201001285/1/M1. Datum uitspraak: 30 maart 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de stichting Stichting Mestverwerking Gelderland (hierna: SMG), gevestigd te Arnhem, appellante, en het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 10 december 2009 heeft het college aan SMG een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een kalvergierbewerkingsinstallatie op het perceel Schaarweg 11 te Elspeet. Dit besluit is op 23 december 2009 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft SMG bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 februari 2010, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. SMG en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Bij besluit van 6 december 2010 heeft het college met toepassing van de artikelen 8.23, eerste lid, en 8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer voorschriften, verbonden aan de bij besluit van 10 december 2009 aan SMG verleende vergunning, gewijzigd dan wel ingetrokken en voorschrift A.1 aan de vergunning verbonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 februari 2011, waar SMG, vertegenwoordigd door ir. E.C. Doekemeijer en ir. H. van Veen, en het college, vertegenwoordigd door mr. T. van Esch en ir. W. Willemsen, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. 2. Overwegingen Overgangsrecht 2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd. Omvang van het geding 2.2. Bij brief van 28 oktober 2010 heeft SMG haar beroep ingetrokken voor zover dit ziet op de aan het besluit van 10 december 2009 verbonden voorschriften 1.4.1, 1.4.2, 1.5.2, 5.3.1 t/m 5.3.4, 5.5.1, 5.5.3, 5.6.6 en 11.1.1. Besluit van 6 december 2010 2.3. Het besluit van 6 december 2010 is een besluit in de zin van artikel 6:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb wordt het beroep van SMG geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 6 december 2010, nu dat besluit niet geheel aan haar beroep tegemoet komt. Algemeen toetsingskader 2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. Voorschrift 5.5.5 2.5. SMG kan zich niet verenigen met de in voorschrift 5.5.5 van de vergunning opgenomen termijn van 15 jaar. Zij voert aan dat in de notitie 'Bescherming van de bodem op rwzi's' van september 2009 van de IPO/STOWA-werkgroep (hierna: de notitie) ten onrechte de doorgaans voor onderhoud gehanteerde termijn van 15 jaar als maximum termijn is gehanteerd voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins, tanks en leidingen. Dit heeft tot gevolg dat bassins leeg moeten worden gezet terwijl onderhoud niet noodzakelijk is, aldus SMG. Volgens haar is dit in strijd met de bedoeling van de notitie. In dit verband voert SMG aan dat nu de in de notitie gehanteerde termijn van 15 jaar ziet op de onderhoudstermijn, voor kalvergierbewerkingsinstallaties eerst moet worden vastgesteld wat de onderhoudstermijn is voordat een doelmatige inspectietermijn kan worden vastgesteld. Voorts voert SMG aan dat onduidelijk is wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt. Volgens haar is voorschrift 5.5.5 niet naleefbaar als de onderlinge overgangen van bassins en leidingen om de 15 jaar moeten worden geïnspecteerd nu het oudste bassin dateert uit het jaar 1985. 2.5.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het vanwege de specifieke kenmerken van de onderhavige installatie redelijk is om een termijn van 15 jaar voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins en leidingen te vergunnen. Daartoe voert het college aan dat deze inspectie alleen uit te voeren is als de bassins en leidingen leeg worden gezet en schoon ter inspectie worden aangeboden. Volgens het college kan dit in de praktijk betekenen dat het zuiveringsproces minimaal een aantal weken stagneert. In dit verband wijst het college op de notitie. Bovendien is een periodieke immissiemonitoring voorgeschreven, aldus het college. Het college voert voorts aan dat voorschrift 5.5.5 van de vergunning vereist dat de onderlinge overgangen van bassins en leidingen om de 15 jaar worden geïnspecteerd. Bassins die langer dan 15 jaar niet zijn geïnspecteerd, moeten zo spoedig mogelijk worden geïnspecteerd, aldus het college. 2.5.2. Ingevolge voorschrift 5.5.5 van de vergunning moeten, indien controle op de lekdichtheid uitsluitend plaatsvindt via een grondwatermonitoringssysteem, tijdens groot onderhoud, maar minimaal één keer in de 15 jaar, de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins en leidingen visueel worden geïnspecteerd. CUR/PBV-aanbeveling 44 dient daarbij als leidraad te worden gebruikt. De bevindingen moeten zijn vastgelegd in het milieulogboek. 2.5.3. Het college heeft bij het stellen van de inspectietermijn voor de onderlinge overgangen van bassins en leidingen aansluiting gezocht bij de notitie. In de notitie is vermeld dat bassins en leidingen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie door de keuze van materialen veelal onderhoudsvrij zijn en het onderhoud daarom tot natuurlijke momenten wordt beperkt. Volgens de notitie is dit doorgaans eenmaal per 10 tot 15 jaar het geval. Voorts is in de notitie vermeld dat een rioolwaterzuiveringsinstallatie bestaat uit een samenstel van veelal ondergrondse leidingen en bassins die met elkaar in verbinding staan, waardoor een keuring op grond van de CUR/PBV-aanbeveling 44 alleen uit te voeren is als de bassins en leidingen leeg worden gezet en schoon ter inspectie worden aangeboden. Uit de notitie volgt dat dit in de praktijk betekent dat het zuiveringsproces minimaal twee weken stagneert. In de notitie wordt derhalve voorgesteld een voorschrift aan de vergunning te verbinden dat indien controle op de lekdichtheid uitsluitend plaatsvindt via een grondwatermonitoringssysteem, tijdens groot onderhoud, maar minimaal één keer in de 15 jaar, de dilatatievoegen en onderlinge overgangen van bassins, tanks en leidingen visueel moeten worden geïnspecteerd. Uit het deskundigenbericht volgt dat een kalvergierbewerkingsinstallatie als de onderhavige technisch gezien vergelijkbaar is met een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid een termijn van 15 jaar voor het inspecteren van de onderlinge overgangen van bassins en leidingen aan de vergunning heeft kunnen verbinden. Voor zover SMG aanvoert dat onduidelijk is wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt, overweegt de Afdeling dat in voorschrift 5.5.5 van de vergunning ten onrechte niet is bepaald wanneer de termijn van 15 jaar aanvangt. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt in zoverre. Voorschrift 5.6.1 2.6. SMG kan zich niet verenigen met voorschrift 5.6.1 van de vergunning voor zover hierin is bepaald dat bij vervanging/nieuwbouw van bedrijfsonderdelen het monitoringssysteem voor dat bedrijfsonderdeel moet bestaan uit horizontaal geplaatste buizen. Zij voert aan dat de buizen in een watervoerende laag moeten liggen en dat de grondwaterstand ter plaatse van de inrichting groter is dan 3 m beneden maaiveld. Volgens SMG is dan ook in dit geval een monitoringssysteem dat bestaat uit horizontale buizen niet doelmatig. Daarnaast voert zij aan dat op grond van de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten, een monitoringssysteem bij voorkeur bestaat uit verticale buizen en dat horizontale buizen alleen zijn toegestaan indien verticale buizen om uitvoeringstechnische redenen niet kunnen worden toegepast. Daarvan is hier geen sprake, aldus SMG. Voorts voert zij aan dat het plaatsen van een horizontale buis bij een nieuwe tank geen meerwaarde heeft indien deze tank binnen een bestaande oppervlaktebron wordt geplaatst. 2.6.1. Het college stelt dat het aan de vergunning verbonden voorschrift 5.6.1 is ontleend aan de notitie. Volgens het college kan SMG in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma gemotiveerd afwijken van voorschrift 5.6.1 van de vergunning. Daartoe wijst het college op voorschrift A.1 van de vergunning. Het college geeft te kennen dat voorschrift 5.6.1 op deze wijze kan worden toegespitst op de specifieke omstandigheden van de onderhavige inrichting. 2.6.2. Ingevolge voorschrift 5.6.1 van de vergunning dient het monitoringssysteem te bestaan uit verticaal geplaatste buizen. Bij vervanging/nieuwbouw van bedrijfsonderdelen moet het monitoringssysteem voor dat bedrijfsonderdeel bestaan uit horizontaal geplaatste buizen, die voldoen aan de eisen zoals genoemd in de IPO-STOWA notitie "Bescherming van de bodem op rwzi's". Ingevolge voorschrift A.1 van de vergunning dient uiterlijk 6 maanden na het in werking treden van deze vergunning binnen de inrichting een toereikend monitoringssysteem te zijn gerealiseerd en te zijn begonnen met monitoren. Uiterlijk 3 maanden voor realisatie dienen het ontwerp van dit systeem en het monitoringsprogramma ter goedkeuring te zijn voorgelegd aan het bevoegd gezag. In het monitoringssysteem en -programma kan, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven, gemotiveerd worden afgeweken van de voorschriften 5.6.1 tot en met 5.6.9, indien daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. 2.6.3. Blijkens het bestreden besluit heeft het college aansluiting gezocht bij de notitie. In de notitie is vermeld dat een horizontaal monitoringssysteem alleen kan worden aangelegd in nieuwe situaties. Voorts is in de notitie vermeld dat vanwege de hoge kosten voor bestaande bassins en leidingen van een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt uitgegaan van een verticaal monitoringssysteem gesitueerd ter plaatse van puntbronnen. Volgens de notitie dient een voorschrift aan de vergunning te worden verbonden dat bepaalt, dat als een monitoringssysteem wordt aangelegd dit dient te bestaan uit verticaal geplaatste buizen in geval van reeds aanwezige bassins, tanks en leidingen en uit horizontaal geplaatste buizen in geval van nieuw te realiseren bedrijfsonderdelen. Zoals de Afdeling hiervoor in rechtsoverweging 2.5.3 heeft overwogen, volgt uit het deskundigenbericht dat een kalvergierbewerkingsinstallatie als de onderhavige technisch gezien vergelijkbaar is met een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een dergelijke maatregel van SMG kan worden gevergd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het volgens het deskundigenbericht niet bezwaarlijk is dat het monitoringssysteem enige meters onder het maaiveld ligt nu in geval van een lekkage de verontreiniging naar het grondwater zal wegzinken. Bovendien worden in de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten voor het om uitvoeringstechnische redenen niet kunnen toepassen van verticale buizen horizontale drains onder een opslagbassin als voorbeeld gegeven. Overigens kan SMG, zoals het college aanvoert, op grond van het bepaalde in voorschrift A.1 van de vergunning in haar monitoringssysteem en monitoringsprogramma gemotiveerd afwijken van voorschrift 5.6.1 van de vergunning, indien de locale omstandigheden daartoe aanleiding geven en daarmee een gelijkwaardige bescherming kan worden bereikt. Deze beroepsgrond faalt. Voorschrift 5.6.2 2.7. SMG betoogt ten aanzien van voorschrift 5.6.2 van de vergunning dat de inrichting als één oppervlaktebron moet worden aangemerkt. Volgens haar moet derhalve monitoring langs de randen van de bron plaatsvinden. In dit verband voert SMG aan dat uit de Nederlandse Richtlijn Monitoring bodemkwaliteit bedrijfsmatige activiteiten volgt dat, indien sprake is van een eenduidige grondwaterstromingsrichting, de monitoringslijn aan de stroomafwaartse zijde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.