201004536/1/V1. Datum uitspraak: 21 maart 2011 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, (hierna: de rechtbank) van 6 april 2010 in zaak nr. 09/22373 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister van Buitenlandse Zaken. 1. Procesverloop Bij besluit van 25 november 2008 heeft de minister een aanvraag van [aanvrager] om een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) aan de vreemdeling te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 27 mei 2009 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 6 april 2010, verzonden op 8 april 2010, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 6 mei 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2010, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.A. Visser, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. De klacht dat de rechtbank niet gemotiveerd is ingegaan op het betoog dat artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van overeenkomstige toepassing is op de door [aanvrager] ingediende aanvraag is terecht voorgedragen, maar kan gelet op het volgende niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. 2.2. Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, worden verleend aan de vreemdeling die als echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind feitelijk behoort tot het gezin van de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, die dezelfde nationaliteit heeft als die vreemdeling en gelijktijdig met deze vreemdeling Nederland is ingereisd dan wel is nagereisd binnen drie maanden (hierna: de nareistermijn) nadat de vreemdeling, bedoeld onder a tot en met d, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend. 2.2.1. Volgens paragraaf C1/4.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van een van de gronden a tot en met d van artikel 29, eerste lid, Vw 2000. Vereist daarvoor is volgens die paragraaf onder meer dat bedoelde gezinsleden gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel hem binnen drie maanden, nadat deze zijn verblijfsvergunning heeft verkregen, zijn nagereisd. De driemaandentermijn gaat volgens die paragraaf in wanneer de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst binnen die termijn een verzoek om advies heeft ingediend, dan wel indien de gezinsleden binnen die termijn in het buitenland een mvv aanvragen, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. 2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 september 2006 in zaak nr. 200603951/1; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.