure nog niet als geëindigd kan worden beschouwd in de zin van de Procedurerichtlijn, omdat de procedure inzake de ongewenstverklaring dient te worden aangemerkt als procedure omtrent een asielverzoek als bedoeld in voormelde richtlijnen waarop nog geen definitieve beslissing is genomen. Door de ongewenstverklaring kon de rechtbank geen inhoudelijk oordeel geven in de procedure inzake de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, en wordt de asielaanspraak die is gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag, onderscheidenlijk het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), beoordeeld in de procedure inzake de ongewenstverklaring, aldus de vreemdeling. 2.2.1. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen en hem tevens krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) ongewenst verklaard. Bij uitspraak van 21 oktober 2009 heeft de rechtbank het beroep van de vreemdeling tegen voormeld besluit, voor zover daarbij de aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen is afgewezen, niet ontvankelijk verklaard, omdat de vreemdeling bij een beoordeling daarvan geen belang had, zolang de ongewenstverklaring voortduurde. Voorts staat vast dat ten tijde van de aangevallen uitspraak de ongewenstverklaring nog niet in rechte onaantastbaar was. 2.2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 juli 2010 in zaak nr. 201001769/1/V2; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.