(2006)van kracht (hierna: het verspreidingsmodel 2006). In het deskundigenbericht is geconcludeerd dat op grond van het verspreidingsmodel 2006 moet worden uitgegaan van een gemiddelde gebouwhoogte van 6.3 m. In het deskundigenbericht is verder geconcludeerd dat bij toepassing van het verspreidingsmodel 2006, uitgaande van een gemiddelde gebouwhoogte van 6.3 m, bij drie woningen de geurnorm wordt overschreden. De conclusies van het deskundigenbericht zijn niet bestreden. De Afdeling ziet geen grond het deskundigenbericht niet te volgen. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 11 mei 2010 in strijd moet worden geoordeeld met artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij. De beroepsgrond slaagt. De overige gronden die betrekking hebben op geurhinder behoeven in verband hiermee geen bespreking. Algemeen toetsingskader 2.
- Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. Geluidhinder 2.
- Wakker Dier en WMG betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen geluidhinder als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting zal optreden. Volgens hen had het college voor deze geluidhinder bovenal geluidgrenswaarden moeten stellen. 2.11.
- Het college stelt dat de dichtstbijzijnde woningen aan de Dennenkamp en Cranenburgsestraat op een afstand van circa 400 meter van de inrichting zijn gelegen. Volgens het college is het verkeer ter plaatse opgenomen in het heersende verkeersbeeld, zodat de mogelijke geluidhinder niet aan het in werking zijn van de inrichting kan worden toegerekend. 2.11.
- De gevolgen van het aan- en afrijdende verkeer voor het milieu kunnen niet meer aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend, indien dit verkeer zich ter plaatse van de dichtstbijzijnde woning door zijn rijgedrag niet onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg kan bevinden. Gezien de situering van de inrichting ten opzichte van de desbetreffende woningen, is het verkeer van en naar de inrichting ter plaatse van die woningen door zijn rijgedrag niet te onderscheiden van het overige verkeer dat zich op betrokken weg kan bevinden. De desbetreffende geluidemissie kan dan ook niet aan het in werking zijn van de inrichting worden toegerekend. De beroepsgrond faalt. Mestopslag 2.
- Wakker Dier en WMG stellen dat het college bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met de mestopslag. Gelet op de grootte van de mestkelder vrezen zij dat tevens mest afkomstig van andere bedrijven zal worden opgeslagen. 2.12.
- Uit de aanvraag blijkt dat een mestkelder is aangevraagd en waarvoor deze zal worden gebruikt. Het college heeft dit bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. De mestkelder is niet aangevraagd voor de opslag van mest afkomstig van andere bedrijven, zodat daarmee bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening behoefde te worden gehouden. Voor zover Wakker Dier en WMG vrezen dat binnen de inrichting in afwijking van de vergunning mest van andere bedrijven zal worden opgeslagen, is dit een aspect van handhaving dat geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. De beroepsgrond faalt. Volksgezondheid 2.
- Wakker Dier en WMG stellen dat het college het advies van de GGD van Brabant/Zeeland van 18 november 2008 en het advies van de GGD regio Nijmegen van 15 juni 2009 wat betreft de negatieve gevolgen van de intensieve veehouderij voor de volksgezondheid ten onrechte naast zich neer heeft gelegd. 2.13.
- Gevaar voor de volksgezondheid in verband met de mogelijke verspreiding van besmettelijke ziekten betreft een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van de beslissing over verlening van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer ruimte voor een aanvullende toets. De GGD-adviezen zijn algemeen gesteld en niet specifiek gericht op de in het geding zijnde inrichting. Deze adviezen nopen om die reden niet tot weigering van de vergunning. Verder heeft het college aan de vergunning voorschriften verbonden die zien op de hygiëne binnen de inrichting om verspreiding van eventuele ziekten te voorkomen. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich niet zodanig gevaar voor de volksgezondheid voordoet, dat dit zou moeten leiden tot het weigeren van de vergunning of het stellen van nadere voorschriften. De beroepsgrond faalt. Slotoverwegingen 2.
- Het beroep, voor zover gericht tegen het besluit van 11 mei 2010, is gegrond. Het besluit van 11 mei 2010 dient wegens strijd met artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij te worden vernietigd. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven en overweegt daartoe het volgende. 2.
- Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling geurhinder en veehouderij, zoals gewijzigd bij ministeriële regeling van 17 juni 2010, (Stcrt. 2010, 9998), wordt de geurbelasting vanwege een veehouderij berekend met inachtneming van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning 2010'. Volgens het deskundigenbericht kan de inrichting bij toepassing van dit verspreidingsmodel aan de geldende geurnomen voldoen. De juistheid van het deskundigenbericht is op dit punt niet bestreden. De Afdeling ziet geen grond het deskundigenbericht niet te volgen. Uit het vorenstaande volgt dat de Wet geurhinder en veehouderij zich niet langer verzet tegen verlening van de gevraagde vergunning. Nu voorts de overige beroepsgronden ongegrond zijn geoordeeld, ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 11 mei 2010 in stand te laten. 2.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij merkt de Afdeling ten aanzien van het verzoek van Wakker Dier en WMG om het college te veroordelen in de kosten van een deskundige, het volgende op. Voor zover het gaat om het advies van "De Roever Milieuadvisering" van 12 februari 2010 zijn de kosten daarvan begrepen in de proceskostenveroordeling die is uitgesproken bij uitspraak van 1 april 2010, in zaak nr. 200909970/4/M
- Voor zover het gaat om een nadere onderbouwing van de geurbeoordeling is niet gebleken van een aan Wakker Dier en WMG uitgebracht verslag, als bedoeld in artikel 1, onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De desbetreffende kosten komen derhalve niet voor vergoeding in aanmerking.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 3 november 2009 niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 11 mei 2010 gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek van 11 mei 2010; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek tot vergoeding van bij de stichting Stichting Wakker Dier en de vereniging Vereniging Werkgroep Milieubeheer Groesbeek in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek aan de stichting Stichting Wakker Dier en de vereniging Vereniging Werkgroep Milieubeheer Groesbeek het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander. Aldus vastgesteld door mr. T.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, ambtenaar van staat. w.g. Drupsteen w.g. Van der Maesen de Sombreff Voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011 190-628.