(2000)2751 van 28 september 2000 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen het door Nederland op grond van artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en instelling van een aantal verordeningen ingediende POP voor de periode 2000-2006 goedgekeurd. [appellant sub 1 G] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat bij de aan [belanghebbende] op grond van de Regeling bedrijfshervestiging en -beëindiging toegekende verplaatsingsbijdrage niettemin sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Voorts overweegt de Afdeling dat geen rechtsregel ertoe verplicht dat de economische uitvoerbaarheid van het plan beoordeeld moet worden door een externe onafhankelijke instantie. Wassink heeft voorts de ter zitting door [appellant sub 1 G] en anderen naar voren gebrachte stelling dat de bouw in het plangebied vanwege financiële problemen stil zou liggen, weersproken. 2.11.
- Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 1 G] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat het plan financieel-economisch niet uitvoerbaar zou zijn. 2.
- [appellant sub 1 G] en anderen voeren aan dat de raad een deel van de in hun zienswijze naar voren gebrachte bezwaren ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten onder verwijzing naar de procedure omtrent de milieuvergunning ten behoeve van de veehouderij. 2.12.
- Ten aanzien van dit betoog overweegt de Afdeling dat, voor zover de door [appellant sub 1 G] en anderen in hun zienswijze aangevoerde bezwaren zien op milieuhygiënische aspecten die bij het plan moeten worden meegewogen, gebleken is dat de raad, zoals hij ter zitting heeft bevestigd, hieraan bij zijn besluitvorming gewicht heeft toegekend. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat milieutechnische aspecten, zoals ten aanzien van de eisen die worden gesteld aan de aan te brengen luchtwassers, aan de orde zijn geweest bij de te verlenen milieuvergunning. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in de zienswijze aangevoerde bezwaren die zien op die laatste aspecten niet aan de orde zijn bij de vaststelling van het plan, maar bij de procedure omtrent de milieuvergunning. 2.
- Voor het overige komen de bezwaren van [appellant sub 1 G] en anderen overeen met reeds in hun zienswijze naar voren gebrachte bezwaren. In de reactie op de zienswijzen is ingegaan op deze bezwaren. [appellant sub 1 G] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze onjuist zou zijn. 2.
- In hetgeen [appellant sub 1 G] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het door hen aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de vereniging Elsen-Elsenerbroek en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 1 G] en anderen, is ongegrond. Proceskosten 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellanten sub 2] Ontvankelijkheid 2.
- Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. De afstanden van de woningen van [appellanten sub 2] tot het plangebied bedragen meer dan 600 m. Gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben [appellanten sub 2] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. 2.16.
- Gelet op het voorgaande kunnen [appellanten sub 2] niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit, zodat hun beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Proceskosten 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] geheel, en het beroep van de vereniging Vereniging tot behoud van Elsen-Elsenerbroek en anderen voor zover dat is ingesteld door de vereniging Vereniging tot behoud van Elsen-Elsenerbroek, [appellant sub 1 B], [appellant sub 1 E] en [appellant sub 1 F], niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van de vereniging Vereniging tot behoud van Elsen-Elsenerbroek en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Steenbergen, ambtenaar van staat. w.g. Van Sloten w.g. Van Steenbergen voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2010 528.