(2030)". Het bouwplan staat met de voorziene realisatie van bedrijfsgebouwen in de weg aan realisering van deze functies. Het stond het college niet vrij van dit beleid af te wijken, met als motivering dat het Structuurplan binnenkort zal worden geactualiseerd, aldus [wederpartij]. 2.8.
- De ruimtelijke onderbouwing maakt onderdeel uit van het besluit van 2 april
- Het college heeft hierin het standpunt ingenomen dat het bouwplan past binnen de uitgangspunten van de "kaart ontwikkelingsvisie", behorend bij het bestemmingsplan "Westelijk buitengebied". Op die kaart ligt het perceel in een "intensief rood zwermgebied", waarmee volgens het college wordt beoogd dat een mengeling van agrarisch gebruik, natuur, landschap, wonen, werken, recreatie en sport zal ontstaan. Deze gebieden zijn volgens de ruimtelijke onderbouwing multifunctioneel, zonder bijzondere natuur- en landschapswaarden en het beleid is daarvoor, zeker als het om niet-agrarische functies gaat zoals in dit geval, ruimer dan voor andere gebieden in het buitengebied. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat het bouwplan is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, nu het past binnen deze uitgangspunten, het tevens past binnen het regionale beleid en niet is gebleken van provinciale bezwaren daartegen. Het betoog faalt. 2.
- [wederpartij] betoogt voorts dat het geuronderzoek van Oranjewoud van 16 december 2008 dat aan de ruimtelijke onderbouwing van het besluit ten grondslag is gelegd, onzorgvuldig is uitgevoerd. Hij voert aan dat bij dit onderzoek met betrekking tot de inrichting die de grootste invloed heeft op de geurgevoelige objecten op het bouwperceel, te weten die aan de Hooiweg 10, ten onrechte niet is uitgegaan van de meest recente gegevens. Het college had dit onderzoek daarom niet aan het besluit ten grondslag mogen leggen, aldus [wederpartij]. 2.9.
- Het betoog is terecht voorgedragen, nu het college heeft erkend dat het betreffende geuronderzoek niet op geheel juiste uitgangspunten is gebaseerd. Het betoog leidt echter om het hiernavolgende niet tot het daarmee beoogde doel. Het college heeft in het kader van de voorbereiding van de partiële wijziging van het bestemmingsplan voor de percelen door Oranjewoud een nieuw geuronderzoek laten verrichten, wat heeft geresulteerd in een rapport van 12 april
- Ook in dit rapport wordt geconcludeerd dat de vrijstelling voor het bouwplan niet op grond van geuraspecten behoefde te worden geweigerd, nu door geen van de onderzochte inrichtingen in de omgeving de individuele geurbelasting van 14,0 odour units per m³ op het bouwperceel zal worden overschreden en de ontwikkelingen op het bouwperceel er niet toe zullen leiden dat de in het onderzoek betrokken inrichtingen extra in hun belangen worden geschaad. Nu de conclusie in het rapport van 16 december 2008 door het rapport van 12 april 2010 wordt bevestigd en [wederpartij] die conclusie op zichzelf niet heeft bestreden, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college de vrijstelling op grond van geuraspecten in redelijkheid niet heeft kunnen verlenen. Het betoog faalt. 2.
- [wederpartij] betoogt voorts dat de vrijstelling onvoldoende objectief is begrensd. De beperkingen die aan de vrijstelling zijn gesteld, zijn zodanig vaag geformuleerd dat dit de rechtszekerheid van [wederpartij] aantast, nu het college een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij de invulling daarvan, aldus [wederpartij]. 2.10.
- Dit betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 december 2009, in zaak nr. 200902116/1), moet een project als bedoeld in artikel 19 van de WRO in de mate van concreetheid te onderscheiden zijn van de normering neergelegd in een bestemmingsplan. Daaraan is niet voldaan. Nu de vrijstelling met betrekking tot de bedrijfshal met nader in te vullen functie is verleend voor bedrijven uit milieucategorie 2, heeft deze een te ruime strekking en ziet deze daarmee niet op een voldoende concreet project. Dat het college aan de invulling van de vrijstelling in het besluit de onder 2.
- genoemde nadere voorwaarden heeft gesteld, maakt niet dat daarmee wel is voldaan aan genoemd vereiste. Voor zover het college in het hoger beroepschrift en in het verweerschrift een gelijkluidende opsomming van functies heeft gegeven die volgens hem, gelet op de gestelde voorwaarden, uitsluitend zijn toegestaan bij de invulling van functies voor de bedrijfshal, leidt dit evenmin tot de conclusie dat de vrijstelling voldoende objectief is begrensd, reeds nu die volgens het college limitatieve opsomming niet is vermeld in het besluit en de vrijstelling daartoe dan ook niet is beperkt. Ook de omstandigheid dat inmiddels een gedeelte van 400 m² van de in totaal beschikbare oppervlakte van 700 m² van de bedrijfshal is ingevuld door een dakdekkersbedrijf kan niet leiden tot eerdergenoemde conclusie, nu de functie van de resterende 300 m² oppervlakte nog moet worden ingevuld en daarnaast het college ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat de bij het besluit van 18 juni 2010 gehandhaafde vrijstelling niet uitsluitend ziet op de resterende 300 m² oppervlakte, maar op de invulling van de gehele bedrijfshal. 2.
- [wederpartij] betoogt tenslotte dat ten onrechte het parkeren in verband met het voorziene bouwplan niet is genormeerd. Door met betrekking tot parkeren geen voorschrift aan de bouwvergunning te verbinden, ontstaat voor vergunninghouder geen verplichting om de voorziene benodigde parkeerplaatsen daadwerkelijk op eigen terrein te realiseren. 2.11.
- Vooropgesteld wordt dat de bouwverordening van de gemeente Putten uitgaat van parkeren op eigen terrein en dat in zoverre geen aanleiding bestond een nadere voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden, nu niet in geschil is dat er voldoende parkeerruimte op eigen terrein aanwezig is voor de te realiseren bouwplannen voor de loods ten behoeve van de opslag van bedrijfskleding en de dierenkliniek. Voor zover het de bedrijfshal met nader in te vullen functie betreft, bestaat anders dan [wederpartij] betoogt, geen grond voor het oordeel dat het college aan het besluit een nadere normering met betrekking tot het parkeren had moeten verbinden dan het heeft gedaan. Daarbij is van belang dat in het gehandhaafde vrijstellingsbesluit als voorwaarde voor de nader in te vullen functie van de bedrijfshal is opgenomen dat geparkeerd dient te worden op eigen terrein, uitgaand van de parkeernormen als voorzien door het CROW, kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Het college heeft onderzocht of het realiseren van voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein ten behoeve van het voorziene bouwplan tot de mogelijkheden behoort en is tot de conclusie gekomen dat dit volgens genoemde normen het geval is, indien de hal een industriefunctie krijgt. Er is gebleken noch gesteld dat deze conclusie van het college niet juist is. Het betoog faalt. 2.
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.10.1 is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 18 juni 2010 gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij de vrijstelling, betrekking hebbend op de te realiseren bedrijfshal met nader in te vullen functie, te onbepaald is verleend. 2.
- Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 18 juni 2010, kenmerk 164548, gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Putten van 18 juni 2010, kenmerk 164548, voor zover daarbij de te onbepaald verleende vrijstelling met betrekking tot de te realiseren bedrijfshal met nader in te vullen functie, is gehandhaafd; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Putten tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat. w.g. Slump w.g. Van Driel voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2011 414-641.