(2000)1), waarin staat dat de besluitvormers moeten weten in hoeverre de resultaten van de evaluatie van de beschikbare wetenschappelijke informatie onzeker zijn. Indien moet worden gehandeld, zo staat in voornoemde Mededeling, dienen de maatregelen op grond van het voorzorgsbeginsel onder meer in verhouding te staan tot het gekozen beschermingsniveau en geen nulrisico, dat zelden worden bereikt, ten doel te hebben. Appellanten hebben niet gemotiveerd bestreden waarom de ministers niet bij de Mededeling van de Commissie hebben kunnen aansluiten. Gelet op het voorgaande is een dergelijke beleidsmatige keuze niet in strijd met het voorzorgsbeginsel en hebben de ministers in redelijkheid niet hoeven kiezen voor een magneetveldzone van 0,3 µT. 2.
- De Stichting, De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] betogen dat bij de keuze voor een magneetveldzone van 0,4 µT een onjuiste toepassing is gegeven aan het voorzorgsbeginsel, omdat elders in Europa strengere normen worden gehanteerd voor de blootstelling aan een magnetisch veld. De Stichting wijst in dit verband op een norm van 0,2 µT in Zweden. Volgens De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] zou in Zweden een uitgangspunt van 0,1 µT gelden. Ook zouden er rapporten uit de Verenigde Staten zijn waarin wordt aanbevolen om een grenswaarde van 0,2 µT niet te overschrijden. Verder voeren De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] aan dat in Duitsland en Denemarken een afstand van 400 meter tussen hoogspanningslijnen en woningen wordt gehanteerd. 2.18.
- In bijlage 2 bij het kennisbericht Hoogspanningslijnen en kinderleukemie van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden (hierna: het Kennisplatform), gedateerd 1 september 2009, staat dat vrijwel alle Europese landen hun beleid voor bescherming van de bevolking baseren op het referentieniveau van 100 µT uit de aanbeveling van de Europese Unie. Specifiek voor hoogspanningslijnen hebben Nederland, Italië en Zwitserland aanvullend beleid dat gebaseerd is op het voorzorgsbeginsel. Italië vertaalt het voorzorgsbeginsel door het wettelijk vastleggen van twee limieten voor de magnetische veldsterkte. Daarbij geldt 3 µT voor bestaande situaties en 1 µT voor nieuwe situaties. Zwitserland hanteert voor nieuwe woningen, scholen en ziekenhuizen een maximale sterkte van het magnetisch veld van 1 µT bij maximale belasting van de hoogspanningslijn. 2.18.
- De aanbeveling van de Europees Unie voor een referentieniveau van 100 µT ziet op korte termijn effecten. Uit overweging 2.18.
- volgt dat slechts enkele andere landen in Europa beleid hebben ontwikkeld voor lange termijn effecten. Volgens het Kennisplatform, waaraan onder meer het RIVM en de Gemeenschappelijke Gezondheidsdiensten deelnemen, gaat het advies van VROM in dit opzicht verder dan waarvan in andere landen sprake is. De enkele stellingen van voornoemde appellanten, nog daargelaten dat zij onderling verschillen, leiden niet tot het oordeel dat het advies daarom niet in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel is. 2.
- Gelet op het vorenoverwogene ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de ministers, gegeven de bestaande onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico’s het vorenomschreven beleid met inbegrip van de beleidskeuze voor een magneetveldzone van 0,4 µT voor nieuwe situaties niet in redelijkheid aan het rijksinpassingsplan ten grondslag hebben kunnen leggen. Daarbij hebben zij de (ruimtelijke) gevolgen in een dichtbevolkt gebied van een lagere veldsterkte mede kunnen betrekken. Tevens bestaat geen aanleiding om te oordelen dat de ministers aldus op onvoldoende wijze invulling hebben gegeven aan het voorzorgbeginsel. Toepassing advies van VROM 2.
- [appellant sub 13], [appellant sub 16], [appellante sub 47], [appellant sub 45] en [appellant sub 43] betogen dat hun woningen ten onrechte binnen de magneetveldzone komen te liggen. Dit brengt volgens hen onaanvaardbare gevolgen voor hun gezondheid met zich. Ook de Stichting wijst op de aanwezigheid van de woningen van [appellant sub 45] en [appellant sub 43] binnen de magneetveldzone. Zij betogen dat uit het advies van VROM volgt dat de hoogspanningsverbinding zo moet worden gerealiseerd dat er geen enkele gevoelige bestemming binnen de magneetveldzone zal liggen. [appellante sub 28], [appellant sub 27], het Bedrijvenschap, Midden-Delfland en Lansingerland betogen dat de magneetveldzone in het rijksinpassingsplan had moeten worden vastgelegd om te voldoen aan het advies van VROM. In dit verband voeren zij aan dat er nu niets aan in de weg staat om gevoelige objecten binnen de magneetveldzone op te richten. Midden-Delfland en Lansingerland betogen dat door deze gang van zaken het planschaderisico ten onrechte bij de gemeenten wordt gelegd. Nu de ministers ten onrechte niet de gevoelige objecten binnen de magneetveldzone hebben wegbestemd, dienen de raden van deze gemeenten dit te doen met als gevolg dat de gemeenten de planschaderisico's zullen moeten dragen. 2.20.
- De Afdeling overweegt dat de ministers zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat uit het advies van VROM niet volgt dat bij het realiseren van een nieuwe hoogspanningsverbinding geen enkele gevoelige bestemming binnen de magneetveldzone mag liggen. In het advies van VROM staat dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen dient te worden dat gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone komen te liggen. In het MER is de ligging van het tracé beschreven. Hieruit volgt dat verplaatsing van het tracé ter plaatse van de woningen en tuinen van [appellant sub 45] en [appellant sub 43] naar het westen, zodat deze buiten de magneetveldzone komen te liggen, geen redelijk alternatief is, omdat in dat geval de bundeling met de A4 zou moeten worden losgelaten en de ruimtelijke aantasting van het bedrijventerrein Harnaschpolder en het recreatiegebied Kerkpolder groter zou zijn. Ook zullen er, indien het door [appellant sub 43] voorgestelde tracé zal worden uitgevoerd, meer woningen binnen de magneetveldzone komen te liggen. Overigens volgt uit de berekeningen van de specifieke magneetveldzone, die door de ministers op 29 juli 2010 zijn overgelegd en hierna weergegeven in overweging 2.23., dat zowel de tuin als de woning van [appellant sub 45] buiten de magneetveldzone zullen liggen. Met betrekking tot de woning van [appellante sub 47], waar de hoogspanningsverbinding ondergronds zal worden aangelegd, staat in het MER dat verplaatsing van het tracé niet mogelijk is wegens de aanwezigheid van een waterleiding. Alternatieven zijn volgens de ministers niet mogelijk onder meer vanwege de aanwezigheid van diepe funderingen van nabijgelegen bedrijfsgebouwen en het haaks moeten kruisen van de waterleiding. [appellante sub 47] heeft dit niet bestreden. Met betrekking tot de woningen van [appellant sub 13] en [appellant sub 16] staat in het MER dat een alternatief tracé zou leiden tot veel meer knikken in het tracé, waardoor andere gevoelige bestemmingen binnen de zone komen te liggen en de aantasting van het landschap groter is. Gelet hierop hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen redelijke mogelijkheden bestaan om het tracé zo te leggen dat de woningen van voornoemde appellanten buiten de magneetveldzone te blijven. 2.20.
- Met betrekking tot het wegbestemmen van gevoelige objecten binnen de magneetveldzone hebben de ministers zich op het standpunt gesteld dat het advies van VROM daartoe niet verplicht. Voorts verwijzen de ministers naar het schadebeleid waaruit volgens hen volgt dat de gemeenten geen financiële lasten zullen dragen in verband met de ligging van gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone. 2.20.
- Op de bij het rijksinpassingsplan behorende verbeelding is de voorziene hoogspanningsverbinding aangegeven met zogenoemde dubbelbestemmingen. Dit betekent dat de bestemmingen die de aanleg van de hoogspanningsverbinding mogelijk maken, van toepassing zijn naast de reeds ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan van toepassing zijnde bestemmingen. De magneetveldzone is niet op de verbeelding ingetekend. De bestemmingen die voorzien in de hoogspanningsverbinding beslaan een oppervlakte die ongeveer gelijk is aan de zakelijk rechtstrook die noodzakelijk is voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding. De zakelijk rechtstrook is grotendeels gelijk aan de plangrens en is smaller dan de magneetveldzone. 2.20.
- De Afdeling vat de betogen van [appellante sub 28], [appellant sub 27], het Bedrijvenschap, Midden-Delfland en Lansingerland zoals weergegeven in overweging 2.
- op als gericht tegen de plangrens. De Afdeling overweegt hieromtrent dat er geen wettelijke verplichting bestaat waaruit volgt dat de magneetveldzone op de verbeelding dient te worden ingetekend, noch is er een wettelijk voorschrift aan te wijzen dat voorziet in de verplichting om gevoelige bestemmingen als bedoeld in het advies van VROM weg te bestemmen. In zoverre slagen de betogen van [appellante sub 28], [appellant sub 27], het Bedrijvenschap, Midden-Delfland en Lansingerland niet. Zoals weergegeven in overweging 2.20.
- hebben de ministers bij het bepalen van het tracé voor zover redelijkerwijs mogelijk was, vermeden dat gevoelige bestemmingen binnen dit tracé komen te liggen. De Afdeling is echter van oordeel dat het in het advies van VROM neergelegde beleid tevens inhoudt dat een afweging moet worden gemaakt of de gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone, die redelijkerwijs niet vermeden kunnen worden, redelijkerwijs ter plaatse kunnen worden gehandhaafd. Nu het rijksinpassingsplan ingevolge artikel 3.28, derde lid, van de Wro geacht wordt deel uit te maken van de bestemmingsplannen waarop het betrekking heeft, ligt het op de weg van de ministers om zelf de afweging te maken of de gevoelige bestemmingen, die binnen de magneetveldzone komen te liggen, redelijkerwijs ter plaatse gehandhaafd kunnen worden. Uit het onderzoek ter voorbereiding van het besluit tot vaststelling van het rijksinpassingsplan is gebleken dat elf gevoelige bestemmingen en enkele nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden voor gevoelige bestemmingen, binnen de magneetveldzone aanwezig zullen blijven. Met betrekking tot deze gevoelige bestemmingen hebben de ministers evenwel niet beoordeeld of deze redelijkerwijs gehandhaafd kunnen blijven. Uit het vorenoverwogene volgt dat de ministers deze beoordeling ten onrechte achterwege hebben gelaten. De betogen van [appellante sub 28], [appellant sub 27], het Bedrijvenschap, Midden-Delfland en Lansingerland omtrent de plangrens en de betogen van Midden-Delfland en Lansingerland omtrent het planschaderisico slagen derhalve in zoverre wel. De overige argumenten met betrekking tot deze beroepsgrond kunnen buiten bespreking blijven. 2.
- Voorts is volgens enkele appellanten ten onrechte een aantal objecten binnen de magneetveldzone niet als gevoelig object als bedoeld in het advies van VROM aangemerkt. 2.21.
- [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 48], HVM, [appellant sub 38] en [appellant sub 39] exploiteren allen glastuinbouwbedrijven die binnen de magneetveldzone zijn gelegen. Zij betogen dat ten onrechte het advies van VROM niet op deze bedrijven van toepassing is verklaard. In dit verband wordt naar voren gebracht dat kinderen in de weekenden en tijdens de zomervakantie gedurende langere tijd in de kassen werken. Het middenpad van de glasopstanden van enkele bedrijven, waar werknemers het langst verblijven, zal recht onder de hoogspanningsverbinding liggen. Het magnetisch veld zal daar derhalve boven de 0,4 µT uitkomen. Ook is ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de risico's voor zwangere vrouwen. Volgens [appellant sub 48] werken deze regelmatig in de kassen. [appellant sub 48] wijst in dit verband op de omstandigheid dat een sportpark in Delft wel als gevoelige bestemming is aangemerkt. 2.21.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat uit het advies van VROM volgt dat glastuinbouwbedrijven geen gevoelige bestemmingen zijn als bedoeld in het beleid. Er is op grond van wetenschappelijk onderzoek geen reden om locaties waar kinderen op jaarbasis minder dan 14 uur per dag verblijven, zoals sportvelden, zwembaden, hotels en kassen onder het beleid te brengen. De ministers stellen voorts dat bij het tracéontwerp bij bestemmingen die niet zijn aangewezen als gevoelige bestemming, maar waar op voorhand verwacht kan worden dat er min of meer langdurig kinderen verblijven, zoals een sportcomplex of speelterrein, is bezien of kruising daarvan vermeden kan worden. 2.21.
- De glastuinbouwbedrijven van [appellant sub 16], [appellant sub 48], HVM, [appellant sub 17], [appellant sub 38] en [appellant sub 39] zullen geheel dan wel gedeeltelijk onder de hoogspanningsverbinding komen te liggen of deels binnen de magneetveldzone komen te liggen. In deze bedrijven zal derhalve niet dan wel niet overal aan het uitgangspunt van 0,4 µT worden voldaan. Anders dan voornoemde appellanten betogen, behoeven hun bedrijven niet als gevoelige bestemming in de zin van het advies van VROM te worden aangemerkt. In dit verband hebben de ministers zich terecht op het standpunt gesteld dat, hoewel ook kinderen in de kassen werkzaam kunnen zijn, geen sprake is van langdurig verblijf als bedoeld in het advies van VROM en dat deze bedrijven daarom niet als gevoelige bestemming behoeven te worden aangemerkt. Voorts hebben appellanten geen wetenschappelijk bewijs overgelegd waaruit blijkt dat hoogspanningslijnen onaanvaardbare risico’s voor zwangere vrouwen kunnen opleveren. 2.21.
- [appellant sub 4] betoogt dat zijn kinderboerderij ten onrechte niet als gevoelige bestemming is aangemerkt. De kinderboerderij is gevestigd op het perceel tegenover de [locatie 4] en ligt binnen de magneetveldzone. In dit verband overweegt de Afdeling dat de ministers zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het advies van VROM niet op deze kinderboerderij van toepassing is, omdat de kinderboerderij niet als zodanig is bestemd. Uit de bijlage bij de brief van 4 november 2008 volgt dat voor de toepassing van het begrip 'gevoelige bestemming', anders dan [appellant sub 4] betoogt, het bestemmingsplan en niet de feitelijke situatie het uitgangspunt vormt. Dat de kinderboerderij ter plaatse al 15 jaar is gevestigd, is in dit kader derhalve niet van belang. Overigens kan het bezoek aan een kinderboerderij niet worden aangemerkt als langdurig verblijf als bedoeld in het advies van VROM. Gelet hierop hebben de ministers terecht de kinderboerderij bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan niet als gevoelige bestemming aangemerkt. 2.21.
- [appellant sub 41] betoogt dat ten onrechte een school bij het opstijgpunt Oude Polder niet als gevoelige bestemming is aangemerkt. Ook heeft zij bezwaren tegen de komst van de bovengrondse hoogspanningsverbinding, omdat bij de Oude Polder een buitenschoolse opvang (hierna: bso) en sportvelden zullen worden gerealiseerd. De ministers hebben zich terecht op het standpunt gesteld dat de bso en sportvelden nog niet zijn gerealiseerd en ook planologisch nog niet mogelijk zijn, zodat het advies van VROM reeds daarom niet van toepassing is. Voorts is de school waar [appellant sub 41] op doelt gelegen in de woonwijk op ruim 250 meter van de voorziene hoogspanningsverbinding. Nu dit ruim buiten de magneetveldzone is, hebben de ministers de school terecht niet als relevant gevoelige bestemming bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan aangemerkt. 2.21.
- Ook het betoog van [appellant sub 27] dat zijn hotel ten onrechte niet als gevoelige bestemming is aangemerkt, slaagt niet. De ministers waren blijkens de zienswijzenota, anders dan [appellant sub 27] betoogt, op de hoogte van de aan [appellant sub 27] verleende bouwvergunningen voor een hotel. Nu het hotel echter niet binnen de magneetveldzone is voorzien, bestond voor de ministers reeds daarom geen aanleiding om het hotel als gevoelige bestemming in de zin van het advies van VROM aan te merken. 2.21.
- De Stichting betoogt dat ten onrechte de op het sportpark voorziene bso niet als gevoelige bestemming is aangemerkt. Het Bedrijvenschap betoogt dat ten onrechte de mogelijkheid tot het realiseren van een bso op het bedrijventerrein Harnasch niet als gevoelige bestemming is aangemerkt. 2.21.7.
- Niet in geschil is dat een deel van het sportpark Kerkpolder binnen de magneetveldzone is gelegen. De aan het sportpark toegekende bestemming "Sport" in het bestemmingsplan "Zuidwest deelgebied 2 (Buitenhof/Kerkpolder)" voorziet echter, anders dan de Stichting betoogt, niet in het gebruik als bso. Gelet hierop hebben de ministers terecht het sportpark niet als gevoelige bestemming aangemerkt. Ook bestond ten tijde van de vaststelling van het rijksinpassingsplan planologisch niet de mogelijkheid tot het realiseren van een bso op het bedrijventerrein Harnasch. Deze is immers voorzien in het uitwerkingsplan "Harnaschpolder-Weteringzone", dat eerst na de vaststelling van het rijksinpassingsplan door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland is goedgekeurd en in werking getreden. 2.21.
- Het betoog dat tuinen ten onrechte niet als gevoelige bestemmingen zijn aangemerkt, mist feitelijke grondslag. Zoals ook de ministers hebben aangegeven in de beantwoording van de zienswijzen zijn tuinen in het advies van VROM aangemerkt als gevoelige bestemming en ook als zodanig bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan en de uitvoeringsbesluiten behandeld. In dit verband wijst de Afdeling in navolging van de ministers op pagina 57 van de toelichting op het rijksinpassingsplan. Hierin staat dat ten opzichte van het ontwerpplan één extra gevoelige bestemming is opgenomen, omdat was gebleken dat een deel van de tuin van een woning binnen de magneetveldzone is gelegen. 2.
- Voorts betogen meerdere appellanten dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat risico's op de ziekte van Alzheimer door het wonen in de nabijheid van een hoogspanningsverbinding zouden worden vergroot. Zij wijzen in dit verband op een Zwitsers onderzoek uitgevoerd door onder meer A. Huss. Zij betogen dat het advies van VROM hierop dient te worden aangepast. Ook betogen enkele appellanten dat verbanden bestaan met andere ziektes en zenuwaandoeningen, zoals ALS en de ziekte van Parkinson. 2.22.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat uit het Zwitserse onderzoek weliswaar naar voren is gekomen dat er een relatie zou kunnen zijn tussen het wonen nabij hoogspanningslijnen en de ziekte van Alzheimer, maar dat dit onderzoek geen inzicht geeft in de mogelijke verklaring hiervoor. Voorts betreft het slechts één onderzoek, zodat hieruit geen goede conclusies kunnen worden getrokken. Dit soort onderzoeken kent veel toevalsfactoren die moeten worden uitgesloten met behulp van meerdere, soortgelijke onderzoeken. De uitkomst van dit Zwitserse onderzoek geeft vooralsnog geen aanleiding het advies van VROM op dit punt aan te passen, aldus de ministers. 2.22.
- In het achtergrondrapport staat dat recent Zwitsers onderzoek [Huss et al, 2008] een statistische relatie heeft aangetoond tussen het wonen binnen 50 meter van hoogspanningslijnen en sterfgevallen als gevolg van de ziekte van Alzheimer. In de studie is onder meer de relatie onderzocht tussen het wonen nabij hoogspanningslijnen en het overlijden als gevolg van onder andere de ziekte van Alzheimer. De auteurs concluderen dat er een verband bestaat tussen een verhoogde kans op het overlijden ten gevolge van de ziekte van Alzheimer en het wonen dichtbij hoogspanningslijnen (<50m). Het relatieve risico om te overlijden door de ziekte van Alzheimer voor mensen die langer dan 15 jaar binnen 50 meter nabij hoogspanningslijnen wonen, is volgens het onderzoek twee keer zo groot als voor mensen die ver van hoogspanningslijnen wonen. Daarnaast is een toename van de kans geconstateerd naarmate men langer nabij de hoogspanningslijnen woonde. De auteurs geven aan dat geen verhoogde kans is geconstateerd als men verder dan 50 meter van de hoogspanningslijnen woont. Hoogspanningslijnen veroorzaken een magnetisch veld. De auteurs hebben geen verband kunnen onderzoeken tussen het risico en het magneetveld van de hoogspanningslijn. De reden hiervan is dat zij geen beschikking hadden over gegevens van de sterkte van het magneetveld gedurende de periode waarin de mensen nabij de hoogspanningslijn woonden. Naast een relatie met de ziekte van Alzheimer is in het onderzoek van Huss et al eveneens gekeken naar een verband tussen het wonen dichtbij hoogspanningsverbindingen en andere neurodegeneratieve ziektes als ALS of de ziekte van Parkinson. Van een dergelijk verband is in het onderzoek niet gebleken. 2.22.
- Het Kennisplatform heeft een reactie gegeven op het in het achtergrondrapport genoemde onderzoek van Huss et al. De conclusie van het Kennisplatform is dat het onderzoek goed is opgezet en dat de conclusies voor een belangrijk deel zorgvuldig zijn getrokken. Het onderzoek geeft een aanwijzing dat er een relatie zou kunnen zijn tussen hoogspanningslijnen en de ziekte van Alzheimer. Het onderzoek geeft geen inzicht in de mogelijke verklaring hiervoor, aldus het Kennisplatform. Voorts staat in de reactie van het Kennisplatform dat Huss et al niet de beschikking hadden over gegevens waarmee zij de sterkte van het magnetisch veld konden berekenen. Zij hebben dan ook niet het verband onderzocht tussen blootstelling aan het magnetisch veld van hoogspanningslijnen en het overlijden aan ziekten die het zenuwstelsel aantasten. 2.22.
- De Gezondheidsraad heeft naar aanleiding van het onderzoek van Huss et al en de reactie daarop van het Kennisplatform een briefadvies, gedateerd 30 maart 2009, aan de minister van VROM geschreven. Hierin staat dat het onderzoek van Huss et al zorgvuldig is uitgevoerd, maar dat het een aantal, deels onontkoombare, beperkingen bevat. Zo is de blootstelling aan magnetische velden niet gemeten, maar is slechts gekeken naar de afstand van het woonadres tot de hoogspanningslijn. Ook zijn er onzekerheden in de verblijfsduur, is sprake van mogelijke misclassificatie van de doodsoorzaak en is geen rekening gehouden met de leeftijd van de mensen die nabij de hoogspanningslijnen woonden. Daarom kan uit dit onderzoek geen conclusie over een oorzakelijk verband tussen de ziekte van Alzheimer en de nabijheid van hoogspanningslijnen worden getrokken, aldus de Gezondheidsraad. 2.22.
- Gelet op hetgeen in overweging 2.22.
- en 2.22.
- is opgenomen over het onderzoek van Huss et al hebben de ministers in dit onderzoek geen aanleiding hoeven zien om in aanvulling op het advies van VROM verdergaande eisen te stellen aan de magneetveldzone. Hierbij acht de Afdeling van belang dat uit het onderzoek van Huss et al zelf reeds naar voren komt dat het onderzoek alleen wetenschappelijk voldoende betrouwbaar is op een afstand van minder dan 50 meter van de hoogspanningslijnen. Bij de in het rijksinpassingsplan voorziene hoogspanningsverbinding is de aan te houden magneetveldzone op grond van het advies van VROM reeds 50 meter aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding, zodat op die wijze reeds bescherming wordt geboden. Voorts is van belang dat ook met dit onderzoek geen causaal verband tussen het wonen bij een hoogspanningslijn en het voorkomen van de ziekte van Alzheimer is aangetoond. Daarnaast zijn voor de andere onderzochte ziekten en zenuwaandoeningen geen verbanden gevonden tussen het wonen bij een hoogspanningslijn en het optreden hiervan. Appellanten hebben geen overtuigend wetenschappelijk bewijs overgelegd waarom de ministers niet van dit onderzoek en de daarop gegeven reactie van het Kennisplatform en het briefadvies van de Gezondheidsraad hebben kunnen uitgaan. Het enkel noemen van publicaties door De Groene Landscheiding, [appellant sub 38] en Plantenkwekerij van de Lugt, nog daargelaten de vraag of deze publicaties wetenschappelijk van aard zijn, leidt niet tot een ander oordeel. In dit verband acht de Afdeling van belang dat de door deze appellanten genoemde publicaties deels verwijzen naar het hiervoor beschreven onderzoek van Huss et al en dat de overige publicaties blijkens de door De Groene Landscheiding overgelegde lijst reeds gepubliceerd waren ten tijde van het uitbrengen van het briefadvies van de Gezondheidsraad van 30 maart
- De Gezondheidsraad heeft derhalve in deze publicaties geen aanleiding gezien om zijn standpunt in het briefadvies aan te passen. 2.22.
- Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor de conclusie dat de ministers niet op de juiste wijze toepassing hebben gegeven aan het advies van VROM dan wel dat zij in de tot op heden uitgebrachte wetenschappelijke onderzoeken en de door appellanten naar voren gebrachte bezwaren aanleiding hadden behoren te zien om het advies van VROM in dit geval op een andere wijze toe te passen. Gelet hierop bestond, anders dan De Groene Landscheiding betoogt, geen aanleiding om opnieuw onderzoek te doen naar een verband tussen kinderleukemie en hoogspanningslijnen buiten de magneetveldzone. Het rapport van BioInitiative van 31 augustus 2007 waarnaar enkele appellanten hebben verwezen, geeft daartoe evenmin aanleiding. Blijkens het briefadvies van de commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad aan de minister van VROM van 2 september 2008 zijn kanttekeningen te plaatsen bij het wetenschappelijke gehalte van dat rapport. De door De Groene Landscheiding overgelegde reactie van prof. D.L. Henshaw op dit briefadvies is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, nu dit slechts de opvatting van één persoon betreft, terwijl de Gezondheidsraad een onafhankelijk, deskundig adviesorgaan is. Ook is niet gebleken dat prof. Henshaw zelf kennis heeft genomen van het integrale briefadvies van de Gezondheidsraad. Berekende magneetveldzone 2.
- De magneetveldzone voor het rijksinpassingsplan is berekend met behulp van de Handreiking voor het berekenen van de breedte van de specifieke magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningslijnen, versie 3.0 van 25 juni 2009, van het RIVM (hierna: de handreiking). De handreiking is in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. Doel van de handreiking is allereerst dat de bureaus die de berekening uitvoeren hun zoneberekening op dezelfde invoergegevens baseren. Daarnaast geeft de handreiking de betrokken partijen inzicht in de keuzes die bij het berekenen van een magneetveldzone zijn gemaakt. Om deze berekeningen te kunnen maken, zijn in de handreiking enkele vereenvoudigingen toegepast. Hieruit komt naar voren dat de indicatieve magneetveldzone van de onderhavige hoogspanningsverbinding bij bovengrondse aanleg 100 meter breed is, hetgeen neerkomt op 50 meter aan weerszijden van de hoogspanningsverbinding. De magneetveldzone rond een opstijgpunt is ongeveer 126 bij 100 meter. Dit betekent dat bij een opstijgpunt, dat in het verlengde van de hoogspanningsverbinding ligt, over een lengte van 100 meter het magneetveld van de hoogspanningsverbinding aan weerszijden 26 meter breder is dan bij de hoogspanningsverbinding zelf. In de handreiking staat dat de vereenvoudigingen die bij een berekening volgens de handreiking worden toegepast, ertoe kunnen leiden dat een berekening op dezelfde locatie - waarbij deze vereenvoudigingen niet zouden zijn gemaakt - tot een andere zonebreedte leidt. Meestal zal de zonebreedte die uit een berekening zonder deze vereenvoudigingen volgt kleiner zijn dan de specifieke zonebreedte die uit de handreiking volgt. In uitzonderingsgevallen kan de alternatief berekende zonebreedte groter zijn dan de zonebreedte die uit een berekening volgens de handreiking volgt. In een nader ingekomen stuk van 29 juli 2010, derhalve van na het nemen van het bestreden besluit, hebben de ministers de berekeningen van de specifieke magneetveldzone, zowel van het bovengrondse als het ondergrondse deel van de hoogspanningsverbinding, ingebracht. KEMA heeft de specifieke zone berekend en het RIVM heeft aangegeven dat deze berekeningen voldoen aan de handreiking. Deze berekeningen geven aan dat de specifieke zone gelijk is aan of smaller is dan de indicatieve zone die berekend was ten tijde van de vaststelling van het rijksinpassingsplan. Slechts op één locatie is de specifieke magneetveldzone wat breder dan de indicatieve magneetveldzone, omdat mast 1 een ander masttype is dan de overige masten. 2.
- Met betrekking tot de magneetveldzone wordt aangevoerd dat deze niet op juiste wijze is berekend. In dit verband wordt een aantal beroepsgronden naar voren gebracht. 2.
- Ten eerste voeren appellanten in dit verband aan dat bij de berekening van de magneetveldzone ten onrechte is uitgegaan van een belasting van 30% van de hoogspanningsverbinding. Zij betogen dat sprake is van een groeiend stroomverbruik en een toenemende transportbehoefte, zodat ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale belastinggraad. Voorts is volgens hen ten onrechte niet gekeken naar de piekbelasting en is het gehanteerde percentage ten onrechte gebaseerd op de belastinggraad uit
- Ook is de Zuidring een bijzondere hoogspanningsverbinding waarvoor een belastinggraad van 30% niet opgaat. Een hogere belastinggraad zal leiden tot een grotere magneetveldzone, zodat ten onrechte niet in waarborgen is voorzien die de belastinggraad tot 30% beperken. 2.25.
- De ministers stellen zich op het standpunt dat het percentage van 30 is gebaseerd op de handreiking. Hierbij wordt uitgegaan van jaargemiddelden waarin ook pieken en dalen zijn genomen. Het percentage is volgens de ministers gebaseerd op wettelijke eisen die vanuit een oogpunt van leveringszekerheid gelden voor de elektriciteitsnetten, waardoor die elektriciteitsnetten altijd overcapaciteit moeten hebben. Voorts is dit percentage gebaseerd op een door het RIVM gemaakte analyse van de feitelijke belastinggraad van deze elektriciteitsnetten in 2003, aldus de ministers. 2.25.
- In de handreiking staat dat de keuze is gemaakt om de berekeningen uit te voeren bij een jaargemiddelde belasting van 30% van de maximale transportcapaciteit voor de 380 kV-circuits. Deze keuze maakt de magneetveldzone toekomstbestendig, dat wil zeggen dat groei in het elektriciteitsverbruik mogelijk is zonder dat de magneetveldzone zoals die volgens de handreiking is berekend daardoor verandert. 2.25.
- In het Achtergrondenbeleid heeft het RIVM de resultaten van het onderzoek naar de belastinggegevens van de 380 kV-lijnen uit 2003 geanalyseerd. Hierin staat dat het mogelijk is de rekenstroom te schatten op basis van de jaargemiddelde belasting van de lijnen in 2003, met een correctie voor de groei in belasting die gedurende de komende decennia zal plaatsvinden, bijvoorbeeld door bij het berekenen van de zone voor de 220 kV- en 380 kV-lijnen uit te gaan van een jaargemiddelde belasting ter grootte van 30% van de nominale belasting. In 2003 ligt voor 90% van de lijnen de werkelijke jaargemiddelde belasting onder 30% van de nominale belasting. Voor 50% van de hoogspanningsverbindingen geldt een belastinggraad lager dan 16%. Voor 10% van de hoogspanningslijnen geldt een belasting groter dan 30%. Een keuze voor bijvoorbeeld 30% van de nominale belasting anticipeert volgens het Achtergrondenbeleid van het RIVM op groei van het elektriciteitsgebruik in de komende decennia. 2.25.
- Artikel 16 van de Elektriciteitswet 1998 draagt de netbeheerder van het landelijke hoogspanningsnet op om voorzieningen te treffen in verband met de leveringszekerheid. Dit is uitgewerkt in de in overweging 2.9.
- beschreven netcode. In artikel 4.1.4.5 van de netcode staat dat het netontwerp van het 380 kV-net, inclusief de hiermee verbonden transformatoren naar de 150/110 kV-netten wordt getoetst aan de hand van de volgende criteria: A. bij een volledig in bedrijf zijnd net moeten de door de aangeslotenen gewenste leveringen respectievelijk afnamen kunnen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve; B. bij het voor onderhoud niet beschikbaar zijn van een willekeurig circuit, dan wel een willekeurige transformator, dan wel een willekeurige productie-eenheid, dan wel een grote verbruiker, moeten de door de aangeslotenen gewenste leveringen dan wel afnamen kunnen worden gerealiseerd onder handhaving van de enkelvoudige storingsreserve. Hierbij hoeft alleen rekening te worden gehouden met de als gevolg van de leveringen dan wel afnamen optredende belastingen tijdens de onderhoudsperiode; C. bij de hoogste belasting en bij het uit bedrijf zijn van een willekeurig circuit, dan wel een willekeurige transformator, dan wel twee willekeurige productie-eenheden, dan wel een grote verbruiker, moet door een aangepaste productieverdeling of door andere (vooraf overeengekomen) maatregelen de enkelvoudige storingsreserve kunnen worden gewaarborgd. 2.25.
- In het op dit punt niet betwiste deskundigenbericht staat dat het bovenstaande uit de netcode ertoe leidt dat in Nederland het hoogspanningsnet als het ware 'dubbel' is uitgevoerd. Concreet houdt bovenstaande bepaling in de netcode in dat voor de onderhavige hoogspanningsverbinding met twee circuits bij uitval of onderhoud van één circuit het andere circuit tijdelijk de hele stroomvoorziening kan voeren (enkelvoudige storingsreserve, artikel 4.1.4.5, onder A en B, van de netcode). Bij uitval van één circuit moet ten aanzien van het resterende circuit ook een enkelvoudige storingsreserve kunnen worden gewaarborgd (artikel 4.1.4.5, onder C, van de netcode). Daarnaast is ten behoeve van de leveringszekerheid een zekere overcapaciteit nodig om de ontwikkelingen in de toekomst te kunnen faciliteren. 2.25.
- De Afdeling overweegt ten eerste dat de ministers in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van de jaargemiddelde belasting van de voorziene hoogspanningsverbinding, omdat hiermee wordt aangesloten op het advies van VROM. Dat advies gaat immers uit van een jaargemiddeld magnetisch veld van 0,4 µT. Dat de stroom door de hoogspanningsverbinding van uur tot uur zal variëren is in dit kader derhalve niet van belang. Voor piekstraling geldt het internationale referentieniveau van de Europese Unie van 100 µT. Dit referentieniveau zal nergens worden overschreden. Voorts is het door appellanten betwiste percentage van 30 voor de jaargemiddelde belasting van de hoogspanningsverbinding gebaseerd op de handreiking die is opgesteld door een ter zake deskundige en onafhankelijke instantie. Uit het Achtergrondenbeleid volgt dat het percentage van 30 weliswaar is gebaseerd op gegevens uit 2003, maar dat hierbij rekening is gehouden met de groei van het elektriciteitsgebruik. De handreiking is herzien in 2009 en het RIVM heeft in die herziening geen aanleiding gezien om de gemiddelde belastinggraad aan te passen. Voorts acht de Afdeling van belang dat de ministers onweersproken hebben gesteld dat de voorziene hoogspanningsverbinding geen bijzondere verbinding is die afwijkt van de 90% van de hoogspanningslijnen waar in 2003 onderzoek naar is gedaan en die een gemiddelde jaarbelasting van ongeveer 20% hebben. De ministers hebben hierbij onder meer gewezen op de omstandigheid dat de Tweede Maasvlakte een gebied zal zijn dat veel stroom zal gebruiken en opwekken, maar dat door de verscheidenheid aan productie-eenheden in het algemeen de hoeveelheid stroom die aan het hoogspanningsnet geleverd wordt overeenkomt met de hoeveelheid stroom die van het hoogspanningsnet wordt afgenomen. Voorts betrekt de Afdeling bij haar oordeel dat uit de Elektriciteitswet 1998 en de netcode volgt dat de hoogspanningsverbinding niet maximaal zal kunnen worden belast, omdat anders niet kan worden voldaan aan de eisen die de netcode hieraan stelt. Voorts staat in het op dit punt onbetwiste deskundigenbericht dat voor de hoogspanningsverbinding op grond van het gebruikte Energy Management System elke twee uur meetwaarden beschikbaar zijn. Deze meetwaarden worden onder meer gebruikt voor de op TenneT rustende wettelijke verplichting om elke twee jaar een capaciteitsplan op te stellen met een vooruitblik van 7 jaar. In dit capaciteitsplan wordt gesignaleerd of er aanleiding is om te verwachten dat de belastinggraad zal stijgen. Gelet op de handreiking en het daaraan ten grondslag liggende Achtergrondenbeleid en hetgeen hieromtrent in het deskundigenbericht is opgenomen overweegt de Afdeling dat de ministers bij de berekeningen van de magneetveldzone in redelijkheid hebben kunnen uitgaan van een belastinggraad van 30% van de hoogspanningslijn en dat deze binnen de planperiode niet structureel zal stijgen. Voorts gaat de Afdeling ervan uit, gelet op hetgeen door de ministers en TenneT naar voren is gebracht, dat de belastinggraad van de voorziene hoogspanningsverbinding intensief zal worden geëvalueerd en dat indien nodig de ministers tot een herberekening van de magneetveldzone zullen overgaan en dat zij de daaruit voortvloeiende consequenties in acht zullen nemen. 2.
- Voorts voeren enkele appellanten aan dat door de ministers ten onrechte niet met onderzoek is aangetoond dat het gebruik van Wintrackmasten leidt tot een kleinere magneetveldzone. 2.26.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat de magneetveldzone overeenkomstig de handreiking is berekend en dat hierbij gebruik is gemaakt van de zogenoemde formules van Maxwell. De Wintrackmasten zijn opgebouwd uit standaardcomponenten die wereldwijd in hoogspanningsmasten worden toegepast. Ook de toegepaste techniek, waarbij de geleiders dichter bij elkaar hangen en zodanig geconfigureerd worden dat de velden van de individuele geleiders elkaar zoveel mogelijk compenseren, is internationaal bekend en eerder toegepast, aldus de ministers. 2.26.
- In de toelichting op het rijksinpassingsplan staat dat bij de tot dan toe gebruikelijke masttypes de indicatieve magneetveldzone bij een 380 kV-verbinding ongeveer 300 meter breed is. De Wintrackmast is echter zo ontworpen dat de magneetveldzone kleiner is dan bij de gebruikelijke masttypes van 380 kV. 2.26.
- In het deskundigenbericht staat dat bij het ontwerpen van hoogspanningslijnen globaal vier criteria van belang zijn. Deze betreffen de afstand tussen de masten, elektrische factoren zoals kabelweerstand, thermische factoren en mechanische factoren. In de NEN-norm EN 50341 wordt uitgebreid en nauwgezet beschreven hoe berekeningen aan de masten moeten plaatsvinden en hoe de masten moeten worden uitgevoerd, rekening houdend met de hiervoor beschreven factoren en effecten. Aan de hand van deze NEN-norm liggen voor een 380 kV-lijn in feite de exacte maten en afmetingen van masten en configuratie van de geleiders en isolatoren, in samenhang met een uitvoering van dubbele armen van masten, vast. In opdracht van het Ministerie van VROM hebben KEMA en het RIVM in samenwerking met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Petersburg Consultants BV in 2001/2002 onderzoek gedaan naar de ligging van de magneetvelden rond hoogspanningslijnen en de mogelijke maatregelen en daaraan verbonden kosten om deze magneetvelden te reduceren. In de beoogde situatie is uitgegaan van een geheel blanco situatie en is, rekening houdend met de maatregelen uit het hiervoor genoemde KEMA-rapport en de van toepassing zijnde NEN-norm, een situatie doorgerekend waarbij gewijzigde klokgetallen zijn gehanteerd, dan wel fasen zijn verschoven. Doordat specifiek is gekozen voor faseverschuiving kan dit in de praktijk leiden tot situaties waarbij de vectoren van het magneetveld van de geleiders naar verschillende richtingen wijzen en sprake zal kunnen zijn van een zekere opheffing, compensatie, van het magneetveld. Dit effect is groter naarmate de hoogspanningsdraden ofwel geleiders op een compactere wijze kunnen worden opgehangen. Dit is volgens het deskundigenbericht één van de redenen waarom dit nieuwe masttype is ontwikkeld. Uit de stukken volgt dat bij de Wintrackmasten de hoogspanningslijnen dichter bij elkaar komen te hangen, waardoor volgens het deskundigenbericht van een zekere mate van opheffing van het magneetveld sprake zal zijn. Dit leidt vervolgens tot een kleinere magneetveldzone. Gelet hierop hebben de ministers in de berekening van de magneetveldzone terecht rekening gehouden met het nieuwe masttype. Voorts hebben zij, anders dan enkele appellanten betogen, kunnen volstaan met het maken van berekeningen, nu de Wintrackmasten voor het eerst bij de Zuidring zullen worden toegepast, zodat metingen niet mogelijk zijn. Voorts zijn deze berekeningen gemaakt met de natuurkundige wetten van Maxwell, die wetenschappelijk bewezen zijn. Appellanten hebben niet bestreden dat hiermee geen betrouwbare en representatieve berekeningen kunnen worden gemaakt. Ten slotte overweegt de Afdeling dat de handreiking een openbaar stuk is en dat de berekeningen voor de magneetveldzone zijn gebaseerd op een natuurkundige wet met bekende invoergegevens waartegen De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] hebben kunnen ageren. Anders dan deze appellanten betogen, behoefden de berekeningen van de magneetveldzone met de Wintrackmasten niet afzonderlijk beschikbaar worden gesteld. 2.
- Voorts betogen De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] dat de magneetveldzone ten onrechte slechts op 1 meter boven maaiveldniveau is berekend, omdat mensen in hun woningen die uit meerdere woonlagen bestaan ook op grotere hoogte aan de straling worden blootgesteld. 2.27.
- In de handreiking, waar de ministers ook op dit punt naar verwijzen, staat dat deze uitgaat van een situatie waarbij één bovengrondse hoogspanningslijn door een relatief vlak landschap loopt zonder hoge gebouwen dicht bij de hoogspanningslijn. In die situaties waarin de handreiking niet voorziet, overlegt het adviesbureau dat de berekeningen van de magneetveldsterkte maakt vooraf met het RIVM en adviseert het RIVM over de berekeningsmethode die het beste aansluit bij het rijksbeleid. In de handreiking staat voorts dat de berekening van de magnetische veldsterkte 1 meter boven het maaiveld wordt uitgevoerd. De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de omgeving ter plaatse van de Groene Landscheiding zodanig afwijkt van de referentiesituatie in de handreiking dat niet kon worden uitgegaan van een berekening op 1 meter boven het maaiveld. Evenmin hebben zij toereikend gemotiveerd waarom een dergelijke meting niet representatief is voor de berekening van de magneetveldzone. 2.
- Gelet op het hetgeen is overwogen in 2.
- tot en met 2.27.
- bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de magneetveldzone niet op juiste wijze is berekend. In de enkele stelling van [appellant sub 46], [appellant sub 45] en HVM dat de bundeling van de bestaande 150 kV-verbinding met de voorziene 380 kV-verbinding zal leiden tot een grotere magneetveldzone, hetgeen door de ministers gemotiveerd is bestreden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij acht de Afdeling van belang dat in het op dit punt onbetwiste deskundigenbericht staat dat door het gebruik van de magneetarme configuratie van de Wintrackmast de magneetveldzone bij combinatie van de voorziene hoogspanningsverbinding met de bestaande 150 kV-verbinding niet hoeft te leiden tot een bredere magneetveldzone. Dat dit juist is wordt bevestigd in de berekeningen van de specifieke magneetveldzone zoals door de ministers overgelegd in hun nadere stuk van 29 juli
- Ook wijst de Afdeling er in dit verband op dat de in de handreiking gehanteerde rekenmethode wordt toegepast op de plaats waar de geleiders het laagst hangen en waar derhalve de magneetveldzone het grootst is. De magneetveldzone wordt derhalve kleiner naarmate de geleiders in de buurt van de masten hangen. De in de handreiking gehanteerde rekenmethode is voor een groot deel van de magneetveldzone derhalve een worst case-benadering. 2.
- In het rapport Hoogspanningslijnen en fijn stof, een literatuuronderzoek, uit 2007 van het RIVM (hierna: het RIVM-rapport) en het MER staat dat het corona-effect invloed zal hebben op het elektrisch veld rondom de hoogspanningslijnen. In het MER staat hieromtrent het volgende. Rondom geleiders van een hoogspanningsverbinding heerst een elektrisch veld. Hoe hoger de spanning op de geleiders van de hoogspanningsverbinding, des te hoger is het elektrische veld rondom de geleiders. Bij een geleider die onbeschadigd is en in goede conditie verkeert, is dit veld gelijkmatig verdeeld. Als de geleider onregelmatigheden vertoont of vervuild is, kan het elektrische veld lokaal verstoord zijn. Hierdoor kan de sterkte van het veld lokaal hoger zijn dan op andere plaatsen. Door deze hogere veldsterkte kan de omringende lucht geïoniseerd worden. Als gevolg van deze ionisatie kunnen elektrische ontladingen plaatsvinden. Deze ontladingen gaan gepaard met een knetterend geluid. Dit verschijnsel wordt corona genoemd. Uit het voorgaande kan, anders dan de Stichting betoogt, niet de conclusie worden getrokken dat het corona-effect ook invloed zal hebben op het magnetisch veld rondom hoogspanningslijnen. De ministers hebben gemotiveerd naar voren gebracht dat de elektrische velden rondom de lijnen van de hoogspanningsverbinding geen enkele relatie hebben met de magnetische velden waar het advies van VROM op ziet. Dit standpunt van de ministers wordt onderschreven door het deskundigenbericht. De enkele stelling van de Stichting dat het corona-effect desondanks invloed heeft op het magnetisch veld op hoogspanningslijnen, is ontoereikend om het standpunt van de ministers voor onjuist te houden. Fijn stof 2.
- Voorts betogen verschillende appellanten dat de hoogspanningsverbinding in combinatie met fijn stof (en het zogenoemde corona-effect) tot schadelijke effecten voor de gezondheid zal leiden, zoals het ontstaan van long- en huidkanker en hart- en vaatziekten. In dit verband wordt gewezen op de aanwezigheid van de A4, de A12 en de N470 dan wel de uitbreiding van de A
- Voorts wordt aangevoerd dat de ministers zelf empirisch onderzoek hadden moeten doen dan wel dat nader onderzoek noodzakelijk was, omdat uit het door enkele appellanten overgelegde rapport 'Memo Het RIVM rapport "hoogspanningslijnen en fijn stof" op zijn merites beoordeeld', opgesteld door drs. I. Csikos in opdracht van het bureau MOBilisation for the environment (hierna: het memo van de MOB) en de brief van prof. dr. L. Reijnders volgt dat het RIVM-rapport niet volledig is en onjuistheden bevat. Ook wijzen De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] in dit kader op een stelling van prof. D. Henshaw en verwijst [appellant sub 6] naar een onderzoek van de Technische Universiteit Delft (hierna: TU Delft). Voorts trekken de ministers volgens de Stichting ten onrechte de conclusie dat er binnenshuis geen effect zal zijn en wordt volgens [appellant sub 8] en [appellant sub 12] ten onrechte geen rekening gehouden met de heersende windrichting. 2.30.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat uit het hiervoor onder 2.
- genoemde RIVM-rapport volgt dat op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens, bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke effecten van fijn stof niet beïnvloeden. Het RIVM heeft tot op heden geen aanleiding gezien dit standpunt te herzien. De ministers hebben het memo van de MOB, de bevindingen van prof. dr. L. Reijnders en een onderzoek van prof. D. Henshaw voorgelegd aan het RIVM. Kort gezegd heeft het RIVM zich volgens de ministers op het standpunt gesteld dat het memo van de MOB en deze bevindingen niet leiden tot een ander standpunt. De ministers stellen voorts dat het onderzoek van het RIVM dat tot het RIVM-rapport heeft geleid geen aanleiding geeft tot het uitvoeren van een empirisch onderzoek en dat uit dit onderzoek volgt dat de extra lading die fijn stofdeeltjes door corona-ontladingen kunnen krijgen bij de overgang van buiten naar binnen in belang zal afnemen. 2.30.
- Door de corona-ontladingen worden (naast ozon) ook negatieve en positieve ionen gevormd. Deze ionen kunnen met de luchtstroming worden meegevoerd. Hierdoor zou de achtergrondconcentratie plaatselijk kunnen worden verhoogd. De ionen zouden kunnen botsen met aerosolen (fijn stof) zodat de neerslag van fijn stof zou kunnen toenemen. Er bestaan enkele hypothesen die stellen dat elektrisch geladen fijn stof een negatieve invloed kan hebben op de gezondheid van mensen. In dit kader verwijst het MER naar het RIVM-rapport. 2.30.
- Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie van VROM literatuur onderzoek gedaan naar de invloed van bovengrondse hoogspanningslijnen op fijn stof. Dit heeft geresulteerd in het RIVM-rapport. Het RIVM-rapport is opgesteld naar aanleiding van de bevindingen van prof. D. Henshaw en is vooral gebaseerd op publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Deze publicaties zijn aangevuld met rapportages van de Health Protection Agency uit het Verenigd Koninkrijk, het RIVM, de Gezondheidsraad en de World Health Organisation. In enkele gevallen zijn presentaties op wetenschappelijke congressen gebruikt. Ten slotte is gebruik gemaakt van meer algemene literatuur en zijn in enkele gevallen onderzoekers direct per e-mail benaderd voor aanvullende informatie, aldus het RIVM-rapport. Uit het RIVM-rapport volgt dat: A. bovengrondse hoogspanningslijnen zelf geen bron van fijn stof zijn; B. corona-ontladingen onder bepaalde omstandigheden kunnen optreden; C. corona-ontladingen tot extra lading op een fijn stofdeeltje kunnen leiden; D. de gemiddelde extra lading per deeltje varieert van 0,1 tot 0,9 elementaire lading; E. het extra geladen fijn stof zich verspreidt tot op enkele honderden meters benedenwinds van een hoogspanningslijn; F. relatief grote hoeveelheden extra lading (10 elementaire ladingen of meer) nodig zijn om tot een verhoogde depositie van fijn stof in de longen te kunnen leiden. Het RIVM is van mening dat niet aannemelijk is gemaakt dat de hoeveelheid extra lading op fijn stofdeeltjes, die in de buurt van een hoogspanningslijn kan voorkomen, tot extra depositie in luchtwegen of longen leidt. Er is één publicatie van metingen in een metalen mal van de bovenste luchtwegen die wel op extra depositie op de metalen wand wijst voor ladingstoevoegingen van één elementaire lading. De resultaten van dit onderzoek zijn niet zonder meer naar gezondheidseffecten bij mensen te vertalen. Ook voor een mogelijke extra depositie van fijn stof op de huid in de buurt van een hoogspanningslijn bestaat volgens het RIVM-rapport geen eenduidige ondersteuning. Het tot nu toe gepubliceerde epidemiologische onderzoek naar gezondheidseffecten in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen houdt geen rekening met de invloed van de wind en interpreteert de resultaten vooral in termen van het magnetisch veld. Dit onderzoek is niet geschikt voor het trekken van conclusies over gezondheidseffecten van geladen fijn stof, aldus het RIVM-rapport. Momenteel lopen er in het Verenigd Koninkrijk twee epidemiologische onderzoeken die zich specifiek richten op de effecten van de combinatie van hoogspanningslijnen en fijn stof. De resultaten van die onderzoeken zijn nog niet gepubliceerd. De belangrijkste conclusie van het RIVM-rapport is, dat op basis van de huidige kennis niet is gebleken dat bovengrondse hoogspanningslijnen de gezondheidseffecten die door fijn stof kunnen worden veroorzaakt, kunnen beïnvloeden. 2.30.
- In het MER worden vervolgens op basis van het RIVM-rapport de volgende conclusies getrokken. Er ontstaan elektrische ontladingen bij hoogspanningslijnen en die leiden tot oplading van fijn stof. Dit extra geladen fijn stof wordt verspreid door de wind. Er is echter niet aannemelijk gemaakt dat er vervolgens extra neerslag plaatsvindt van fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid. Veel extra lading op fijn stofdeeltjes leidt wel tot extra neerslag in de luchtwegen, maar daar is zeker een tien keer hogere lading voor nodig dan bij een hoogspanningslijn kan ontstaan. Uit onderzoek van KEMA uit 2007 volgt volgens het MER dat er geen epidemiologische aanwijzingen zijn dat er meer hart- en luchtwegaandoeningen, longkanker of huidkanker voorkomen bij mensen die wonen of verblijven in de omgeving van hoogspanningslijnen. Op grond van het bovenstaande wordt in het MER geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat hoogspanningsverbindingen aantoonbare schadelijke effecten hebben op de luchtkwaliteit. 2.30.
- Met betrekking tot de brief van prof. dr. L. Reijnders van 24 april 2009 overweegt de Afdeling het volgende. Volgens die brief moet de conclusie van de National Radiation Protection Board (hierna: NRPB) dat nabij hoogspanningsleidingen 'voor de wind' waarschijnlijk een verhoogde afzetting van fijn stof of zeer fijn stof in de longen plaatsvindt, worden gezien als de beste thans beschikbare gepubliceerde inschatting van het effect van hoogspanningsleidingen op de blootstelling aan fijn stof, omdat het onderzoek van het RIVM geen empirisch onderzoek aandraagt dat deze modellering weerlegt en ook elders geen empirische weerlegging van deze modellering is gepubliceerd. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 maart 2010, zaaknr. 200903051/1/H1 (www.raadvanstate.nl), heeft het RIVM het vermelde rapport van de NRPB uit 2004 bij zijn onderzoek betrokken. Het heeft uiteengezet dat de door NRPB voor de berekening van de depositie gehanteerde waarde moet worden gezien als een theoretisch, niet realistisch, maximum, dit maximum door allerlei factoren in de praktijk nooit kan worden gehaald en de door NRPB vermelde onderzoeken bovendien niet door metingen bij mensen worden ondersteund. Gelet hierop hebben de ministers met juistheid in deze brief geen grond gevonden voor het oordeel dat zij het RIVM-rapport niet aan de besluitvorming ten aanzien van het rijksinpassingsplan ten grondslag hebben mogen leggen. In het memo van de MOB ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet op het RIVM-rapport mochten baseren. In dit verband overweegt de Afdeling dat, anders dan in het memo van de MOB staat, het RIVM het onderzoek van Cohen uit 1998 bij haar rapport heeft betrokken en dat Cohen voor zijn onderzoek geen levende long heeft gebruikt, maar een afgietsel daarvan. Derhalve is de stelling in het RIVM-rapport dat de resultaten van het onderzoek van geladen fijn stof in een metalen mal van de luchtwegen dermate verschilt van het effect op het menselijk ademhalingsstelsel dat de voorspellende waarde van het onderzoek op de effecten voor mensen twijfelachtig is, niet onaannemelijk. Voor zover in het memo van de MOB wordt verwezen naar het eerste concept van het onderzoek van de NRPB waarin sterkere uitkomsten staan dan in het gepubliceerde onderzoek, en naar een niet officieel gepubliceerd onderzoek, overweegt de Afdeling dat gelet op de status van deze documenten, dit evenmin tot het oordeel noopt dat de ministers zich niet op het RIVM-rapport mochten baseren. Voor zover De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] verwijzen naar uitlatingen van prof. D. Henshaw omtrent de invloed van de hoogspanningsleiding op fijn stof en [appellant sub 6] verwijst naar een onderzoek van de Technische Universiteit Delft overweegt de Afdeling dat deze appellanten deze stukken niet in de procedure hebben ingebracht. Het enkele noemen hiervan leidt niet tot het oordeel dat de ministers zich niet op het RIVM-rapport hebben mogen baseren. 2.30.
- Anders dan de Stichting betoogt, hebben de ministers zich niet op het standpunt gesteld dat binnenshuis in het geheel geen sprake zal zijn van geïoniseerd fijn stof. Zoals weergegeven in overweging 2.30.
- stellen de ministers dat de extra lading die fijn stofdeeltjes door corona-ontladingen kunnen krijgen bij de overgang van buiten naar binnen in belang zal afnemen. Dit standpunt is gebaseerd op de conclusie op pagina 33 van het RIVM-rapport en is door de Stichting niet gemotiveerd bestreden. 2.30.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet hebben kunnen baseren op het RIVM-rapport waaruit volgt dat de voorziene hoogspanningsverbinding in combinatie met fijn stof geen gevolgen zal hebben voor de volksgezondheid. De door appellanten overgelegde stukken geven daartoe geen aanleiding. Voorts hebben de ministers kunnen volstaan met het door het RIVM gedane literatuuronderzoek en behoefden zij zelfstandig geen onderzoek te verrichten, waarbij de Afdeling van belang acht dat het deskundigenbericht het standpunt van de ministers onderschrijft en appellanten het deskundigenbericht in zoverre onvoldoende hebben bestreden. Uit het voorgaande volgt ook dat de omstandigheid dat in de directe omgeving van de voorziene hoogspanningsverbinding een aantal wegen is gelegen geen extra risico inhoudt voor de volksgezondheid. Ook het betoog van [appellant sub 8] en [appellant sub 12] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de heersende zuidwestelijke windrichting waardoor het geïoniseerde fijn stof over de wijk Tanthof-West in Delft zal waaien en zal leiden tot gezondheidsklachten, kan reeds daarom niet slagen. Pacemakers 2.
- De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] betogen dat de hoogspanningsverbinding ook een gevaar voor de gezondheid oplevert, omdat pacemakers door elektromagnetische velden worden verstoord. 2.
- In het achtergrondrapport en het MER staat dat pacemakers in beginsel niet worden gestoord door elektromagnetische velden. Pacemakers die na 15 januari 1996 op de markt zijn gekomen, moeten voldoen aan de Europese norm EN 50061/A1, waardoor verstoring door de elektriciteitslevering in een normale woon- en werkomgeving in ieder geval is uitgesloten. Enkele oudere typen pacemakers reageren wel op een elektrisch veld van meer dan 2000 V/m of op een magnetisch veld van meer dan 150 µT. Een elektrisch veld van meer dan 2000 V/m kan plaatselijk onder hoogspanningslijnen optreden; een magnetisch veld onder hoogspanningslijnen is altijd veel lager dan 150 µT, aldus het achtergrondrapport en het MER. Niet in geschil is dat magnetische velden van meer dan 150 µT niet zullen optreden ten gevolge van de voorziene hoogspanningsverbinding, zodat deze in zoverre geen risico's voor mensen met een pacemaker met zich brengen. Met betrekking tot het elektrisch veld overweegt de Afdeling dat weliswaar niet is uitgesloten dat dit veld plaatselijk onder hoogspanningslijnen soms meer dan 2000 V/m kan bedragen, maar dat elektrische velden, in tegenstelling tot magnetische velden, makkelijk worden afgeschermd, door onder meer de muren en het dak van gebouwen. In gebouwen is het risico dat een voor 15 januari 1996 op de markt gekomen pacemaker ten gevolge van de voorziene hoogspanningsverbinding wordt verstoord derhalve minimaal. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers in zoverre een doorslaggevend gewicht aan een mogelijke verstoring van een oud type pacemaker hebben moeten toekennen. Ondergrondse aanleg 2.
- Nagenoeg alle appellanten betogen dat de ministers zich ten onrechte op het standpunt hebben gesteld dat binnen Nederland maximaal 20 kilometer hoogspanningsleiding ondergronds kan worden aangelegd (verkabeld), waardoor de Zuidring slechts gedeeltelijk ondergronds kan worden aangelegd. Aangevoerd wordt dat een grotere afstand ondergrondse aanleg mogelijk is, zodat in de Zuidring volgens hen meer verkabeling kan worden toegepast dan thans is voorzien, hetgeen beter is voor de gezondheid, het landschap en de natuur. De ministers sluiten volgens appellanten ten onrechte aan bij de notitie van TenneT terwijl zij niet ingaan op het rapport van Tractebel-Suez (hierna: Tractebel). Voorts is volgens appellanten TenneT ten onrechte als deskundige aangemerkt, nu zij geen ervaring heeft met vergelijkbare grotere lengten aan ondergrondse hoogspanningsverbindingen en ook anderszins niet onafhankelijk is. Uit het rapport van Tractebel volgt volgens appellanten niet dat 20 kilometer ondergrondse aanleg het maximum is en wordt daarin zelfs 40 kilometer genoemd. Voorts wijzen verschillende appellanten erop dat bij bovengrondse aanleg grootschalige stroomuitval plaats kan vinden, door bijvoorbeeld wind/ijsschade, bliksemschade en beschadiging door objecten als hijskranen en helikopters. Volgens De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] is de doorslaggevende factor in dit geval ten onrechte het kostenaspect geweest. Voorts betogen appellanten dat nader had moeten worden bezien of het tracé kan worden uitgevoerd met toepassing van HVDC (High Voltage Direct Current; gelijkstroom met hoge spanning), waarbij zij wijzen op een onderzoek van de Katholieke Universiteit Leuven en een notitie van ir. M. Loose van 7 december
- 2.33.
- De ministers hebben zich op het standpunt gesteld dat gelet op de grote belangen van de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening, op dit moment maximaal 20 kilometer binnen Nederland verantwoord kan worden verkabeld. Daarbij wijzen zij erop dat die lengte reeds als internationaal innovatief kan worden aangemerkt. Zij vrezen voor instabiliteit van het netwerk, nu van grotere lengtes ondergrondse kabelverbindingen in vermaasde 380 kV-transportnetten de technische en operationele haalbaarheid op de langere termijn nog niet volledig is aangetoond. De ministers hebben aangegeven dat vanuit Tractebel de invalshoek wordt gekozen van de statische spanningshuishouding van het netwerk terwijl het beschreven risico in bijlage 3 bij het rijksinpassingsplan is gebaseerd op een dynamisch effect. De ministers hebben er tevens op gewezen dat het rapport van Tractebel de conclusies van TenneT niet ontkracht. De ministers hebben aangegeven dat het kostenaspect een rol heeft gespeeld, maar geen doorslaggevende. 2.33.
- TenneT heeft in haar hoedanigheid van netbeheerder aan de ministers geadviseerd terughoudendheid te betrachten bij het verkabelen van de hoogspanningsverbinding uit het oogpunt van leveringszekerheid. Daartoe heeft TenneT onder meer notities van 15 april 2008 en van 16 april 2009 opgesteld. Volgens TenneT worden de risico's van netinstabiliteit groter naarmate er grotere stukken kabel in een vermaasd net worden toegepast met de bijbehorende blindstroomcompensatiemiddelen en smoorspoelen. Mede door gebrek aan wereldwijde ervaring met toepassing van kabels over grotere lengtes met spanningsniveaus van 380 kV en grote transportcapaciteiten zijn deze risico's moeilijker voorspelbaar. TenneT heeft daarbij aangegeven dat het bij een overwegend bovengronds net met minder componenten makkelijker is de hoogte van de spanning, de omvang van de transporten en de constantheid van de frequentie te beheersen. Omdat een kabel zich elektrotechnisch anders gedraagt dan een bovengrondse lijn, zijn er ter beheersing van een deels ondergronds net compensatiemiddelen nodig, die zijn gericht op de compensatie van het blindvermogen en voor verschillen in de weerstand van de lijn. Kabels en hun compensatiemiddelen gaan inwerken op het net als geheel, hetgeen tot instabiliteit kan leiden omdat de spoelen van de compensatiemiddelen en de condensatorwerking van de kabels met elkaar kunnen resoneren. Dit kan een verhoging van de spanning met zich brengen hetgeen afschakeling of beschadiging van andere componenten tot gevolg heeft. Dit kan worden beïnvloed door het toevoegen van geschikte componenten, doch volgens TenneT is er internationaal gezien vrijwel geen praktijkervaring met toepassingen van dergelijke componenten in 380 kV-kabels over grotere lengten. Wereldwijd is al wel ervaring opgedaan met het verkabelen van 380 kV, maar dat is geschied met lagere vermogens, waarvoor minder kabels per circuit nodig zijn dan voor onderhavig tracé. Bij netten tot 150 kV zijn de problemen op systeemniveau gerelateerd aan instabiliteit reeds opgelost, maar de aard van de problematiek is bij 380 kV-verbindingen groter omdat de effecten van de condensatorwerking kwadratisch toenemen met de spanning en het 150 kV-netwerk een deel van haar stabiliteit ontleent aan het bovenliggend 380 kV-netwerk. TenneT acht het raadzaam om voor de ontwikkeling van een meer verkabeld net te beginnen met verkabeling op kleinere schaal en dit over een langere periode te monitoren met name ten aanzien van de gedragingen van het systeem als geheel. Verder brengt TenneT naar voren dat in geval van een storing in een ondergrondse kabel detectie en identificatie van de fout en de reparatie van de kabel complex kan zijn en dat de ervaring met ondergrondse kabelverbindingen leert dat de tijdsduur dat een circuit na storing uit bedrijf is, varieert tussen 2 en 20 dagen per onderbreking, terwijl de reparatieduur van bovengrondse verbindingen 8 tot 48 uur bedraagt. 2.33.
- Door Tractebel is op verzoek van het Ministerie van Economische Zaken een second opinion uitgevoerd ten aanzien van de vraag of in Nederland 20 kilometer 380kV-kabel ondergronds kan worden aangelegd. In het rapport "General cost comparison between underground cables and o.h. line systems for h.v. transmission; Report on network reliability aspects of the choice line versus cable for the Randstad380 project" wordt geconcludeerd dat er vanuit de betrouwbaarheid van het netwerk geen bezwaren zijn tegen het inpassen van 20 kilometer kabel. Voorts is geconcludeerd dat een volledig verkabelde verbinding vanuit economisch, technisch en milieu-oogpunt verre van optimaal is. Er worden geen technische argumenten aangegeven die ervoor pleiten de inpassing van de kabels te beperken tot 20 kilometer. Tractebel verwacht dat indien zich bepaalde effecten voordoen, deze kunnen worden verholpen door correctieve maatregelen te treffen. 2.33.
- Door Energieonderzoek Centrum Nederland en de TU Delft is in opdracht van het Stadsgewest Haaglanden de notitie "Review van Second Opinion Tractebel" opgesteld van juli
- In deze notitie worden de conclusies van Tractebel onderschreven. Daarbij wordt aangegeven dat het getal van maximaal 20 kilometer tot nu toe niet technisch is onderbouwd, doch dat een systeemstudie van enkele maanden een gefundeerd inzicht in de potentiële knelpunten bij toepassing van verkabeling kan geven. 2.33.
- Op 20 november 2008 heeft de TU Delft in een samenvatting van onderzoekswerkzaamheden aangegeven dat ondergrondse aanleg van 380 kV-kabels tot 20 kilometer in het Nederlandse net vooralsnog verantwoord lijkt, waarbij erop wordt gewezen dat er over 400-kV kabels tot 20 kilometer ook ervaringsdata beschikbaar zijn. Daarbij is tevens aangegeven dat de eerste verkennende onderzoeken het vermoeden bevestigen dat een grotere lengte kan leiden tot risico's op vooral systeemtechnisch niveau. Er zullen in ieder geval compensatiemiddelen moeten worden toegepast en het is nog niet geheel duidelijk hoe compensatiespoelen zich in een vermaasd net zullen gedragen. Voorts is vermeld dat monitoren en nader systeemonderzoek in de komende 6 tot 8 jaar moeten uitwijzen of grotere ondergrondse lengtes verantwoord zijn ten aanzien van spanningsstabiliteit en leveringszekerheid. In 2009 is door de TU Delft een voorstudie verricht, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een brief van 14 juli
- Hierin is geconcludeerd dat voor een robuust en betrouwbaar hoogspanningsnet nog veel praktijkonderzoek nodig is naar de systeemtechnische aspecten en operationele haalbaarheid van het toepassen van ondergrondse kabelverbindingen in vermaasde 380 kV-transportnetten. 2.33.
- In bijlage 3 bij het rijksinpassingsplan en bijlage 12 bij het MER is aangegeven dat de ervaring die is opgedaan met buitenlandse kabels de input vormt voor de ontwikkelingen op het gebied van verkabeling van de 380 kV-verbinding in Nederland, uitgaande van het aantal circuits, fases en kabels per fase van de buitenlandse voorbeelden. De Japanse kabel bestaat uit 6-fase-kabels over de lengte van 40 kilometer. Dit is een totaal van 240 kilometer fase-kabel, welke de langste ter wereld is. De Randstad 380 kV-verbinding bestaat door zijn hoge vermogen uit 12-fase-kabel, hetgeen teruggerekend vanuit 240 kilometer uitkomt op 20 kilometer. Innovatief in de Nederlandse situatie ten opzichte van de Japanse is dat er een groter vermogen getransporteerd zal worden en dat het hier gaat om een zogeheten 'slagader' in het netwerk. 2.33.
- In het rapport 'Randstad HDVC' van de universiteit Leuven van 29 augustus 2006 is de toepassing van een nieuwe techniek voor ondergrondse aanleg, namelijk 'Voltage Source Converter High Voltage Direct Current (VSC HVDC)' voor het traject Beverwijk-Bleiswijk, onderzocht. Geconcludeerd wordt dat deze techniek een concurrerende oplossing is voor een volledige ondergrondse aanleg voor de Noordring. 2.33.
- In een notitie van 7 december 2008 heeft ir. M. Loose uiteengezet dat een gelijkspanningsverbinding een reëel alternatief is voor de Noordring en dat een gelijkspanningsverbinding vele voordelen heeft boven AC (Alternating Current; wisselspanning). De kosten van convertorstations worden gecompenseerd door onder meer lagere energieverliezen bij grotere afstanden en een geringer oppervlaktebeslag door een beperktere tracébreedte. Verder geeft hij aan dat het weliswaar niet mogelijk is om 2640 MW in één gelijkspanningsverbinding te realiseren, doch dat er drie parallelle verbindingen kunnen worden gerealiseerd. Volgens hem is DC (Direct Current; gelijkspanning) ook geschikt voor een ringverbinding en kunnen aftakkingen gerealiseerd worden door extra convertorstations of een 150 kV-verbinding. Daarnaast wijst hij op de beperktere kwetsbaarheid van de ondergrondse gelijkspanningsverbinding ten opzichte van een bovengrondse wisselstroomverbinding. 2.33.
- Volgens het deskundigenbericht zijn in Nederland en overigens ook wereldwijd compensatiemiddelen nog niet eerder op grote schaal en over grote lengte toegepast in een ondergronds 380 kV-net met hoge vermogens. Alhoewel een ondergronds net met hoge vermogens technisch te realiseren is, zal het naarmate dit net groter/langer wordt, bedrijfsmatig steeds moeilijker worden de spanning (380 kV) en de frequentie (50 Hz) stabiel te houden om te voorkomen dat er netinstabiliteit optreedt. Voorts staat in het deskundigenbericht dat bij de toepassing van de zogenoemde HVDC-techniek sprake zal zijn van een gelijkstroomverbinding binnen een bestaand wisselstroomnetwerk, waardoor diverse convertorstations zouden moeten worden gerealiseerd, met een groot ruimtebeslag tot gevolg. Voorts wordt aangegeven dat in die situatie veel spanningsverlies optreedt en dat in dergelijke complexe situaties grotere risico's optreden ten aanzien van de leveringszekerheid. 2.
- De Afdeling overweegt dat de grens van 20 kilometer niet, zoals appellanten betogen, willekeurig gekozen is, maar gerelateerd is aan de thans wereldwijd meest innovatieve bestaande situatie, namelijk die in Japan. Daar is 240 kilometer enkele-fase-kabel ondergronds aangelegd (zes één-fase-kabels over 40 kilometer). Omgerekend naar de Nederlandse situatie, waar twee circuits met elk drie fasen zijn voorzien, en voor elke fase twee kabels nodig zijn, is een lengte van 20 kilometer vergelijkbaar met de situatie in Japan. In Nederland zal bovendien een groter vermogen getransporteerd worden. Gelet op de positie van TenneT als netbeheerder wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de ministers bij de besluitvorming niet mede naar het door TenneT opgestelde advies mochten verwijzen. De ministers hebben, in aanmerking genomen de notities van TenneT en de onderzoeken van de TU Delft, aannemelijk kunnen achten dat de kans op toename van instabiliteit groter wordt als op grotere schaal verkabeling wordt toegepast met de daarbij benodigde compensatiemiddelen. Door ir. L. van der Sluis, hoogleraar elektriciteitsvoorziening aan de TU Delft, is ter zitting toegelicht dat in Nederland meer componenten nodig zijn dan in de Japanse situatie en dat effecten van de kabel in een ander bodemtype onbekend zijn. Uit de studies van de TU Delft is gebleken dat de impact van spanningsverhoging in een vermaasd net groter is en dat ervaring moet worden opgedaan hoe de kabel zich gedraagt in het systeem. Dat Tractebel anders dan TenneT ervan uitgaat dat voorkomende effecten kunnen worden opgelost, heeft de ministers niet tot een ander standpunt hoeven brengen. Hierbij betrekt de Afdeling de door de TU Delft uitgevoerde onderzoeken en het feit dat er wereldwijd weinig tot geen ervaring met een vergelijkbare toepassing van kabels op deze schaal bestaat zodat nog niet bekend is hoe verkabeling zich over een grotere lengte zal gedragen, mede gelet op het belang van netstabiliteit en het bestaan van voornoemde risico's. De gedraging van de compensatiemiddelen in het vermaasde net zal de komende jaren door TenneT in samenwerking met de TU Delft gemonitord worden. Door Van der Sluis is ter zitting nader toegelicht dat daarvoor praktijkgegevens benodigd zijn en dat dit niet met simulatie kan worden bereikt. Ten aanzien van de grotere kans op storingen van bovengrondse lijnen is ter zitting toegelicht dat ijsafzetting in Nederland minimaal voorkomt en dat ook de andere naar voren gebrachte calamiteiten zich slechts op beperkte schaal voordoen. In het licht van de beperktere storingsduur van bovengrondse lijnen ten opzichte van kabels, hebben de ministers daaraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen. De ministers hebben zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij verkabeling over meer dan 20 kilometer in Nederland gelet op de huidige stand van zaken, ook bezien in het licht van de voordelen van ondergrondse aanleg, niet verantwoord achten, gelet op de grote belangen van de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening. Voorts is niet gebleken dat het kostenaspect bij vorenbedoelde overweging doorslaggevend is geweest. Voorts hebben de ministers zich, nu het landelijke hoogspanningsnet een wisselspanning van 380 kV heeft en het inbouwen van een verbinding met gelijkstroom extra componenten en complexiteit met zich brengt, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het al dan niet gedeeltelijk uitvoeren van de Zuidring met toepassing van gelijkstroom niet als een gelijkwaardig alternatief kan worden aangemerkt. Daarbij hebben zij tevens in aanmerking kunnen nemen dat om in voldoende vermogen te voorzien meerdere verbindingen met bijbehorende convertorstations nodig zijn zodat het ruimtebeslag alsnog groot wordt. Voorts betrekt de Afdeling bij voornoemd oordeel dat de ministers voor de Randstad 380 kV-verbinding de toepassing van gelijkstroom niet geschikt hebben kunnen achten vanwege de aanwezigheid van de vele koppelpunten met de onderliggende regionale netten. Daarnaast is in dit verband van belang dat gelijkstroom met name geschikt is voor toepassing bij 'punt tot punt'-verbindingen van grote lengte zoals de NorNed-kabel onder de Noordzee. Door TenneT is naar voren gebracht dat bij de NorNed-verbinding leveringszekerheid niet essentieel is en regelmatig storingen zijn opgetreden. Tracékeuze Landschap en ligging van de voorziene hoogspanningsverbinding Algemeen 2.
- Het eerste deel van het tracé, tussen Wateringen en tot voorbij de Kruithuisweg bij de wijk Tanthof in Delft, wordt bovengronds aangelegd. Het tracé is voorzien tussen de bebouwde kom van Delft en ten oosten van de A4, waaraan het tracé parallel zal komen te liggen, en wordt tot aan de Kruithuisweg gecombineerd met de bestaande 150 kV-verbinding. Het tweede deel van het tracé, tussen de wijk Tanthof in Delft en Pijnacker wordt ondergronds aangelegd. Ten noordwesten van de wijk Tanthof en ten oosten van Pijnacker wordt een opstijgpunt gerealiseerd. Het derde deel van het tracé is bovengronds voorzien van het opstijgpunt in Pijnacker tot aan het transformatorstation in Zoetermeer. Het tracé kruist onder meer het bebouwingslint aan de Noordeindseweg en passeert vervolgens de wijk Rokkeveen in Zoetermeer. 2.
- Verschillende appellanten betogen dat de ministers bij de tracékeuze voor de Zuidring ten onrechte rekening hebben gehouden met de mogelijke tracékeuzes voor de Noordring. 2.
- In paragraaf 5 van de pkb van 7 januari 2008 is opgenomen dat de verbindingen overeenkomstig het gestelde in het SEV II in beginsel bovengronds worden aangelegd. Zoals het SEV II aangeeft kan daarvan onder bepaalde voorwaarden worden afgeweken in landschappelijk en ecologisch kwetsbare gebieden als bijvoorbeeld Nationale Landschappen. Ook kunnen ontwerptechnische beperkingen of regelgeving aanleiding zijn voor ondergrondse aanleg. 2.
- Ten tijde van het vaststellen van het rijksinpassingsplan gold het in de pkb neergelegde regeringsbeleid, zodat de ministers terecht bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan aan dat beleid hebben getoetst. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de ministers bij het rijksinpassingsplan van dat beleid hadden moeten afwijken. 2.
- Zoals reeds is overwogen in 2.
- hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in Nederland thans maximaal 20 kilometer ondergronds kan worden aangelegd. Voorts overweegt de Afdeling dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat deze 20 kilometer ondergrondse aanleg moet worden verdeeld tussen de Noord- en de Zuidring. In dit kader is van belang dat gelet op de geldende hoogtebeperkingen vanwege de nabijheid van Schiphol een deel van de Noordring ondergronds moet worden aangelegd en dat dit bovendien ter plaatse van een deel van het tracé van de Noordring vanuit het oogpunt van natuur en landschap wenselijk is. Ten aanzien van het standpunt van diverse appellanten dat het gelet op de hiervoor in overweging 2.33.7 en 2.33.8 genoemde rapporten van de Universiteit Leuven en ir. Loose mogelijk is de gehele Noordring met toepassing van gelijkstoom ondergronds aan te leggen, zodat een groter gedeelte van de Zuidring ondergronds kan worden aangelegd, hebben de ministers verwezen naar het standpunt zoals neergelegd in een brief van de minister van EZ aan provinciale staten van Zuid-Holland van 10 maart
- Daarin heeft deze minister naar aanleiding van een motie van provinciale staten om te onderzoeken of de Noordring met toepassing van gelijkstroom geheel ondergronds kan worden aangelegd, gesteld dat gelijkstroom verkabeling geen realistische optie is. De ministers hebben zich bij de vaststelling van het rijksinpassingsplan gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het beschikbare aantal kilometers voor ondergrondse aanleg over met name de Noord- en de Zuidring moet worden verdeeld. Het geheel ondergronds aanleggen van de Zuidring, die ongeveer 20 kilometer lang is, dan wel het aanleggen van een groter deel dan waarin in het rijksinpassingsplan is voorzien, is gelet op het vorenstaande derhalve niet mogelijk. Bovendien is voor zowel de Noord- als de Zuidring gelet op de pkb bovengrondse aanleg het uitgangspunt en wordt slechts vanwege de in de pkb bedoelde redenen gekozen voor ondergrondse aanleg. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat in het rijksinpassingsplan voor het in het MER opgenomen meest milieuvriendelijke alternatief (hierna: het MMA), zijnde gehele ondergrondse aanleg van de Zuidring, had moeten worden gekozen in plaats van voor de voorkeursvariant van de minister. Voor zover De Groene Landscheiding, [appellant sub 39] en [appellant sub 38] in dit kader voorts aanvoeren dat in het MER ten onrechte enerzijds de Noordring buiten beschouwing is gelaten en anderzijds de Noordring als belemmering wordt aangevoerd bij de totale lengte van het ondergrondse deel van de Zuidring, overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op het vorenstaande is weliswaar wat betreft de ondergrondse aanleg sprake van een samenhang tussen de projecten met betrekking tot de Noord- en Zuidring, maar uit het MER volgt dat de Noord- en Zuidring over en weer geen milieueffecten zullen hebben die relevant zijn voor de tracékeuze, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Noordring wat betreft andere aspecten dan de ondergrondse aanleg in het MER had moeten worden betrokken. 2.
- Verschillende appellanten voeren aan dat uit de persberichten van 23 mei 2008 en 18 december 2008 volgt dat een groter gedeelte van het tracé dan in het rijksinpassingsplan is voorzien ondergronds kan worden aangelegd en 700 meter extra langs de westkant van Delft. Naar de ministers hebben aangegeven bevatten de persberichten slechts een indicatie, die tevens moet worden bezien in het licht van de mogelijkheden van de Noordring. Ten aanzien van de extra meters verkabeling nabij Delft hebben de ministers aangegeven dat dit zag op het gedeelte tot mast 14, hetgeen ook zal worden gerealiseerd. De Afdeling ziet reeds hierom en ook overigens geen aanleiding om aan te nemen dat appellanten uit deze berichtgeving het gerechtvaardigde vertrouwen konden afleiden dat een groter gedeelte van het tracé ondergronds zou worden aangelegd. Eerste bovengrondse tracégedeelte en opstijgpunt bij mast 14 2.
- Ten aanzien van het eerste tracégedeelte en het opstijgpunt bij mast 14 hebben verschillende appellanten aangevoerd dat dit op grond van een onjuiste belangenafweging en in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld. Volgens appellanten ontstaat landschappelijke aantasting gelet op de hoogte, massieve vorm en boven elkaar gespannen lijnen van de verbinding. De hoogspanningsverbinding zal naar hun mening een overheersend element in het landschap vormen en de openheid daarvan aantasten. Dit leidt volgens hen tot een aantasting van de woonomgeving, het recreatiegebied en het voorziene bedrijventerrein. Van het opstijgpunt wordt visuele hinder verwacht, nu het goed zichtbaar zal blijven ondanks nog aan te brengen beplanting. Als alternatief voeren verschillende appellanten aan dat het tracé dichter naar de locatie van de bestaande 150 kV-verbinding of dichter naar de A4 zou moeten worden ger