(2010)' van 16 juni 2010 en het rapport van 'The Afghanistan NGO Safety Office' van juli 2010, blijkt niet van dusdanige veiligheidsincidenten dat tot een ander oordeel inzake de intensiteit van het geweld in Afghanistan moet worden gekomen dan het EHRM in voormeld arrest heeft gegeven. Weliswaar dateert het besluit van 13 augustus 2010 van ná dat arrest, doch niet is gebleken dat in die tussentijd een zodanige verslechtering van de veiligheidssituatie in de provincie Kapisa heeft plaatsgevonden dat daaromtrent ten tijde van het besluit van 13 augustus 2010 anders moet worden geoordeeld. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, de toetsing in rechte kan doorstaan. De grief faalt. 2.
- Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, ambtenaar van staat. w.g. Troostwijk voorzitter w.g. Van Loo ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2011 418-
- Verzonden: 25 januari 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser