(1993)is dit gebied aangemerkt als parkeerzone C. Voor een kerk is binnen deze zone een parkeercapaciteit van één parkeerplaats per 15 zitplaatsen vereist. Niet in geding is dat een uitbreiding van 150 m² vijf parkeerplaatsen extra vereist. Volgens de plantoelichting is deze ruimte niet op eigen terrein aanwezig. 2.9.
- Ter zitting heeft de deelraad te kennen gegeven dat de vijf parkeerplaatsen op het Scheepvaartplein die bedoeld waren voor de voorheen aldaar gevestigde school beschikbaar zullen komen ten behoeve van het kerkgebouw. Voorts is niet aannemelijk geworden dat in de nabije omgeving van het plangebied overigens onvoldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn en staat in de plantoelichting dat verwacht wordt dat een groot deel van de bezoekers per fiets of te voet zal komen. Gelet hierop heeft de deelraad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat het plan zal leiden tot toename van verkeer- en parkeeroverlast. Het betoog faalt. Groen 2.
- [appellanten sub 1] betogen dat groen verdwijnt tengevolge van het plan, terwijl in het rijksbeleid voor meer groen en open ruimte gepleit wordt. [appellant sub 4] betoogt in dit kader dat het verdwijnen van groen niet strookt met het beleidsstreven van de deelgemeente naar leefbaarheid en veiligheid. 2.10.
- [appellanten sub 1] hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting, aannemelijk gemaakt om welk beleid het gaat. Het betoog faalt reeds hierom. Vooringenomenheid 2.
- Tot slot betoogt [appellant sub 3] dat het plan niet zonder vooringenomenheid tot stand is gekomen, nu tegelijk met de bekendmaking en terinzagelegging van het ontwerpplan ook de aanvraag van een sloopvergunning ten behoeve van een kerk aan de Prins Hendrikstraat 191 bekend werd gemaakt, en deze vergunning reeds werd verleend voor het verlopen van de beroepstermijn. [appellant sub 2] betoogt in dit kader dat twee leden van de deelraad persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van het plan, daar zij als voorzitter van de kerkenraad en als lid van de bouwcommissie betrokken zijn bij de kerk. 2.11.
- Ingevolge artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vervult het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid. Ingevolge het tweede lid waakt het bestuursorgaan ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden. 2.11.
- De enkele omstandigheid dat een sloopvergunning verleend is ten behoeve van de uitvoering van het plan, brengt niet met zich dat de deelraad op oneigenlijke wijze van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Voorts blijkt uit het verslag van de deelraadsvergadering van 15 oktober 2009, waar het plan is vastgesteld, dat twee leden niet hebben deelgenomen aan de stemming. Mogelijk zijn dit de personen waar [appellant sub 2] op doelt. Nader onderzoek kan op dit punt echter achterwege blijven, nu zeven deelraadsleden vóór vaststelling van het plan hebben gestemd en twee deelraadsleden tegen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de desbetreffende deelraadsleden - zelfs indien zou worden vastgesteld dat zij daadwerkelijk meegestemd hebben en dat zij persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling - geen beslissende stem in de uitkomst hebben gehad. Het betoog faalt. Financiële uitvoerbaarheid 2.
- [appellant sub 2] betwist de financiële uitvoerbaarheid van het plan, daar niet is aangetoond dat de kerk voldoende financiële middelen heeft voor de uitbreiding. 2.12.
- Ter zitting heeft de Protestantse gemeente desgevraagd verklaard dat het grootste deel van de bouwkosten vanuit eigen middelen wordt voldaan, onder meer afkomstig van de verkoop van de Pleinkerk, en dat voor het overige een overbruggingsfinanciering is afgesloten. Voorts is gebleken dat de bouw zich reeds in een zeer vergevorderd stadium bevindt, zodat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Slotconclusie 2.
- In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de deelraad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor zover dit meer uitbreidingsmogelijkheden biedt dan voor het bouwplan noodzakelijk is, zoals nader aangeduid op de bij de uitspraak behorende kaart, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd. In hetgeen [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voor het overige strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn voor het overige ongegrond. Proceskosten 2.
- De deelraad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] te worden veroordeeld. Wat betreft [appellant sub 2] is niet gebleken van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de deelgemeente Hoek van Holland van 15 oktober 2009, voor zover dit plan meer mogelijk maakt dan voor het bouwplan nodig is, zoals nader aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart; III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond; IV. veroordeelt de raad van de deelgemeente Hoek van Holland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, tot vergoeding van bij [appellant sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro); V. gelast dat de raad van de deelgemeente Hoek van Holland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), voor [appellant sub 2], € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 3] en € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) en voor [appellant sub 4] vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat. w.g. Hoekstra w.g. Soede lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2011 270-
- <HR> plankaart