201000565/1/R2. Datum uitspraak: 9 februari 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats], 2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], 3. [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats], 4. [appellant sub 4] en anderen, allen wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2009, nummer 2009INT253172, heeft het college besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Montfoort bij besluit van 20 april 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, 1e herziening". Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 januari 2010, [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 februari 2010, [appellanten sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2010, en [appellant sub 4] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 februari 2010, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 6 augustus 2010. [appellant sub 2] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 24 augustus 2010. [appellanten sub 3] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 24 maart 2010. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 3] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 december 2010, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, [appellanten sub 3], bijgestaan door mr. A.J. Koppert, advocaat te Arnhem, en [appellant sub 4] en anderen, bijgestaan door mr. B.W. Maris en ing. G.C.M. Verkleij, en het college, vertegenwoordigd door G.A. de Mello, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door M.A.G. Dingemans, werkzaam bij de gemeente, [belanghebbende A], vertegenwoordigd door J. van den Kommer, en [belanghebbende B], vertegenwoordigd door T. Leliveld en bijgestaan door J. van den Kommer. 2. Overwegingen Intrekking 2.1. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van [appellant sub 4] en anderen het beroep van [appellant sub 4] en anderen voor zover ingediend door [appellant sub 4A], ingetrokken. Ontvankelijkheid 2.2. Het beroep van [appellanten sub 3] voor zover gericht tegen de goedkeuring van artikel 9A en artikel 10, negentiende lid, van de planvoorschriften, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot goedkeuring van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen van deze omstandigheden doet zich voor. Het beroep van [appellanten sub 3] is in zoverre niet-ontvankelijk. Toetsingskader 2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. Het plan 2.4. Het plan is onder meer opgesteld om in een planologische regeling te voorzien voor de planonderdelen waaraan door het college bij besluit van 29 mei 2001 en door de Afdeling bij uitspraak van 13 november 2002, in zaak no. 200103160/1, goedkeuring is onthouden. Voorts is in het plan een aantal plandelen opgenomen waarvoor in de tussentijd procedures op grond van artikel 19 van de WRO zijn gevolgd en is een aantal beleidsmatige wijzigingen doorgevoerd. Het beroep van [appellanten sub 1] 2.5. [appellanten sub 1] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen met de bestemmingen "Tuin (T)" en "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanwijzing 'zonder gebouwen (z)' die zien op het achterste deel van de Doeldijk. Zij voeren hiertoe aan dat het een openbare weg betreft waarvoor een verkeersbestemming moet blijven gelden. Dit blijkt onder meer uit het feit dat in het verleden door het gemeentebestuur meerdere malen handhavend is opgetreden tegen een op de weg geplaatst hek. Tevens stellen [appellanten sub 1] dat niet van belang is dat de gronden in eigendom zijn van particulieren en dat het een doodlopende weg is. Volgens hen is het plan in zoverre in strijd met de Wegenwet. Hun gronden zullen door het plan niet meer via een openbare weg bereikbaar zijn. Voorts leidt het plan op dit punt tot planschade omdat hun gronden niet meer aan een openbare weg zullen grenzen, aldus [appellanten sub 1]. 2.5.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat het desbetreffende deel van de Doeldijk geen openbare weg meer betreft omdat deze al 30 jaar niet voor een ieder toegankelijk is geweest als bedoeld in artikel 7 van de Wegenwet. Daarnaast zijn de gronden van [appellanten sub 1] bereikbaar via het deel van de Doeldijk dat wel een verkeersbestemming heeft, aldus het college. 2.5.2. De raad heeft voorts gesteld dat de weg alleen wordt gebruikt door [appellanten sub 1] en hun buurman. De weg wordt derhalve tevens niet gebruikt als openbare weg in de zin van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied" zoals die is genoemd bij de bestemming "Verkeersdoeleinden", aldus de raad. 2.5.3. [appellanten sub 1] wonen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Op deze gronden bevinden zich woonhuizen, schuren, grasland en een boomgaard. Tevens loopt het achterste deel van de Doeldijk gedeeltelijk over de desbetreffende gronden. 2.5.4. Op grond van artikel 49 van de Wegenwet wordt een weg die op de legger voorkomt, aangemerkt als openbaar te zijn, tenzij wordt bewezen dat de weg heeft opgehouden openbaar te zijn. Ingevolge artikel 7 van de Wegenwet heeft een weg opgehouden openbaar te zijn: - wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest; - wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken. 2.5.5. Niet in geschil is dat het achterste deel van de Doeldijk op de wegenlegger van 1964 voorkomt en niet aan het openbaar verkeer is onttrokken. Gezien bovenvermelde artikelen van de Wegenwet moet dit weggedeelte daarom als openbaar worden aangemerkt, tenzij het weggedeelte gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest. Het college noch de raad heeft aannemelijk gemaakt dat het weggedeelte gedurende een dergelijke periode door feitelijke belemmeringen voor het publiek gesloten is geweest dan wel dat door middel van borden of anderszins de toegang hiertoe is ontzegd. Dat in 1996 en opnieuw in 1998 een hek op het weggedeelte is geplaatst maakt dit niet anders, nu beide keren het hek na handhavend optreden door het college van burgemeester en wethouders is verwijderd. Voorts doet de omstandigheid dat het weggedeelte niet door een groot publiek wordt gebruikt niet af aan het feit dat het weggedeelte voor een ieder toegankelijk is gebleven. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat het weggedeelte gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest. Het achterste deel van de Doeldijk moet dan ook als openbaar worden aangemerkt. Voor zover de raad nog heeft gesteld dat het gebruik van het desbetreffende weggedeelte niet meer in overeenstemming is met de verkeersbestemming, heeft hij dit in het geheel niet nader onderbouwd. Nu de toegekende bestemmingen niet voorzien in het gebruik van het desbetreffende deel van de Doeldijk als openbare weg, terwijl aannemelijk is dat dit weggedeelte een openbare weg is als bedoeld in de Wegenwet, het weggedeelte ook als zodanig wordt gebruikt en er geen zicht is op beëindiging van dat gebruik, is het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening vastgesteld. 2.5.6. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemmingen "Tuin (T)" en "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanwijzing 'zonder gebouwen (z)' die zien op het achterste deel van de Doeldijk niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Tevens ziet de Afdeling aanleiding om goedkeuring te onthouden aan bedoelde plandelen. Het beroep van [appellant sub 2] 2.6. [appellant sub 2] stelt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Natuurgebied (N)" dat ziet op zijn gronden bij de [locatie 3]. Hij voert hiertoe aan dat de uitvoerbaarheid van de natuurontwikkeling onzeker is en dat daarom de voorheen geldende agrarische bestemming had moeten blijven gelden. Hij stelt daarnaast dat het plan had moeten voorzien in de bestemmingen op basis waarvan het integrale plan 'Gebiedsontwikkeling de Sticht', namelijk natuur en woningen, kan worden gerealiseerd. De toenmalige wethouder heeft namelijk verklaard dat het college van burgemeester en wethouders ook akkoord was met het plan. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Bovendien is het plan niet in overeenstemming met de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO, aldus [appellant sub 2]. 2.6.1. Het college heeft zich met de raad op het standpunt gesteld dat het gemeentebestuur voor de beoogde natuurontwikkeling in 2003 een vrijstelling op grond van artikel 19 van de WRO heeft verleend. Deze vrijstelling is vervolgens in het plan verwerkt, aldus het college. 2.6.2. Het plan voorziet voor de gronden bij de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] in de bestemming "Natuurgebied (N)". Bij besluit van 14 juli 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort aan [appellant sub 2] vrijstelling verleend van de bestemming "Agrarische doeleinden, Rivierzone (AR)" voor het realiseren van het door hem gewenste Natuurontwikkelingsplan. 2.6.3. Niet in geschil is dat de vrijstelling die in 2003 is verleend alleen zag op de verwezenlijking van natuur op de desbetreffende gronden. Ter zitting is komen vast te staan dat op die gronden inmiddels ook natuur is verwezenlijkt, in de vorm van bos en halfnatuurlijk grasland. Gelet hierop kan het betoog van [appellant sub 2] dat de uitvoerbaarheid van het plandeel binnen de planperiode onvoldoende zeker is, niet slagen. Voorts wordt overwogen dat met genoemd besluit vrijstelling is verleend voor natuurontwikkeling op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden, Rivierzone (AR)". De Afdeling stelt vast dat het plandeel met de bestemming "Natuurgebied (N)" betrekking heeft op de gronden die in het vorige plan de bestemming "Agrarische doeleinden, Rivierzone (AR)" hadden. Het plandeel ziet derhalve op dezelfde gronden als waarop de vrijstelling betrekking heeft. [appellant sub 2] heeft niet nader onderbouwd op welk punt het plandeel desondanks niet in overeenstemming zou zijn met de verleende vrijstelling. Het college heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het op grond van de vrijstelling bestaande gebruik als zodanig in het plan mocht worden bestemd. 2.6.4. Over het betoog van [appellant sub 2] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan berust niet bij een wethouder, maar bij de raad. De raad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Het college heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat het plan op dit punt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. 2.6.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het beroep van [appellanten sub 3] 2.7. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de beperking van de mogelijkheid voor buitenopslag bij vervolgfuncties ten opzichte van de vervallen regeling uit artikel 10, lid 17, van de planvoorschriften, zoals voorzien in artikel 9B, niet onredelijk is uit het oogpunt van het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. De regeling zoals die is opgenomen in artikel 9B van de planvoorschriften is echter deels in strijd met het provinciaal beleid ten aanzien van vervolgfuncties op agrarische bouwvlakken. Daarom heeft het college aan dit artikel goedkeuring onthouden. 2.7.1. [appellanten sub 3] stellen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de vervallenverklaring van artikel 10, zeventiende lid, van de planvoorschriften, nu wel goedkeuring is onthouden aan de nieuwe regeling die is opgenomen in artikel 9B van de planvoorschriften. Zij voeren hiertoe aan dat de regeling die na de onthouding van goedkeuring overblijft, in strijd is met de bedoeling van de raad om in een geheel nieuwe regeling voor vervolgfuncties te voorzien. Daarom had ook aan de vervallenverklaring van de oude regeling goedkeuring moeten worden onthouden, aldus [appellanten sub 3]. 2.7.2. In het plan is bij de wijziging van de planvoorschriften vermeld dat artikel 10, zeventiende lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied Montfoort" komt te vervallen. Dit planvoorschrift voorzag in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van functieverandering na bedrijfsbeëindiging. Op grond van deze wijzigingsbevoegdheid is als nieuwe functie 'opslagdoeleinden' mogelijk. Hierbij is het verboden om onbebouwde gronden te gebruiken voor omvangrijke stalling en opslag. Ingevolge artikel 9B, achtste lid, van de planvoorschriften, zoals dat op grond van het plan luidt, is voor de hier bedoelde functies (vervolgfuncties op bouwvlakken) buitenopslag in geen geval toegestaan. Aan artikel 9B van de planvoorschriften heeft het college goedkeuring onthouden. 2.7.3. Hoewel er enige samenhang bestaat tussen het opnemen van artikel 9B in de planvoorschriften en het laten vervallen van artikel 10, zeventiende lid, van de planvoorschriften, leidt dit niet tot de conclusie dat de onthouding van goedkeuring door het college aan artikel 9B tot gevolg zou moeten hebben dat ook aan de vervallenverklaring van artikel 10, zeventiende lid, goedkeuring had moeten worden onthouden. Hiertoe overweegt de Afdeling dat deze artikelen voorzien in een regeling voor vervolgfuncties op agrarische bouwvlakken en aldus betrekking hebben op toekomstige situaties. Het vervallen artikel 10, zeventiende lid, voorziet bovendien slechts in een wijzigingsbevoegdheid hiervoor en niet in een rechtstreekse mogelijkheid. Door de onthouding van goedkeuring aan artikel 9B ontbreekt (tijdelijk) een regeling voor dit soort vervolgfuncties. Nu dit echter alleen toekomstig gebruik zou kunnen raken, is de Afdeling van oordeel dat dit niet leidt tot rechtsonzekere situaties. 2.7.4. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vervallenverklaring van artikel 10, lid 17, van de planvoorschriften niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellanten sub 3], voor zover ontvankelijk, is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 4] en anderen voor zover ingediend door [appellant sub 4] 2.8. [appellant sub 4] stelt dat het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" dat ziet op de gronden achter zijn woning ten onrechte de nadere aanwijzing 'zonder gebouwen (z)' heeft in combinatie met de nadere aanwijzing 'opslag toegestaan (o)'. Deze nadere aanwijzingen zijn met elkaar in strijd waardoor onduidelijk is of wel of geen opslag is toegestaan. Bovendien zou daar geen opslag moeten zijn toegestaan. Hij wijst er hierbij op dat de aanwijzing 'opslag toegestaan (o)' ter plaatse opslag voor de voorgevelrooilijn mogelijk maakt, terwijl dit verder nergens is toegestaan. De Inspecteur Ruimtelijke Ordening had bovendien over de opslagmogelijkheid een advies moeten uitbrengen, aldus [appellant sub 4]. 2.8.1. Het college stelt dat op plandelen met de nadere aanwijzing 'zonder gebouwen (z)' geen buitenopslag is toegestaan. Waar buitenopslag bij bedrijven wel is toegestaan, betreft het voornamelijk bedrijven die binnen het stedelijk gebied liggen of die op een bedrijventerrein liggen. Dit acht het college niet in strijd met het provinciaal beleid. Voorts is de Inspecteur Ruimtelijke Ordening lid van de Provinciale Planologische Commissie en heeft hij in die hoedanigheid advies uitgebracht. Bovendien is een los advies van de Inspecteur Ruimtelijke Ordening niet vereist in het kader van de bestemmingsplanprocedure, aldus het college. 2.8.2. De gronden achter de woning van [appellant sub 4] aan [locatie 4] hebben in het plan de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" met de nadere aanwijzingen 'zonder gebouwen (z)' en 'opslag toegestaan (o)'. Ingevolge artikel 21, tweede lid, onder k., van de planvoorschriften, mogen op de gronden met de nadere aanwijzing (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.