201004846/1/H1. Datum uitspraak: 2 februari 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Westerbork, gemeente Midden-Drenthe, tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 11 mei 2010 in zaak nr. 09/266 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe. 1. Procesverloop Bij besluit van 8 oktober 2008 heeft het college het verzoek van [appellant] van 12 augustus 2008 om handhavend op te treden tegen een schutting, een hekwerk en een haag van coniferen en beuken op het perceel [locatie 1] te Westerbork afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2009 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, voor zover het betrekking heeft op de hoogte en de soort heesters, niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 11 mei 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op de weigering handhavend op te treden tegen de schutting en het hekwerk, het besluit van 24 maart 2009 in zoverre vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 mei 2010, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 7 juni 2010. Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar en dat bezwaar, voor zover het betrekking heeft op de weigering handhavend op te treden tegen de schutting en het hekwerk, alsnog gegrond verklaard. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbenden] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend. Bij besluit van 30 september 2010 heeft het college het besluit van 8 oktober 2008 herroepen en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom van € 100,00 per week, met een maximum van € 1000,00 gelast het hekwerk en de schutting terug te brengen tot een hoogte van maximaal 1 meter. Bij brief van 7 november 2010, bij de Raad van State ingekomen op 10 november 2010, heeft [belanghebbende] tegen dit besluit beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 december 2010, waar [appellanten], alsmede het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. de Muinck, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. [belanghebbende] heeft ter afscheiding van zijn perceel [locatie 1], een hoekperceel dat grenst aan de Boermaat en de Weidemaat, een schutting en een hekwerk opgericht, die zijn geplaatst tussen het perceel en het naburige perceel van [appellant] aan de [locatie 2] respectievelijk langs de perceelsgrens aan de Weidemaat. [belanghebbende] heeft direct tegen deze bouwwerken een haag van coniferen en beuken geplant. 2.2. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten het college op te dragen handhavend op te treden tegen de schutting en het hekwerk. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan handhavend optreden tegen de schutting en het hekwerk in dit geval zodanig onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat daarvan moet worden afgezien. Daarmee is de mogelijkheid opengehouden voor het college om met een betere motivering het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden opnieuw ongegrond te verklaren. Dit betekent dat het college, aan wie als bevoegd orgaan een zekere beslissingsruimte toekomt, een nieuw besluit op bezwaar had kunnen nemen, dat berust op een deugdelijke motivering in de zin van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waarbij het college het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden ongegrond had kunnen verklaren. Voor een opdracht aan het college om handhavend op te treden bestond reeds daarom geen grond. 2.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het oordeel dat de bezwaren tegen de hoogte, voor zover deze hun basis vinden in het Burgerlijk Wetboek, en de soort van de gebruikte heester het privaatrecht betreffen niet van belang is voor het antwoord op de vraag of op basis van het publiekrecht ter zake handhavend kan worden opgetreden, faalt dit betoog, reeds omdat de rechtbank dit oordeel niet bij beoordeling van die vraag heeft betrokken. 2.4. Ingevolge artikel 17 van de Bomenverordening van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: de Bomenverordening) is de rechthebbende op een heg of struik, welke aan het wegverkeer het vrije uitzicht kan belemmeren of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar kan opleveren, verplicht deze beplanting te snoeien of op te binden of te verwijderen na aanschrijving door het college. Ingevolge artikel 2.1.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Midden-Drenthe (hierna: APV) is het verboden beplanting aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. 2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen de hoogte van de haag op het perceel [locatie 1]. Hiertoe voert hij aan dat de haag niet in overeenstemming is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hooimaveld". Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in zijn besluit op bezwaar van 24 maart 2009 terecht op het standpunt heeft gesteld dat ter zake van de haag niet handhavend kan worden opgetreden op grond van artikel 17 van de Bomenverordening en artikel 2.1.5.2 van de APV. Volgens [appellant] brengt de hoogte van de haag onaanvaardbare risico's voor de verkeersveiligheid met zich, nu deze het zicht vanaf de oprit van zijn perceel naar de openbare weg belemmert en andersom. 2.5.1. De in het bestemmingsplan neergelegde regels omtrent de toegestane hoogte hebben slechts betrekking op bouwwerken. De haag kan niet als zodanig worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve, anders dan [appellant] betoogt, terecht geoordeeld dat het college niet bevoegd is handhavend op te treden op grond van het bestemmingsplan. Voorts betoogt [appellant] tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in zijn besluit op bezwaar van 24 maart 2009 terecht op het standpunt heeft gesteld dat ter zake van de haag niet handhavend kan worden opgetreden op grond van artikel 17 van de Bomenverordening en artikel 2.1.5.2 van de APV. Blijkens de tekst strekken deze bepalingen slechts ter bescherming van de veiligheid van het verkeer op de weg en derhalve niet ter bescherming van de veiligheid van [appellant] op zijn eigen perceel. Verder is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de haag het vrije uitzicht van het verkeer op de weg niet belemmert. Bovendien is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de hoogte van de haag ook overigens niet op onaanvaardbare wijze gevaar of hinder veroorzaakt voor het verkeer. Hierbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat het perceel [locatie 2] is gelegen in een woonerf met een verkeersluw karakter. Voorts heeft het college in aanmerking mogen nemen dat de oprit van het perceel [locatie 2] niet als parkeerplaats voor een auto, maar als voetpad wordt gebruikt. Dat de oprit in de toekomst mogelijk wel als parkeerplaats zal worden gebruikt, doet hieraan, anders dan [appellant] betoogt, niet af. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat deze situatie zich thans niet voordoet. Voorts is van belang dat uit de ter zitting getoonde foto's is gebleken dat de haag op enige afstand van de oprit is geplaatst en dat de rechtbank na een onderzoek ter plaatse geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de haag hinder of gevaar voor het wegverkeer oplevert. Voor zover [appellant] betoogt dat de hoogte van de haag leidt tot sociale onveiligheid op zijn perceel, wordt verder overwogen dat dit betoog, wat hier verder ook van zij, niet van belang is voor het antwoord op de vraag of zich hinder of gevaar voor het wegverkeer als bedoeld in artikel 17 van de Bomenverordening en artikel 2.1.5.2 van de APV voordoet. Ter zitting is bovendien vastgesteld dat op de plankaart ter plaatse van het perceel een haag is ingetekend en dat in het bij het plan behorende beeldkwaliteitsplan "Hooimaveld" is vermeld dat hogere hagen langs woonstraten zijn geprojecteerd op plaatsen waar lange zijkanten van percelen grenzen aan de openbare weg. Ook om die reden leidt het betoog niet tot het door [appellant] daarmee beoogde doel. Het betoog van [appellant] dat de waarde van zijn woning zal dalen indien de oprit niet als parkeerplaats zou kunnen worden gebruikt, is, wat hier verder ook van zij, evenmin van belang in het kader van de beoordeling of het college bevoegd is handhavend op te treden tegen de hoogte van de haag. Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college bevoegd is handhavend op te treden tegen de hoogte van de haag op het perceel [locatie 1]. Het betoog faalt. 2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.7. Bij besluit van 7 juli 2010 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 8 oktober 2008 gemaakte bezwaar en dat bezwaar, voor zover het betrekking heeft op de weigering handhavend op te treden tegen de schutting en het hekwerk, alsnog gegrond verklaard. Bij besluit van 30 september 2010 heeft het college vervolgens het besluit van 8 oktober 2008 herroepen en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast het hekwerk en de schutting terug te brengen tot een hoogte van maximaal 1 meter. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 juni 2007 in zaak nr. 200606687/1; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.