201010096/2/H
- Datum uitspraak: 2 december 2010 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) van: [verzoekster] en anderen, allen gevestigd, dan wel wonend, te [woonplaats], (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoekster]), hangende het door ondermeer deze tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zutphen (hierna: de voorzieningenrechter) van 22 september 2010 in zaak nrs. 10/1047 en 10/829 in het geding tussen: [verzoekster] en het college van burgemeester en wethouders van Berkelland (hierna: het college) ingestelde hoger beroep.
- Procesverloop Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft het college [verzoekster] op straffe van een dwangsom van € 100.000,- gelast de met het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening 1987" strijdige bedrijfsactiviteiten op het perceel Flipsweg 13/13a te Rietmolen die niet onder het overgangsrecht vallen te beëindigen en beëindigd te houden. Bij besluit van 8 april 2010 heeft het het door [verzoekster] tegen dat besluit gemaakte bezwaar, onder aanvulling van de motivering daarvan, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 september 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter het door [verzoekster] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het college zich daarbij bevoegd heeft geacht om handhavend tegen een afvalbrengpunt en detailhandel in zand en grind op te treden en de hoogte van de dwangsom heeft vastgesteld op € 100.000,-, bepaald dat een afvalbrengpunt en detailhandel in zand en grind worden toegevoegd aan de opsomming van uitgezonderde bedrijfsactiviteiten in de lastgeving onder het kopje "Besluit" van het besluit van 8 april 2010, de hoogte van de dwangsom op € 20.000,- gesteld, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 8 april 2010, voor zover dit is vernietigd, en een nieuwe begunstigingstermijn vastgesteld op één maand na de dag van bekendmaking van de uitspraak door het college overeenkomstig de voor het besluit van 8 april 2010 voorgeschreven wijze. Tegen deze uitspraak heeft onder meer [verzoekster] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 november 2010, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft [verzoekster] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 november 2010, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en het college, vertegenwoordigd door M.G.J. Lubberink, zijn verschenen.
- Overwegingen 2.
- Het verzoek strekt ertoe de last te schorsen, totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. 2.
- Ter zitting heeft het college desgevraagd medegedeeld dat het de door de voorzieningenrechter vastgestelde begunstigingstermijn niet heeft verlengd. Nu deze op 28 oktober 2010 is verstreken, is de dwangsom inmiddels verbeurd. Onder die omstandigheden heeft [verzoekster] geen spoedeisend belang bij de door hem verzochte schorsing, zodat het verzoek daartoe reeds om die reden moet worden afgewezen. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van staat. w.g. Loeb w.g. Graaff-Haasnoot voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2010 531.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.