200904472/1/V3. Datum uitspraak: 26 januari 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 26 mei 2009 in zaak nr. 08/16168 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 20 september 2007 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Bij besluit van 7 april 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 26 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 22 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 13 van besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: besluit nr. 1/80) mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. Ingevolge artikel 16 is die bepaling met ingang van 1 december 1980 van toepassing. 2.2. Op 23 januari 2004 is de vreemdeling in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor verblijf bij echtgenoot Nederland binnengekomen. Bij besluit van 24 februari 2004 is aan haar met ingang van 30 januari 2004, geldig tot 30 januari 2005, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenoot verleend. Op een onbekende datum is zij naar Turkije vertrokken. Op 29 augustus 2006 is de vreemdeling wederom in het bezit van een mvv voor verblijf bij echtgenoot Nederland binnengekomen. Op 5 februari 2007 heeft zij een aanvraag om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor voortgezet verblijf te verlenen ingediend. 2.3. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank, kort samengevat, ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat geen sprake is van gezinshereniging en dat daarom het bepaalde in artikel 13 van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging niet op haar van toepassing is. Daartoe voert zij, kort samengevat, aan dat de rechtbank, door ook vast te stellen dat zij niet heeft betwist dat zij niet langer gezinsleven met haar echtgenoot onderhoudt, heeft bevestigd dat zij na haar binnenkomst op 29 augustus 2006 enige tijd bij haar echtgenoot heeft verbleven. Dit betekent, aldus de vreemdeling, dat zij met haar echtgenoot werkelijk huwelijks – of gezinsleven heeft uitgeoefend, zodat voormeld artikel 13 op haar van toepassing is. 2.3.1. Hetgeen is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 in zaak nr. 200802953/1 (www.raadvanstate.nl), geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan. 2.4. In de grieven 2 en 3 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank niet alleen ten onrechte, kort samengevat, heeft overwogen dat zij onvoldoende heeft onderbouwd waarom eerder beleid over voortgezet verblijf op haar van toepassing is, maar ook dat de staatssecretaris in redelijkheid het ontbreken van een geldige mvv aan haar heeft kunnen tegenwerpen. Daartoe voert zij, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 31 maart 2008 (JV 2008/258), aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 van toepassing is op een aanscherping van een na 1 december 1980 ingetreden versoepeling van het beleid over voortgezet verblijf. Evenmin heeft de rechtbank onderkend dat uit de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008 in zaak nr. 200409217/10A (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.