← Nederland

ECLI:NL:RVS:2011:BP8387

201102118/1/V

  1. Datum uitspraak: 11 maart 2011 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zwolle, van 9 februari 2011 in zaak nr. 11/2300 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie en Asiel.
  2. Procesverloop Bij besluit van 30 september 2010 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 9 februari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het tegen het voortduren van de bewaring door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 15 februari 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
  3. Overwegingen 2.
  4. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 47, eerste lid, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5 van de Vw
  5. Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling. 2.
  6. Het door de vreemdeling ingestelde beroep is een beroep in de zin van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, gericht tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in het in hoofdstuk 5 opgenomen artikel
  7. De uitspraak van de rechtbank van 9 februari 2011 is gedaan op dit beroep en is derhalve een uitspraak, als bedoeld in artikel 96, tweede lid, van de Vw
  8. Hiertegen staat, anders dan bij een uitspraak als vermeld in artikel 95, eerste lid, van deze wet geen hoger beroep open bij de Afdeling. 2.
  9. Voor kennisneming van een appel in weerwil van het bepaalde bij artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan grond bestaan, indien sprake is van ernstige schending van de eisen van een goede procesorde, dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 augustus 2006 in zaak nr. 200602781/1; ter voorlichting van partijen aangehecht), biedt de klacht dat de aangevallen uitspraak op een onjuiste inhoudelijke beoordeling berust geen grond voor het oordeel dat van een ernstige schending als hiervoor bedoeld sprake is. Dat die inhoudelijke beoordeling in dit geval ziet op de door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden ter zake van de in Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven opgenomen bepalingen, maakt dat niet anders. 2.
  10. De Afdeling is kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. 2.
  11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  12. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Gemert ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2011
  13. Verzonden: 11 maart 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.