← Nederland

ECLI:NL:RVS:2011:BQ1881

200902795/1/R

  1. Datum uitspraak: 15 april 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
  3. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
  4. [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
  5. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
  6. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], wonend te [woonplaats],
  7. [appellant sub 6], wonend te [woonplaats],
  8. wijlen [appellant sub 7], thans zijn erfopvolgers [erfopvolger A] en [erfopvolger B], wonend te [woonplaats],
  9. [appellant sub 8], wonend te [woonplaats],
  10. het dagelijks bestuur van het waterschap De Dommel,
  11. [appellante sub 10], gevestigd te [plaats],
  12. [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],
  13. [appellant sub 12], wonend te [woonplaats],
  14. [appellant sub 13], wonend te [woonplaats],
  15. [appellant sub 14], wonend te [woonplaats],
  16. [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
  17. [appellant sub 16], wonend te [woonplaats],
  18. [appellant sub 17], wonend te [woonplaats],
  19. [appellant sub 18], wonend te [woonplaats],
  20. [appellant sub 19], wonend te [woonplaats],
  21. [appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], wonend te [woonplaats],
  22. [appellant sub 21], wonend te [woonplaats],
  23. [appellant sub 22], wonend te [woonplaats],
  24. [appellant sub 23], wonend te [woonplaats],
  25. [appellant sub 24], wonend te [woonplaats],
  26. [appellant sub 25], wonend te [woonplaats],
  27. [appellant sub 26], wonend te [woonplaats], en anderen
  28. [appellant sub 27], wonend te [woonplaats], en anderen
  29. [appellante sub 28], gevestigd te [plaats],
  30. [appellant sub 29], wonend te [woonplaats],
  31. [appellant sub 30], wonend te [woonplaats],
  32. [appellante sub 31], wonend te [woonplaats],
  33. [appellant sub 32], wonend te [woonplaats],
  34. [appellant sub 33], wonend te [woonplaats],
  35. [appellant sub 34], wonend te [woonplaats],
  36. [appellant sub 35], wonend te [woonplaats],
  37. [appellant sub 36A] en [appellant sub 36B], wonend te [woonplaats],
  38. [appellant sub 37], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam Natuurcamping Klein-Frankrijk/De Fuut
  39. [appellant sub 38], wonend te [woonplaats],
  40. Staatsbosbeheer, Regio Zuid, gevestigd te Tilburg,
  41. [appellant sub 40], wonend te [woonplaats],
  42. [appellant sub 41A] en [appellante sub 41B], wonend te [woonplaats],
  43. [appellant sub 42A] en [appellant sub 42B], wonend te [woonplaats], en de raad van de gemeente Heeze-Leende, verweerder.
  44. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" vastgesteld en besloten geen exploitatieplan vast te stellen. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], het waterschap, [appellante sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellant sub 25], [appellant sub 26] en anderen, [appellant sub 27] en anderen, [appellante sub 28], [appellant sub 29], [appellant sub 30], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36A] en [appellant sub 36B], [appellant sub 37], [appellant sub 38], Staatsbosbeheer, [appellant sub 40], [appellant sub 41A] en [appellante sub 41B] en [appellant sub 42A] en [appellant sub 42B] tijdig beroep ingesteld. Een aantal heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B], [belanghebbende C], Camping Heezerenbosch, [belanghebbende D] en [belanghebbende E] een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 15], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20A] en [appellante sub 20B], [appellant sub 21], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 27] en anderen, [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36A] en [appellant sub 36B], [appellant sub 38], [appellant sub 42A] en [appellant sub 42B], de raad, [belanghebbende A] en [belanghebbende B], Heezerenbosch, [belanghebbende D], [belanghebbende E] en [belanghebbende F] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellant sub 8], [appellant sub 11], [appellant sub 15], [appellant sub 19], [appellant sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], [appellante sub 28], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 35], [appellant sub 36A] en [appellant sub 36B], [appellant sub 42A] en [appellant sub 42B] en [belanghebbende C] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21, 22 en 23 februari 2011, waar partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen.
  45. Overwegingen 2.
  46. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Heeze-Leende. Het plangebied bestaat uit het grondgebied van de gemeente met uitzondering van de kernen Heeze, Leende, Leenderstrijp en Sterksel en hun (toekomstige) uitbreidingen. Het beroep van [appellant sub 1] 2.
  47. [appellant sub 1], wiens agrarisch bedrijf is gevestigd op het perceel aan de [locatie 1] te Sterksel, komt in beroep tegen de aan dit perceel toegekende bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)", omdat dit slechts één bedrijfswoning in plaats van twee bedrijfswoningen mogelijk maakt. Daartoe voert hij aan dat de aanwezige bedrijfswoning reeds in 1959 is gesplitst in twee volwaardige bedrijfswoningen. Uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van 13 november 2006 blijkt volgens hem dat de gemeente al jaren hiervan op de hoogte is. Volgens [appellant sub 1] valt de tweede bedrijfswoning onder het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied-Oost". Voorts zal het gebruik van de tweede bedrijfswoning niet binnen de planperiode worden beëindigd. In het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende", dat op 4 juli 2005 was vastgesteld, had de raad ook twee bedrijfswoningen mogelijk gemaakt. De raad is thans ten onrechte van dit standpunt teruggekomen, aldus [appellant sub 1]. 2.2.
  48. De raad staat op het standpunt dat ook ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied-Oost" maar één bedrijfswoning was toegestaan. Voor een tweede bedrijfswoning is nooit bouwvergunning en vrijstelling verleend. Bij de gemeente zijn geen feiten of omstandigheden bekend waaruit blijkt dat reeds sinds tientallen jaren ter plaatse twee bedrijfswoningen aanwezig zijn. Aan het gegeven dat in het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" twee bedrijfswoningen als zodanig waren bestemd, kan [appellant sub 1] geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen, evenmin als aan de brief van 13 november 2006, aldus de raad. 2.2.
  49. Het perceel van [appellant sub 1] is in het voorliggende plan bestemd tot "Bedrijf-Agrarisch (B-A)". Blijkens de verbeelding in samenhang met artikel 8.1, aanhef en onder c, van de planregels is ter plaatse één bedrijfswoning toegestaan. 2.2.
  50. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied-Oost", dat in 1992 in werking is getreden, was aan bedoeld perceel de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, voor zover hier van belang, was binnen die bestemming per bedrijf één bedrijfswoning toegestaan. Uit dit plan volgt dat de op het perceel van [appellant sub 1] aanwezige tweede bedrijfswoning in strijd was met die bestemming. 2.2.
  51. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het gebruik van de tweede bedrijfswoning, zoals [appellant sub 1] stelt, wordt beschermd door het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan mag een gebruik van de onbebouwde grond en/of opstallen, dat op het tijdstip van het van kracht worden van het plan bestond of geregeld placht te worden gemaakt en dat afwijkt van de bestemming en/of de voorschriften, worden voortgezet of gewijzigd, mits het gewijzigde gebruik niet in meerdere mate gaat afwijken van het plan. 2.2.
  52. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat op bedoeld perceel sedert het van kracht worden in 1992 van het vorige bestemmingsplan de tweede bedrijfswoning als woning werd gebruikt. Blijkens de stukken heeft de raad bij de vaststelling van het plan het door [appellant sub 1] gestelde nader onderzocht en is hij tot de conclusie gekomen dat er geen vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend en dat er geen feiten of omstandigheden bekend zijn waaruit blijkt dat reeds voor 1992 twee bedrijfswoningen in gebruik waren. Dit kan ook niet uit de brief van 13 november 2006 worden afgeleid, nu het in deze brief slechts gaat om door [appellant sub 1] zelf verstrekte informatie en hieruit blijkt dat het college zelf hiernaar destijds geen onderzoek heeft ingesteld. Gelet op het voorgaande wordt het gebruik van de tweede bedrijfswoning niet beschermd door het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan. 2.2.
  53. Dat in het op 4 juli 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" op het perceel een tweede bedrijfswoning was toegestaan, is niet van doorslaggevende betekenis, omdat aan dat bestemmingsplan goedkeuring is onthouden en dit plan nooit in werking is getreden. Voorts kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In de door [appellant sub 1] ter zitting aangevoerde omstandigheid dat hij voor beide bedrijfswoningen onroerende zaakbelasting betaalt, kan evenmin aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de raad hierin aanleiding had moeten zien twee bedrijfswoningen binnen bedoeld plandeel toe te laten. 2.2.
  54. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" dat ziet op het perceel [locatie 1], strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] 2.
  55. [appellant sub 2] komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" voor zover het ziet op zijn perceel aan de [locatie 2] te Leende. Hij kan zich niet met die bestemming verenigen en voert daartoe aan dat zijn perceel al meer dan 30 jaar niet meer agrarisch gebruikt wordt. De bedrijfsbebouwing wordt gedurende al die jaren gebruikt als bedrijfswoning met kantoor en voor reparatie en opslag van antieke meubelen en stalling van caravans. Volgens [appellant sub 2] is dat gebruik door de gemeente nooit gewraakt en valt het onder het overgangsrecht van het op 8 maart 1990 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Leende". [appellant sub 2] betoogt dat het niet is toegestaan het gebruik nogmaals onder het overgangsrecht te brengen. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende", dat op 4 juli 2005 was vastgesteld, had de raad gehoor gegeven aan de wensen van [appellant sub 2] en aan een deel van bedoeld perceel de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend. Aan dit gehele plan is door het college van gedeputeerde staten zonder een inhoudelijke beoordeling te geven op dit punt goedkeuring onthouden. De raad is blijkbaar thans ongemotiveerd van het standpunt om aan bedoeld deel van het perceel een bedrijfsbestemming toe te kennen, teruggekomen. Verder voert [appellant sub 2] aan dat het provinciaal beleid, zoals het streekplan of de paraplunota, zich niet verzet tegen een bedrijfsbestemming. Tot slot wijst [appellant sub 2] op het perceel [locatie 3], waarvoor een bouwvergunning is verleend ten behoeve van een aardappelloods. Deze loods is echter nooit als zodanig gebruikt, maar wel als garagebedrijf. Thans heeft de raad het gebruik van dat perceel wel positief bestemd en dus is de raad niet consequent in zijn handelen. [appellant sub 2] wenst dat het bestaande gebruik van zijn perceel als zodanig wordt bestemd. 2.3.
  56. De raad stelt zich op het standpunt dat aan de bestemming in het op 4 juli 2005 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" geen gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend, aangezien aan dat bestemmingsplan goedkeuring is onthouden. Verder betoogt de raad dat bedoelde bedrijfsactiviteiten niet waren toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied Leende" en evenmin worden beschermd door het overgangsrecht van dat bestemmingsplan kunnen worden gebracht. Volgens de raad is er geen vrijstelling verleend. Verder stelt de raad dat het provinciale beleid geen uitkomst biedt, nu de door [appellant sub 2] aangehaalde uitbreidingsmogelijkheden alleen zien op aan het buitengebied gebonden bedrijven die als zodanig zijn bestemd dan wel waarvoor vrijstelling is verleend. Tot slot is de situatie van [appellant sub 2] volgens de raad niet vergelijkbaar met die van het perceel [locatie 3], omdat laatstgenoemd perceel in een bebouwingsconcentratie ligt. Verder is aan het perceel [locatie 3] een tijdelijke vrijstelling verleend voor een periode van vier jaar en is er na afloop van die vier jaar niet handhavend opgetreden. 2.3.
  57. Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de in de verbeelding voor "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bedrijfsexploitatie met bijbehorende voorzieningen. Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2] in strijd zijn met deze bestemming. 2.3.
  58. De Afdeling stelt vast dat in het vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Leende" aan bedoeld perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden" met de aanduiding 'agrarisch bebouwingsvlak' was toegekend. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden onder andere bestemd voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. De door [appellant sub 2] uitgeoefende bedrijfsactiviteiten zijn hiermee niet in overeenstemming. 2.3.
  59. Vastgesteld moet worden of bedoelde bedrijfsactiviteiten kunnen vallen onder de bescherming van het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Leende", dat de raad van de voormalige gemeente Leende op 8 maart 1990 heeft vastgesteld en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 17 oktober 1990 heeft goedgekeurd. Bij Koninklijk Besluit van 20 augustus 1992 is deze goedkeuring onherroepelijk geworden. Uit artikel 35, derde lid, van de voorschriften van dat plan volgt dat gebruik van een bouwwerk dat afwijkt van dat plan voor bescherming krachtens het overgangsrecht in aanmerking komt indien dit gebruik reeds bestaat vóór het onherroepelijk worden van dat bestemmingsplan. 2.3.
  60. De raad heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat geen feiten en/of omstandigheden bekend zijn waaruit zou blijken dat bedoelde bedrijfsactiviteiten onder dat overgangsrecht vallen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] tegen het ontwerp van het voorliggende plan daarnaar onderzoek is ingesteld, maar dat geen gegevens zijn aangetroffen die bevestigen dat [appellant sub 2] reeds vóór bedoeld tijdstip ter plaatse bedoelde bedrijfsactiviteiten verrichtte. In dit licht bezien ligt het ten einde een beroep op het overgangsrecht te kunnen doen slagen op de weg van [appellant sub 2] om stukken te overleggen die zijn standpunt kunnen ondersteunen. [appellant sub 2] heeft dit echter ook in beroep nagelaten. Weliswaar heeft [appellant sub 2] ter zitting naar voren gebracht dat de raad in 2005 bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" er wel zonder meer vanuit is gegaan dat bedoelde bedrijfsactiviteiten onder het overgangsrecht vallen en in verband hiermee de bedrijfsactiviteiten deels als zodanig heeft bestemd, doch in deze omstandigheid heeft [appellant sub 2] geen rechtvaardiging mogen zien het verstrekken van de benodigde gegevens achterwege te laten. 2.3.
  61. Aan de enkele omstandigheid dat een gedeelte van het perceel van [appellant sub 2] in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" voor bedrijfsdoeleinden was bestemd, behoefde de raad bij het vaststellen van de bestemming van het perceel van [appellant sub 2] in het voorliggende plan geen doorslaggevende betekenis toe te kennen, nu aan het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" goedkeuring is onthouden en dit plan nooit in werking is getreden. Voorts kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat bedoeld gebruik door het college van burgemeester en wethouders nimmer is gewraakt, is op zichzelf evenmin een omstandigheid waarin de raad aanleiding had moeten zien bedoelde bedrijfsactiviteiten in het plan als zodanig te bestemmen. 2.3.
  62. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad het terzake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit neergelegd in de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant Brabant in Ontwikkeling" (hierna: interimstructuurvisie), vastgesteld bij besluit van 27 juni 2008 van provinciale staten van Noord-Brabant, en in de "Paraplunota ruimtelijke ordening" (hierna: paraplunota), vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie op 1 juli
  63. Het uitgangspunt van de interimstructuurvisie en de paraplunota houdt in dat alleen legale, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven als zodanig worden bestemd. Nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied is niet toegestaan, omdat deze bedrijven thuishoren op een bedrijventerrein of in een kern. Nu de door [appellant sub 2] ter plaatse verrichtte bedrijfsactiviteiten niet zijn toegestaan, is er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op basis van dit beleid tot een bedrijfsbestemming had moeten komen. Ook de door [appellant sub 2] aangehaalde passages uit het gevoerde beleid zien, zoals de raad terecht stelt, op de uitbreidingsmogelijkheden van toegestane bedrijven, zodat dat beleid in het geval van [appellant sub 2] niet van toepassing is. 2.3.
  64. Ten aanzien van de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 3] wordt overwogen dat deze situatie naar het oordeel van de Afdeling verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het perceel [locatie 3] in een bebouwingsconcentratie ligt en er voor de desbetreffende garage op dat perceel een tijdelijke vrijstelling was verleend. 2.3.
  65. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" voor het perceel aan de [locatie 2] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 2.
  66. [appellant sub 3], die op het perceel aan de [locatie 4] te Leende een varkenshouderij exploiteert, komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" met betrekking tot het perceel aan de Strijperstraat 16b en het voormalige perceel aan de Strijperstraat 16c. Daartoe voert hij aan dat hij vreest dat de voorziene woningen, die in de directe omgeving van zijn perceel liggen, hem vanwege de korte afstand in zijn bedrijfsvoering en zijn toekomstige uitbreidingen zullen beperken. Ook een goed woon- en leefklimaat is voor deze woningen niet te garanderen in verband met de verwachte geluid-, stank- en stofoverlast. Verder stelt [appellant sub 3] dat door de voorziene woningen het open karakter van de Strijperstraat verloren gaat. 2.4.
  67. Het plandeel voorziet in vijf woningen. Ten noorden van de bestaande woning op het perceel aan de Strijperstraat 16b voorziet het plandeel in één Ruimte-voor-Ruimte-woning en ten zuiden van deze bestaande woning in twee Ruimte-voor-Ruimte-woningen. 2.4.
  68. De bestaande woning op het perceel aan de Strijperstraat 16b betreft een bedrijfswoning die behoorde bij de voorheen ter plaatse gevestigde veehouderij. Blijkens de aanduiding in de planverbeelding maakt het plan het mogelijk om het voormalige bedrijfspand te splitsen in twee burgerwoningen. Ter zitting heeft de raad naar voren gebracht dat het hier een fout betreft. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel, voor zover dat ziet op het perceel Strijperstraat 16b, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd. 2.4.
  69. Wat betreft de drie voorziene Ruimte-voor-Ruimte-woningen stelt de raad zich op het standpunt dat deze tot stand komen op basis van een vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Voor deze woningen, die na 19 maart 2000 tot stand komen, geldt een vaste afstand van 50 m tot een veehouderij, maar geen geurnorm. Nu de dichtstbijzijnde woning op 65 m afstand ligt van de varkenshouderij van [appellant sub 3], heeft geur geen invloed op de realisering van de woningen. Ook ten aanzien van de uitbreiding van de varkenshouderij van [appellant sub 3] zijn er geen beperkingen, aldus de raad. 2.4.
  70. Blijkens de stukken heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 29 april 2009 een vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning verleend voor het oprichten van de drie woningen op het voormalige perceel Strijperstraat 16c. Bij uitspraak van 6 augustus 2009, in zaak nrs. 09/1874 en 09/1876, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch het beroep tegen de in bezwaar gehandhaafde vrijstelling ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 juni 2010, in zaak nr. 200907242/1/H1, heeft de Afdeling het door [appellant sub 3] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Dit betekent dat voornoemde vrijstelling en bouwvergunning rechtens onaantastbaar zijn geworden. Met het plan is beoogd om hetgeen met de eerder genoemde vrijstelling en vergunning ter plaatse mogelijk is gemaakt, planologisch vast te leggen. Onder deze omstandigheden sluit de afweging die de raad bij de vaststelling van het plan heeft moeten maken, nauw aan bij de afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling. De verandering van gebruik die mogelijk is gemaakt door de verleende vrijstelling is onherroepelijk geworden en moet derhalve voor rechtmatig worden gehouden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in dit geval een andere afweging had moeten maken, nu het plan niet verschilt van hetgeen de vrijstelling mogelijk maakt en [appellant sub 3] niet heeft gesteld dat er ten tijde van de vaststelling van het plan een verandering van omstandigheden was ten opzichte van de beslissing op bezwaar omtrent de vrijstelling die daartoe noopte. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plandeel, voor zover dat ziet op het voormalige perceel Strijperstraat 16c, niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dan wel anderszins in strijd met het recht kan worden geacht. 2.
  71. Voorts komt [appellant sub 3] in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" met betrekking tot het perceel aan de Strijperstraat 16c, waarmee in een bouwblok is voorzien. Daartoe voert hij aan dat het bouwblok, dat is bedoeld voor een boomkwekerij, direct grenst aan het zijne. Volgens [appellant sub 3] is dit uit ruimtelijk oogpunt onaanvaardbaar, omdat voor het personeel van de boomkwekerij en voor de bewoners van de bedrijfswoning gelet op de te verwachten geuroverlast geen goed werkklimaat kan worden verzekerd. 2.5.
  72. De raad stelt zich op het standpunt dat het plandeel niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, mede omdat er ter plaatse al jarenlang een boomkwekerij werd uitgeoefend in combinatie met een destijds ter plaatse gevestigde varkenshouderij. 2.5.
  73. Uit de planverbeelding in samenhang met de planregels blijkt dat het bestreden plandeel grenst aan het plandeel van [appellant sub 3] aan de [locatie 4], dat is bestemd voor "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" en is aangeduid als 'intensieve veehouderij'. Ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de in de verbeelding voor "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" aangewezen gronden bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bedrijfsexploitatie met bijbehorende voorzieningen, alsmede een bedrijfswoning. 2.5.
  74. Anders dan de raad stelt, dient niet alleen de bestaande situatie beoordeeld te worden, maar dienen ook andere situaties die het plan mogelijk maakt te worden bezien. 2.5.
  75. Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv), voor zover hier van belang, wordt onder geurgevoelige object verstaan: een gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en dat daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. Ten aanzien van de vraag of een agrarisch bedrijf, zoals een boomkwekerij, als geurgevoelig object in de zin van de Wgv moet worden aangemerkt, is, gezien de in artikel 1 gegeven definitie, allereerst van belang of de gebouwen bestemd en geschikt zijn voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2005/2006, 30 453, nr. 3, blz. 16 e.v.) blijkt dat met de term "bestemd" wordt bedoeld dat het gebouw juridisch-planologisch mag worden gebruikt voor wonen of verblijf. Uit die wetsgeschiedenis blijkt verder dat het bij de beoordeling of een gebouw bestemd en geschikt is voor menselijk verblijf, niet van belang is hoeveel personen in het gebouw verblijven. Het verblijven van maar één persoon is voldoende. Ook is niet van belang of de personen een bijzondere gevoeligheid voor geur hebben. Deze twee criteria bepalen volgens de wetsgeschiedenis enkel de mate van bescherming tegen geur, maar niet of een gebouw als geurgevoelig object moeten worden aangemerkt. In de Wgv is er daarom voor gekozen om de aard van het verblijf, noch het aantal personen dat verblijft een rol te laten spelen bij de vaststelling of een (bedrijfs)gebouw als geurgevoelig object moet worden aangemerkt. Tot slot geldt de eis dat het gebouw permanent of een daarmee vergelijkbare wijze voor wonen of verblijf dient te worden gebruikt. 2.5.
  76. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat in de bedrijfsgebouwen niet alleen de opslag van bomen zal plaatsvinden, maar dat de mogelijkheid bestaat dat daar tevens mensen zullen verblijven. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de bedrijfsbebouwing permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze voor menselijk verblijf wordt gebruikt en dat deze bedrijfsgebouwen als geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv moeten worden aangemerkt. 2.5.
  77. De Afdeling stelt voorts vast dat niet is gebleken dat de raad bij de vaststelling van het plan onderzoek heeft verricht naar de geurbelasting die door de veehouderij van [appellant sub 3] ter plaatse van de boomkwekerij en de bedrijfswoning wordt veroorzaakt, en naar de vraag of die geurbelasting bij de boomkwekerij op enigerlei wijze een belemmering zal kunnen vormen voor het voortbestaan van de veehouderij van [appellant sub 3] en voor een goed woon- en leefklimaat van de bewoners van de bedrijfswoning en het personeel van het voorziene bedrijf. Gelet hierop is het bestreden besluit wat betreft het plandeel in kwestie genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is wat dit onderdeel betreft gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 4] 2.
  78. Ter zitting heeft [appellant sub 4] zijn beroepsgrond die betrekking heeft op de regeling in het plan voor bedrijfswoningen en bijgebouwen bij bedrijfswoningen binnen de bestemming "Bedrijf (B)" ingetrokken. 2.
  79. [appellant sub 4] maakt bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)", meer specifiek "Loonwerk- en grondverzetbedrijf" dat ziet op het perceel [locatie 5] te Leende, waar het bedrijf van [belanghebbende C] is gevestigd. Hiertoe voert hij aan dat het bedrijf, dat in het vorige bestemmingsplan was bestemd tot "Agrarisch technisch hulpbedrijf", structureel voor het merendeel civieltechnische werkzaamheden (grondverzet) verricht en in veel mindere mate agrarische loonwerkactiviteiten. Volgens [appellant sub 4] zijn de grondverzetactiviteiten geen activiteiten die aan het buitengebied zijn gebonden en daarom in strijd met het provinciale beleid. Verder gaat het in dit geval niet om een voormalige agrarische bedrijfslocatie, omdat ter plaatse reeds een agrarisch technisch bedrijf mogelijk was. Ook aan de voor vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie gestelde voorwaarden wordt niet voldaan. [appellant sub 4] stelt veel overlast te ondervinden van de activiteiten die in het vorige plan niet, maar in het voorliggende plan wel worden toegelaten. Deze overlast bestaat volgens hem onder meer hieruit dat gedurende de gehele dag veel verkeer, ook verkeer afkomstig van derden, in verband met grondopslag van en naar de inrichting van [belanghebbende C] rijdt, en ter plaatse activiteiten als laden en lossen van goederen plaatsvinden. Volgens [appellant sub 4] is de ruimtelijke invloed van de activiteiten die in het plan worden voorzien groter dan die van een loonwerkbedrijf. [appellant sub 4] stelt dat het plandeel ook in strijd is met het provinciale beleid, omdat de toegelaten grondverzetactiviteiten van het bedrijf van [belanghebbende C] als activiteiten in verband met nieuwvestiging moeten worden gezien en het bedrijf als een categorie 3-bedrijf als bedoeld in de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" moet worden aangemerkt. 2.7.
  80. De raad stelt zich op het standpunt dat de ruimtelijke milieuzonering van een civieltechnisch bedrijf vergelijkbaar is met die van een agrarisch technisch bedrijf. Om overlast voor de omgeving te beperken worden de mogelijkheden voor buitenopslag beperkt. 2.7.
  81. Het perceel van [belanghebbende C] is in het plan bestemd voor "Bedrijf (B)". Ingevolge artikel 7.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang met de Tabel Bedrijven is het perceel meer specifiek bestemd voor "Loonwerk- en grondverzetbedrijf". Ingevolge artikel 7.2.2, aanhef en onder a, samen met de tabel, mag de oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer bedragen dan 3900 m2 en is maximaal 2000 m3 buitenopslag tot een hoogte van niet meer dan 5 m toegestaan. In het vorige bestemmingsplan was het perceel bestemd voor "Agrarisch-technisch hulpbedrijf (AH)". Niet in geschil is dat het plandeel in kwestie een bedrijf dat behoort tot categorie 3 van de lijst van bedrijfstypen van de VNG-brochure mogelijk maakt. 2.7.
  82. Volgens de paraplunota (§4.11) geldt voor voormalige agrarische bedrijfslocaties het uitgangspunt dat niet aan het buitengebied gebonden activiteiten en daarmee gepaard gaande bebouwing uit het buitengebied worden geweerd. In bebouwingsconcentraties buiten de Groene Hoofdstructuur (hierna: GHS) mogen voormalige agrarische bedrijfslocaties onder bepaalde voorwaarden worden benut voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. De voorwaarden houden onder meer in dat in beginsel slechts een inrichting die behoort tot de categorieën 1 en 2 als bedoeld in genoemde lijst van de VNG-brochure, is toegestaan, dat de bedrijfsgebouwen niet groter mogen zijn dan de voormalige bedrijfsgebouwen met een maximale oppervlakte van 400 m2 en dat buitenopslag niet is toegestaan. Volgens de paraplunota (§4.13) mogen agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zich vestigen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied, onder meer op voorwaarde dat het bedrijf in beginsel niet meer ruimte in beslag neemt dan het voormalige agrarische bouwblok en buitenopslag niet is toegestaan, tenzij dit noodzakelijk is. De provinciale beleidsnota "Buitengebied in Ontwikkeling

(2004)" biedt in sommige gevallen ruimere toepassingsmogelijkheden voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op voorwaarde dat de beoogde ontwikkelingen bijdragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit beleid is uitgewerkt in de gemeentelijke "Beleidsnotitie voor bebouwingsconcentraties in het buitengebied" van 25 maart
  1. Volgens deze beleidsnotitie dienen ontwikkelingen te passen in en/of een bijdrage te leveren aan onder meer de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. 2.7.
  2. Naar het oordeel van de Afdeling moet de bedrijfsvestiging van [belanghebbende C], voor zover het gaat om bedrijfsactiviteiten die in het vorige plan niet, maar in het voorliggende plan wel worden toegelaten, te weten grondverzetwerkzaamheden, als nieuwvestiging als bedoeld in het provinciale beleid worden aangemerkt. Grondverzet betreft voorts geen aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad het terzake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Dit betekent dat in het geval de raad een plandeel wil vaststellen dat niet in overeenstemming is met het gevoerde beleid, hij deugdelijk dient te motiveren waarom hij van het beleid wil afwijken. De Afdeling is van oordeel dat de raad onvoldoende duidelijk heeft gemaakt of hij wel of niet is uitgegaan van het verruimde beleid, zoals opgenomen in de provinciale beleidsnota en de gemeentelijke beleidsnotitie met betrekking tot voormalige agrarische bedrijfslocaties. Dit is van belang omdat volgens dat beleid ontwikkelingen dienen bij te dragen aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Voorts is de Afdeling van oordeel dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij met name wat betreft de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsactiviteiten in het buitengebied en de mogelijkheden voor buitenopslag, meent van zijn beleid te mogen afwijken. Voor zover de raad in dit verband gewicht heeft toegekend aan het belang van een goede en doelmatige bedrijfsvoering ten behoeve van [belanghebbende C], is de Afdeling van oordeel dat de raad niet heeft aangegeven waarom hieraan zoveel betekenis moet worden toegekend dat afwijking van het beleid is gerechtvaardigd. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is op dit onderdeel gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft het bestreden plandeel wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. 2.
  3. Verder heeft [appellant sub 4] bezwaar tegen de in de tabel toegelaten maximale nokhoogte van bedrijfsgebouwen en tegen de in artikel 8.2.5 van de planregels maximaal toegelaten hoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, van agrarische bedrijven. Hij is van mening dat te hoge bebouwing wordt toegelaten. 2.8.
  4. De raad acht bedoelde bouwhoogten niet onredelijk. De Afdeling kan hiermee instemmen, gelet op de in artikel 8.2.2, aanhef en onder b, van de planregels opgenomen maximaal toegelaten bouwhoogte van 10 m voor bedrijfsgebouwen op de naastgelegen agrarische percelen. 2.
  5. Voorts stelt [appellant sub 4] dat artikel 8.5.9 van de planregels in strijd is met provinciaal en gemeentelijk beleid, omdat de eis van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering ontbreekt. Verder acht [appellant sub 4] de in onderdeel d toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 600 m² te groot. 2.9.
  6. De raad stelt dat deze planregels in overeenstemming zijn met het beleid en de omvang van de bedrijfsbebouwing niet onredelijk is. 2.9.
  7. Ingevolge artikel 8.5.9 van de planregels, voor zover hier van belang, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf (B)" uitsluitend ten behoeve van het vestigen van niet aan het buitengebied gebonden functies indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a De wijziging is uitsluitend toegestaan indien de locatie is gelegen binnen een ‘bebouwingsconcentratie’ zoals aangeduid op de zoneringskaart. b Hergebruik van de gronden ten behoeve van agrarische doeleinden is redelijkerwijs niet langer mogelijk. c De oppervlakte aan functies per vrijgekomen agrarische bedrijfslocatie dient door sloop van overtollige bebouwing teruggebracht te worden tot 400 m², waarbij waardevolle bebouwing zoals aangeduid op de plankaart gehandhaafd dienen te blijven. d In afwijking van het bepaalde onder c geldt dat indien het bestemmingsvlak ligt binnen een op de zoneringskaart aangeduide ‘bebouwingsconcentratie 1’ de oppervlakte aan niet aan het buitengebied gebonden functies mag worden vermeerderd met 10% van de oppervlakte aan te slopen overtollige bedrijfsgebouwen tot een maximum van 600 m². 2.9.
  8. De Afdeling is van oordeel dat in onderdeel c van dit artikel voldoende zeker is gesteld dat bedoelde wijzigingsbevoegdheid uitsluitend mag worden toegepast indien de ruimtelijke kwaliteit wordt verbeterd. Verder is de in onderdeel d bedoelde maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsnotitie en overigens niet onredelijk. 2.
  9. [appellant sub 4] stelt dat de in artikel 8.4.5 van de planregels gegeven bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om ontheffing te verlenen voor het bouwen van teeltondersteunende kassen of teeltondersteunende voorzieningen onaanvaardbaar is, omdat de in deze planregels toegelaten oppervlakten in verband met het karakter van zijn omgeving te groot zijn. 2.10.
  10. De raad staat op het standpunt dat binnen de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" bedrijfsgebouwen zijn toegestaan. De bestreden ontheffingsbevoegdheid is volgens de raad niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. 2.10.
  11. Ingevolge artikel 8.4.5 kan het college van burgemeester en wethouders in bepaalde gevallen ontheffing verlenen voor het bouwen van teeltondersteunende kassen tot een maximum van 5.000 m² en voor het bouwen van permanente teeltondersteunende voorzieningen tot ten hoogste 10.000 m² respectievelijk 2.500 m². Dat die oppervlakten in ruimtelijk opzicht bij voorbaat niet aanvaardbaar zijn, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt. Indien aan deze bevoegdheid toepassing wordt gegeven komt de vraag aan de orde of het verlenen van ontheffing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. [appellant sub 4] heeft de mogelijkheid om tegen het voornemen ontheffing te verlenen zienswijzen in te dienen en vervolgens eventueel beroep in te stellen. 2.
  12. [appellant sub 4] betoogt dat artikel 8.5.8 voorziet in een te ruime wijzigingsbevoegdheid nu deze ook buiten bebouwingsconcentraties kan worden toegepast. Verder wordt volgens hem ten onrechte niet de eis gesteld dat het bebouwingsvolume moet worden verminderd. 2.11.
  13. De raad staat op het standpunt dat bedoelde planregels in overeenstemming zijn met het provinciaal en gemeentelijk beleid. 2.11.
  14. Ingevolge artikel 8.5.8 van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf (B)" uitsluitend ten behoeve van het vestigen van agrarisch technische hulpbedrijven en/of agrarisch verwante bedrijven, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a De wijziging is niet toegestaan op locaties grenzend aan een of meer van de bestemmingen "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A- LN)", "Bos (BO)" en "Natuur (N)". b Hergebruik van de gronden ten behoeve van agrarische doeleinden redelijkerwijs niet langer mogelijk is. c De bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet worden vergroot. d De in het gebied aanwezige waarden mogen niet onevenredig worden aangetast. e Buitenopslag is niet toegestaan. f Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de bedrijfsbebouwing op basis van een erfbeplantingsplan. 2.11.
  15. De Afdeling is van oordeel dat het bestreden artikel en met name onderdeel c in overeenstemming is met het provinciale en gemeentelijke beleid. 2.
  16. Behoudens de vernietiging van het besluit van de raad wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)", dat ziet op het perceel [locatie 5], ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] 2.
  17. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] stellen ten onrechte geen mogelijkheid tot inspraak te hebben gekregen met betrekking tot het voorontwerp van het plan. Hierdoor is volgens hen met hun belangen onvoldoende rekening gehouden. 2.13.
  18. De Afdeling overweegt dat ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aanvangt met de terinzagelegging van een ontwerpplan. De procedure waar [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] op doelen maakt hiervan geen onderdeel uit. Onregelmatigheden in die procedure kunnen daarom geen gevolgen hebben voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. 2.
  19. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] komen in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" en de aanduidingen 'archeologische verwachtingswaarde' en 'cultuurhistorisch waardevolle akker' die betrekking hebben op de percelen rondom hun perceel [locatie 6] te Heeze. Volgens hen komen deze bestemming en aanduidingen niet overeen met de feitelijke situatie ter plaatse. 2.14.
  20. De raad stelt dat de bestemming en de aanduidingen van de gebieden met landschappelijke waarden is gebaseerd op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. De waarden op basis waarvan de percelen waarop het beroep van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] betrekking heeft als gebied met hoge dan wel middelhoge archeologische waarden en redelijk hoge historische geografische waarden zijn aangewezen, zijn volgens de raad ter plaatse nog steeds aanwezig. De raad noemt in dit verband het aanwezige akkercomplex met esdek, de bolle ligging, de openheid, de steilranden en de aanwezigheid van hakhout. 2.14.
  21. Ingevolge artikel 38a van de Monumentenwet 1988 houdt de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan of een beheersverordening als bedoeld in artikel 3.1, onderscheidenlijk artikel 3.38, van de Wro en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. 2.14.
  22. In de planverbeelding is aan de door [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] bedoelde gronden de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" en de aanduidingen 'archeologische verwachtingswaarde' en 'cultuurhistorisch waardevolle akker' toegekend. Ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de in de planverbeelding voor "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden in het algemeen en in het bijzonder voor de in de planverbeelding aangeduide bijzondere landschappelijke waarden 'cultuurhistorische waardevolle akker', waaronder specifiek de open bolle akker, alsmede voor behoud van archeologische waarden ter plaatse van de aanduiding 'archeologische verwachtingswaarde' in de planverbeelding. 2.14.
  23. Blijkens de plantoelichting zijn verschillende archeologische monumenten binnen het plangebied opgenomen in de planverbeelding als archeologisch waardevol. Verder blijkt uit de plantoelichting dat het gemeentebestuur omtrent de verwachte archeologische waarden nader onderzoek heeft laten verrichten, hetgeen heeft geleid tot een archeologische verwachtings- en advieskaart van september
  24. Bij de vaststelling van het plan is de raad blijkens de zitting uitgegaan van het provinciaal beleid en de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart, die volgens de raad meer actueel is dan de gemeentelijke kaart van september
  25. Op basis van deze gegevens heeft de raad de gronden met een middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde en hoge historische geografie, waartoe de door [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] bedoelde gronden behoren, vastgelegd in het plan. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan de raad in redelijkheid niet van deze gegevens kon uitgaan en bij de vaststelling van het plan hiervan had moeten afwijken. Hierbij is van belang dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gronden niet geroerd zijn sinds de vaststelling van de provinciale cultuurhistorische waardenkaart. 2.
  26. Voorts komen [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] in beroep tegen de aanduiding 'natte natuurparel-attentiezone'. Het plan maakt het volgens [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] mogelijk om in de als 'natte natuurparel-attentiezone' aangeduide gronden de waterstand te verhogen, hetgeen nadelige gevolgen voor hun woonhuis met zich kan brengen. 2.15.
  27. De raad stelt dat hij de natte natuurparel heeft overgenomen uit het provinciaal beleid. In de correctieve herziening van het reconstructieplan "Boven-Dommel" (hierna: reconstructieplan) zijn de attentiegebieden onderbouwd. Volgens de raad is de vrees van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] met betrekking tot de waterstand ongegrond, nu met de aanduiding 'natte natuurparel-attentiezone' slechts wordt beoogd te voorkomen dat de hydrologische situatie van de gebieden met die aanduiding verslechtert. De aanduiding brengt niet met zich dat de grondwaterstand moet worden verhoogd, aldus de raad. 2.15.
  28. Uit de planverbeelding kan worden afgeleid op welke percelen de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' van toepassing zijn. De ligging en begrenzing van de natte natuurparels zijn vanuit de provinciale Verordening Waterhuishouding overgenomen in het reconstructieplan, dat provinciale staten van Noord-Brabant op 22 april 2005 hebben vastgesteld. Volgens het reconstructieplan geldt er een beschermingsbeleid om te voorkomen dat de natte natuurparels verder verdrogen. Dit beschermingsbeleid geldt voor de natte natuurparels, inclusief de zogenoemde 'beschermingszone natte natuurparel' (een zone van gemiddeld 500 meter daaromheen). Niet betwist wordt dat de gronden van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] liggen nabij een in het reconstructieplan vastgelegde natte natuurparel. Met betrekking tot het vaststellen van de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' is de raad in het plan uitgegaan van de in het reconstructieplan opgenomen begrenzing. Dit uitgangspunt is niet onredelijk. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen dat dient te worden afgeweken van de door het reconstructieplan aangegeven begrenzing. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben echter geen omstandigheden aangevoerd waarin de raad aanleiding had moeten zien om te onderzoeken of diende te worden afgeweken van de door het reconstructieplan gegeven begrenzing. Voorts zijn de desbetreffende aanduidingen toegekend aan de gronden van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] om te voorkomen dat verdroging optreedt in de natte natuurparels. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan op hun gronden leidt tot vernatting. 2.
  29. Voorts hebben [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] bezwaren tegen het plan voor zover aan hun perceel [locatie 6] niet een groter bouwvlak is toegekend. Zij voeren aan dat het plan herbouw van de woning op hun perceel alleen mogelijk maakt op exact dezelfde plaats, hetgeen bezwaarlijk is nu het huis op korte afstand van de Sterkselseweg en de Euvelwegen staat. 2.16.
  30. De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan aan het perceel [locatie 6] een bouwvlak is toegekend met dezelfde omvang als is opgenomen in het vorige bestemmingsplan. Verder acht de raad het voorziene bouwvlak van 30 bij 15 m groot genoeg om een woning te kunnen (her)bouwen. 2.16.
  31. Aan het perceel [locatie 6] is in de verbeelding de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Ingevolge artikel 23.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen hoofdgebouwen uitsluitend worden gesitueerd binnen het in de planverbeelding aangegeven bouwvlak. 2.16.
  32. Blijkens de plantoelichting heeft de raad bij de vaststelling van het plan als uitgangspunt gehanteerd aan woningen een strak afgebakend bouwvlak toe te kennen. De raad heeft voor de grootte van het bouwvlak aansluiting gezocht bij het vorige plan, hetgeen heeft geresulteerd in een bouwvlak overeenkomstig de bestaande situatie. Nu van concrete, nieuwe bouwplannen van [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] ten tijde van de vaststelling van het plan voorts geen sprake was, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een groter bouwvlak had moeten toekennen. 2.
  33. [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben bezwaar tegen het plandeel "Wonen (W)" dat betrekking heeft op hun perceel, voor zover dat niet voorziet in de mogelijkheid economische activiteiten uit te oefenen. Nu die mogelijkheid binnen agrarische bestemmingen wel bestaat, is er sprake van een ongelijke situatie, aldus [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B]. 2.17.
  34. Aan het perceel [locatie 6] is de bestemming "Wonen (W)" toegekend. Ingevolge artikel 23.1 van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de als zodanig aangewezen gronden mede bestemd voor de volgende doeleinden: a wonen; b aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven; c kleinschalig logeren tot een maximum van 100 m² ten behoeve van maximaal twee eenheden; 2.17.
  35. Gelet hierop staat het plan bepaalde economische activiteiten op het perceel toe. Voor zover [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] met de gemaakte vergelijking met agrarische bestemmingen hebben willen betogen dat daar meer economische activiteiten zijn toegestaan, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat binnen agrarische bestemmingen de ruimtelijke uitstraling kleiner is en het economisch belang groter. In hetgeen [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. 2.
  36. Ten slotte maken [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] bezwaar tegen de bestemming "Verkeer (V)" voor zover daarin geen beperkingen zijn vastgelegd met betrekking tot het aantal toegestane voertuigen en de maximaal toegelaten geluidproductie van voertuigen. 2.18.
  37. De raad stelt dat bedoelde regels niet thuishoren in een bestemmingsplan. Deze opvatting is rechtens niet onjuist. 2.
  38. In hetgeen [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 6] 2.
  39. [appellant sub 6], die woont op het perceel [locatie 7] te Leende, komt in beroep tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie (R)" dat ziet op zijn perceel [locatie 8]. Hiertoe voert [appellant sub 6] aan dat sinds 1961 op het perceel een ponyfarm met verblijfsruimte aanwezig is. Deze verblijfsruimte is tot 1978 permanent bewoond door verzorgers van de ponyfarm en daarna tot 1983 en in 1987 door een familielid. Na 1987 is de verblijfsruimte regelmatig gebruikt als recreatiewoning. Dit gebruik valt volgens hem onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan "Buitengebied Leende". Dat de verblijfsruimte als recreatiewoning werd gebruikt blijkt uit diverse objectieve gegevens, waaronder een brief van het college van burgemeester en wethouders van 20 april
  40. Verder is het gebruik als recreatiewoning nooit gewraakt. Daarnaast voert [appellant sub 6] aan dat het gemeentebestuur handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat in soortgelijke gevallen, zoals in het geval van het perceel [locatie 3], een recreatiewoning als zodanig is bestemd. Blijkens het verhandelde ter zitting wenst [appellant sub 6] dat de verblijfsruimte wordt bestemd als recreatiewoning. 2.20.
  41. De raad stelt zich op het standpunt dat de op genoemd perceel aanwezige paardenstal weliswaar is opgericht met een op 22 september 1961 verleende bouwvergunning, maar dat die vergunning niet voorziet in een verblijfsruimte. Volgens de raad zijn er geen objectieve gegevens waaruit blijkt dat het gebruik als recreatiewoning onder het overgangsrecht valt. In de door [appellant sub 6] bedoelde brief van 20 april 1998 ziet de raad geen bevestiging dat de verblijfruimte als recreatiewoning wordt beschouwd. Bovendien ziet de in die brief gegeven toestemming op een situatie die zich nooit heeft voorgedaan en ook nooit zal voordoen. Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt de raad dat de situatie met betrekking tot het perceel [locatie 3] te Heeze niet vergelijkbaar is. 2.20.
  42. Het perceel [locatie 8] heeft in het plan de bestemming "Recreatie (R)". Ingevolge artikel 14.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang met de hierbij behorende tabel en de planverbeelding zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor de bedrijfsmatige exploitatie van een ponyfarm. Niet in geschil is dat het gebruik van de verblijfsruimte als recreatiewoning in strijd is met de bestemming in het plan. 2.20.
  43. In het bestemmingsplan "Buitengebied Leende", dat op 8 maart 1990 is vastgesteld en op 17 oktober 1990 is goedgekeurd, had bedoeld perceel de bestemming "Bosgebied". Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de voorschriften van dat bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn deze gronden bestemd voor de houtproductie, het behoud en herstel van de natuurlijke en landschappelijke waarden en voor extensief dagrecreatief medegebruik in de vorm van wandelen, fietsen, paardrijden en dergelijke. Ingevolge het twaalfde lid van dit artikel is het verboden de bebouwing te gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de bestemming "Bosgebied". Ingevolge het dertiende lid, aanhef en onder a en b, voor zover hier van belang, wordt onder verboden gebruik in ieder geval verstaan het gebruik van de bebouwing voor tijdelijke of permanente bewoning en voor verblijfsrecreatieve doeleinden. Hieruit volgt dat het gebruik van de verblijfsruimte als recreatiewoning ook op grond van deze bepalingen niet was toegestaan. 2.20.
  44. Vervolgens dient beoordeeld te worden of het bedoelde gebruik door het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan wordt beschermd. Ingevolge artikel 35, derde lid, onder a, van de voorschriften van dat bestemmingsplan mag het gebruik van bouwwerken dat afwijkt van het plan en dat bestaat ten tijde van het onherroepelijk worden van het plan, worden voortgezet voor zover met toepassing van artikel 352 van de Bouwverordening, zoals die gold op het moment van tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan, daarop geen beperkingen zijn aangebracht. Onder b van datzelfde lid is bepaald dat het verboden is het sub a. bedoelde gebruik na feitelijke beëindiging daarvan te hervatten; onder feitelijke beëindiging wordt niet verstaan een onderbreking van het gebruik korter dan twee jaar. 2.20.
  45. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 6] niet aannemelijk heeft gemaakt dat bedoelde verblijfsruimte sedert het onherroepelijk worden van het vorige bestemmingsplan op 20 augustus 1992 zonder onderbreking als bedoeld in artikel 35, derde lid, onder b, van de voorschriften van dat plan, als recreatiewoning wordt gebruikt. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de door [appellant sub 6] bedoelde brief van 20 april 1998, omdat het gemeentebestuur aan het verblijf in bedoelde verblijfsruimte nader omschreven voorwaarden heeft verbonden, waaronder de voorwaarde dat verblijf uitsluitend is toegestaan indien het cultureel centrum op het perceel Oostrikkerdijk 24A incidenteel te weinig verblijfscapaciteit heeft, de aaneengesloten verblijfsduur per persoon ten hoogste vier weken mag bedragen en voorts het gebruik van de ruimte voor maximaal zes maanden per jaar is toegestaan. In deze brief geeft het college van burgemeester en wethouders aan [appellant sub 6] opnieuw te kennen dat bedoelde verblijfsruimte in de voormalige paardenstal niet mag worden gebruikt als recreatiewoning en dat tegen een zodanig gebruik zal worden opgetreden. De stelling van [appellant sub 6] dat het gebruik als recreatiewoning nooit is gewraakt, mist dan ook feitelijke grondslag. 2.20.
  46. Ten aanzien van de door [appellant sub 6] gemaakte vergelijking met het perceel [locatie 3] overweegt de Afdeling dat die situatie niet vergelijkbaar is met de situatie die zich hier voordoet, omdat het in dat geval ging om een bedrijfsbestemming en, zoals de raad ter zitting onweersproken heeft gesteld, in dat geval wel objectieve gegevens beschikbaar waren waaruit kan worden afgeleid dat het gewenste gebruik onder het overgangsrecht valt. 2.20.
  47. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel dat ziet op [locatie 8] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van wijlen [appellant sub 7] [locatie 9] 2.
  48. [appellant sub 7] heeft bezwaren tegen het plan voor zover een aantal bestaande gebouwen en caravans op zijn percelen, kadastraal bekend gemeente Leende, sectie H, nrs. 794 en 284, niet overeenkomstig het feitelijke gebruik als recreatiewoning zijn bestemd. 2.21.
  49. De raad stelt zich op het standpunt dat het vorige bestemmingsplan ter plaatse geen recreatiewoningen toestond en dat voor bedoelde gebouwen nooit vrijstelling en/of bouwvergunning is verleend, althans niet voor een recreatiewoning. Verder zijn bij de gemeente geen feiten of omstandigheden bekend waaruit blijkt dat bedoelde gebouwen en bedoeld gebruik door het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan worden beschermd. 2.21.
  50. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd behoefde de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid geen aanleiding te zien bedoelde gebouwen in het plan te bestemmen als recreatiewoning. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 8.1, aanhef en onder f, van de planregels kleinschalig kamperen op gronden met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" ten behoeve van maximaal 25 kampeermiddelen is toegelaten. Hetzelfde geldt, gelet op artikel 23.4.2, wat betreft de gronden met de bestemming "Wonen (W)", zij het dat hiervoor ontheffing is vereist. Voorts kan het college van burgemeester en wethouders ingevolge artikel 30.2, onder c, door middel van ontheffing toestemming geven voor kleinschalig kamperen op gronden die direct aansluiten op gronden met deze bestemmingen. [appellant sub 7] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat bedoelde gebouwen worden beschermd op grond van het overgangsrecht van het vorige bestemmingsplan. 2.
  51. [appellant sub 7] heeft verder bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" met de aanduiding 'natte natuurparel-kern' dat ziet op zijn percelen H, nrs. 794 en 284, omdat het gaat om hooggelegen gronden. Ook heeft hij bezwaar tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" dat ziet op zijn perceel H, nr. 283, omdat het perceel ligt aan de Strijperstraat en ligt ingeklemd tussen twee agrarische bouwvlakken. 2.22.
  52. De raad stelt zich op het standpunt dat de natte natuurparels zijn overgenomen uit het reconstructieplan. De bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" is bepaald aan de hand van de nadere GHS/AHS zonering van de provincie met het daaraan onderliggende onderzoek. Hierbij is uitgegaan van actuele natuurwaarden. Rond de Strijperstraat gaat het om grof hoornblad, stijve zegge en veldrus. 2.22.
  53. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat ook ingrepen in de hoger gelegen percelen H, nrs. 794 en 284, effect kunnen hebben op de hydrologische situatie van lager gelegen gronden. Voorts heeft de raad geconstateerd dat in een gebied waarvan perceel H, nr. 283, deel uitmaakt, natuurwaarden aanwezig zijn. Gelet op een en ander heeft de raad bedoelde plandelen in redelijkheid kunnen vaststellen. 2.
  54. [appellant sub 7] heeft verder bezwaar tegen artikel 8.2.2, onder d, van de planregels, voor zover de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen die op zijn perceel aan de [locatie 9] is toegelaten, is beperkt tot 700 m
  55. Volgens [appellant sub 7] wordt hij hierdoor in zijn bedrijfsvoering belemmerd. 2.23.
  56. De raad stelt zich op het standpunt dat deze planregel samenhangt met de procedure die destijds is gevolgd voor de vrijstelling die op basis van artikel 19 van de WRO is verleend voor de Ruimte-voor-Ruimte-woning op het perceel [locatie 10]. Hierbij is aangegeven dat de grondgebonden agrarische activiteiten op de locatie [locatie 9] worden gecontinueerd op een verkleind, nieuw agrarisch bouwblok. 2.23.
  57. De Afdeling is van oordeel dat [appellant sub 7] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door de in de planregel opgenomen maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsgebouwen wordt belemmerd in de bedrijfsvoering van zijn paardenhouderij. In dit verband is van belang dat [appellant sub 7] blijkens de stukken ten tijde van de vaststelling van het plan geen concrete plannen heeft om uit te breiden. 2.
  58. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft [locatie 9], voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond. [locatie 11] 2.
  59. [appellant sub 7] heeft bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Natuur (N)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11] te Leende. Hij wenst dat aan een gedeelte daarvan een recreatieve bestemming wordt toegekend. Hij betoogt dat de raad in afwijking van het advies van de Adviescommissie Toerisme en Recreatie een te groot gedeelte van zijn perceel heeft bestemd als "Natuur (N)". Volgens [appellant sub 7]v zou slechts de randbeplanting van 10 m als zodanig bestemd moeten zijn. 2.25.
  60. De raad stelt zich op het standpunt dat de bestemming in overeenstemming is met de inrichtingschets behorende bij het bedrijfsplan van 21 februari 2008 voor Natuurkampeerterrein De Fuut te Leende dat is opgesteld in opdracht van [appellant sub 7], en met het advies van 24 juni 2008 van de Adviescommissie Toerisme en Recreatie. 2.25.
  61. In het advies staat dat met het verplaatsen van de natuurkampeerplaatsen naar de westzijde van de vijver, een vrije overgangszone ontstaat tussen vijver en bos, waarmee op die plaats de biotopen voor het leefgebied van kwetsbare soorten is gediend. Omdat er sprake is van een activiteit die op gespannen voet staat met de draagkracht van het gebied, wordt geadviseerd in het bestemmingsplan vast te leggen dat in de strook grond tussen vijver en bosgebied recreatieactiviteiten ontoelaatbaar zijn. Dit geldt tevens voor de randbeplanting in de vakken 5, 10, 11 en
  62. Genoemde vakken corresponderen met de vakken op de inrichtingschets. Voorts is het volgens de adviescommissie belangrijk dat bij de inrichting van het gebied nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan een robuuste beplanting van 10 à 15 m. Deze randbeplanting dient ook als bestemming natuur te worden opgenomen in het bestemmingsplan, zodat kampeermiddelen daar niet mogelijk zijn. Anders dan [appellant sub 7] stelt is het volgens het advies niet toelaatbaar om in de strook grond tussen de vijver en het bosgebied en in de vakken 5, 10, 11 en 19 recreatieactiviteiten toe te staan. Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling aan bedoelde gronden in redelijkheid de bestemming "Natuur (N)" kunnen toekennen. 2.
  63. Verder heeft [appellant sub 7] bezwaren tegen de maximaal toegestane bebouwingsoppervlakte van 225 m² voor centrale voorzieningen op het perceel. Dit zou volgens hem 450 m² moeten zijn. In dit verband betoogt [appellant sub 7] dat 225 m² voor een camping met 60 kampeermiddelen te klein is. Hij wijst erop dat aan de camping aan Paaldijk 7 met 35 kampeermiddelen een bebouwingsoppervlakte is toegekend van 1140 m². 2.26.
  64. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 7] op basis van het bedrijfsplan de maximaal toegestane oppervlakte aan gebouwen voor centrale voorzieningen op het perceel [locatie 11] verhoogd tot 225 m². 2.26.
  65. De Afdeling stelt vast dat de raad bij de gewijzigde vaststelling van het plan heeft aangesloten bij het bedrijfsplan, dat voorziet in een bebouwing van in totaal 450 m². Deze oppervlakte is inclusief de paardenboxen, die een omvang hebben van ten hoogste 225 m². Door hiermee rekening te houden, is de toegestane oppervlakte voor centrale voorzieningen vergroot tot maximaal 225 m². De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de in het plan maximaal toegelaten oppervlakte aan centrale voorzieningen heeft kunnen vaststellen. 2.26.
  66. Ten aanzien van de door [appellant sub 7] gemaakte vergelijking met de camping op het perceel Paaldijk 7 wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat op het perceel Paaldijk 7 andere soorten voorzieningen aanwezig zijn waardoor de toegestane oppervlakte aan bebouwing verschilt. In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 7] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.
  67. [appellant sub 7] heeft voorts bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Groen-Landschapselement (G-L)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 11], omdat hiermee geen rekening is gehouden met de tunnel onder de beplante wal die op de inrichtingschets staat aangegeven en die kan worden gebruikt om vanaf de parkeerplaats de camping te bereiken. 2.27.
  68. Aan het plan voor zover dat betrekking heeft op het natuurkampeerterrein De Fuut, ligt bedoeld bedrijfsplan met de inrichtingschets ten grondslag. Op de inrichtingschets staat de door [appellant sub 7] bedoelde doorgang tussen het parkeerterrein en de camping aangegeven. Deze doorgang ligt op een strook grond die in het plan is bestemd voor "Groen-Landschapselement (G-L)". Ingevolge artikel 11.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de gronden met deze bestemming onder andere bestemd voor behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen. Nu het plandeel niet voorziet in de aanleg van nieuwe al dan niet verharde paden en wegen, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat dit plandeel betreft is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Dit onderdeel van het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.27.
  69. Behoudens de beroepsgrond met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Groen-Landschapselement (G-L)", ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft [locatie 11], voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 37], handelend onder de naam Natuurcamping Klein-Frankrijk/De Fuut 2.
  70. [appellant sub 37] heeft bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Natuur (N)" dat betrekking heeft op het natuurkampeerterrein op het perceel [locatie 11] te Leende. Zij voert aan dat het weliswaar in de bedoeling ligt de natuurcamping op de huidige locatie overeenkomstig het bedrijfsplan in de toekomst te verplaatsen naar de in het plan voorziene locatie, maar dat meer tijd nodig is om dit bedrijfsplan te realiseren. In dit verband pleit zij voor uitstel van de inwerkingtreding van het desbetreffende plandeel. 2.28.
  71. Het plan biedt de mogelijkheid het bestaande natuurkampeerterrein op het perceel aan de [locatie 11] te verplaatsen naar de nieuwe locatie overeenkomstig het bedrijfsplan dat hiervoor is opgesteld. Het bestemmingsplan laat deze verplaatsing toe, maar verplicht hiertoe niet. Immers ingevolge artikel 32, onder a, van de planregels mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. 2.28.
  72. In hetgeen [appellant sub 37] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] 2.
  73. [appellant sub 8], die een melkveehouderij aan de [locatie 12] exploiteert, voert aan dat de raad de agrarische gronden in de omgeving had dienen te bestemmen als "Agrarisch (A)". De keuze van de raad om deze gronden te bestemmen als "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" is volgens hem niet begrijpelijk. [appellant sub 8] stelt in dit verband dat het agrarisch gebruik zich niet verdraagt met behoud van landschaps- en natuurwaarden omdat deze doeleinden onderling conflicteren. 2.29.
  74. De raad stelt dat is gekozen voor de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" voor gronden waar agrarische activiteiten worden uitgeoefend en waar zich kwetsbare dier- en plantensoorten bevinden. Voorts liggen de gronden van [appellant sub 8] volgens de raad binnen de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). 2.29.
  75. De gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" zijn onder andere bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen. De gronden met de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" zijn eveneens hiervoor bestemd en tevens voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke waarden en het behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden. In de plantoelichting wordt vermeld dat de vaststelling van deze bestemming is bepaald aan de hand van de nadere GHS/AHS zonering. Blijkens de overzichtskaart van de interimstructuurvisie liggen de gronden binnen de GHS-natuur. In de GHS-natuur zijn alle bestaande bos- en natuurgebieden ondergebracht met de tussenliggende ecologische verbindingszones, alsmede de reservaat- en natuurontwikkelingsgebieden in het kader van de ontwikkeling van de EHS. De planologische begrenzing van de EHS heeft volgens de interimstructuurvisie op provinciaal schaalniveau plaatsgevonden door aanduiding van de GHS-natuur. De bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" is toegekend aan gronden in het plangebied vanwege de ligging binnen de GHS-natuur. Binnen deze bestemming kunnen agrarische activiteiten worden uitgeoefend zolang dit niet ten koste gaat van natuur- en landschapswaarden. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in redelijkheid niet deze bestemming aan de gronden van [appellant sub 8] heeft kunnen toekennen. 2.
  76. [appellant sub 8] stelt dat de raad de aanduidingen 'natte natuurparel-kern', 'natte natuurparel-attentiezone', 'aardkundig waardevol' en 'kwetsbare soorten' ten onrechte niet nader heeft geconcretiseerd op perceelsniveau. Bovendien heeft de raad volgens [appellant sub 8] wat betreft deze aanduidingen slechts gewezen op het geldend provinciaal beleid zonder een nadere afweging te maken van de hierbij betrokken belangen en zonder nader onderzoek te doen. Wat betreft de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' op zijn gronden stelt [appellant sub 8] dat hiermee vernatting mogelijk wordt gemaakt, onder meer op de nabijgelegen gronden met de bestemming "Bos (BO)". Volgens hem zal hierdoor een goede agrarische bedrijfsvoering op zijn percelen worden belemmerd. Voorts maakt hij bezwaar tegen de begrenzing van de natte natuurparel en de zone van 500 meter hieromheen. Bovendien is volgens hem niet gebleken dat zijn gronden verdrogen. 2.30.
  77. De raad stelt dat met betrekking tot de natte natuurparels is uitgegaan van provinciaal beleid. De aanduidingen zijn niet in het plan opgenomen om vernatting te bevorderen, maar om te voorkomen dat de hydrologische situatie verslechtert en om verdroging tegen te gaan. Verder stelt de raad dat de aanduiding 'kwetsbare soorten' is vastgesteld aan de hand van de zonering van de GHS door de provincie met het daaraan ten grondslag liggende onderzoek. Omtrent de aanduiding 'aardkundig waardevol' stelt hij dat het betreffende gebied op de provinciale Aardkundig Waardevolle Gebiedenkaart (hierna: AWG-kaart) is aangegeven als aardkundig waardevol. 2.30.
  78. Uit de planverbeelding kan worden afgeleid op welke percelen de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' van toepassing zijn. De ligging en begrenzing van de natte natuurparels zijn vanuit de provinciale Verordening Waterhuishouding overgenomen in het reconstructieplan. Volgens het reconstructieplan geldt er een beschermingsbeleid om te voorkomen dat de natte natuurparels verder verdrogen. Dit beschermingsbeleid geldt voor de natte natuurparels, inclusief de zogenoemde 'beschermingszone natte natuurparel' (een zone van gemiddeld 500 meter daaromheen). Niet betwist wordt dat de gronden van [appellant sub 8] liggen in een in het reconstructieplan vastgelegde natte natuurparel. Met betrekking tot het vaststellen van de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' is de raad in het plan uitgegaan van de in het reconstructieplan opgenomen begrenzing. Dit uitgangspunt is niet onredelijk. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen dat dient te worden afgezien van de door het reconstructieplan aangegeven begrenzing. [appellant sub 8] heeft echter geen omstandigheden aangevoerd waarin de raad aanleiding had moeten zien om af te wijken van de door het reconstructieplan gegeven begrenzing. Voorts zijn de desbetreffende aanduidingen gelegd op de gronden van [appellant sub 8] om te voorkomen dat verdroging optreedt in de natte natuurparels. Zijn gronden hebben een bestemming waarin behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke en natuurwaarden nevengeschikt is met agrarische bodemexploitatie. [appellant sub 8] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op zijn gronden ten gevolge van het plan zodanige vernatting mogelijk is dat deze niet meer geschikt zijn voor agrarische activiteiten. 2.30.
  79. Zoals in het voorgaande is vastgesteld, liggen de gronden van [appellant sub 8] binnen de GHS-natuur. Volgens de interimstructuurvisie dienen de natuurwaarden in de GHS planologisch te worden beschermd. Volgens de paraplunota dient binnen de GHS-natuur rekening te worden gehouden met de ingevolge de Flora- en faunawet beschermde dier- en plantensoorten. In het plan is de aanduiding 'kwetsbare soorten' gelegd op de gronden met de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" in het belang van de bescherming van kwetsbare soorten. Uit de planverbeelding kan worden afgeleid op welke percelen deze van toepassing is. Uit de stukken, waaronder de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad de ter zake geldende begrenzing van de GHS-natuur op provinciaal niveau onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Met het oog op het algemeen belang van het behoud en de versterking van beschermde dier- en plantensoorten heeft de raad hierbij kunnen uitgaan van het beleid en de begrenzing van de GHS. Op de gronden van [appellant sub 8] is in het plan de aanduiding 'aardkundig waardevol' gelegd, omdat deze gronden aardkundig waardevolle delen bevatten. Krachtens de interimstructuurvisie worden aardkundige waarden op provinciaal niveau vastgelegd op de AWG-kaart. Uit de planverbeelding kan worden afgeleid op welke percelen deze aanduiding betrekking heeft. Hierbij is de raad uitgegaan van de op de AWG-kaart aangegeven waarden. Gebleken is dat de gronden van Van Alsem vallen binnen het aardkundig waardevolle gebied Leenderbos, Tongelreep, Groote Heide, Het Goor. Volgens de paraplunota dienen aardkundig waardevolle gebieden binnen de GHS in beginsel te worden behouden, waarbij onomkeerbare ruimtelijke ingrepen in beginsel niet zijn toegestaan. De raad kon bij het toekennen van de aanduiding 'aardkundig waardevol' in beginsel het op de AWG-kaart aangegeven gebied als uitgangspunt nemen. [appellant sub 8] heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de raad nader onderzoek had moeten laten instellen naar de aardkundige waarden op zijn gronden, dan wel de aanduiding 'aardkundig waardevol' achterwege had moeten laten. 2.
  80. [appellant sub 8] voert aan dat de genoemde aanduidingen in samenhang met het hieraan verbonden aanlegvergunningstelsel ten koste gaan van een goede agrarische bedrijfsvoering. Met betrekking tot de aanduiding 'kwetsbare soorten' voert [appellant sub 8] aan dat de raad niet heeft onderbouwd waarom een aanlegvergunning nodig is voor het scheuren van grasland indien het een periode langer dan 2 jaar betreft. 2.31.
  81. De door [appellant sub 8] genoemde aanduidingen vormen volgens de raad geen belemmering voor de landbouw. 2.31.
  82. Ingevolge artikel 6.3.
  83. van de planregels is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders nader aangeduide werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren op gronden ter plaatse van de verschillende door [appellant sub 8] genoemde aanduidingen. Ingevolge artikel 6.3.2, aanhef en onder a, is het in artikel 6.3.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn. 2.31.
  84. Ingevolge de planregels heeft [appellant sub 8] geen aanlegvergunning nodig voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden op de gronden waarop de desbetreffende aanduidingen zien, voor zover het gaat om normale, bij zijn agrarisch bedrijf horende werkzaamheden. Gelet hierop is het aannemelijk dat de door hem genoemde aanduidingen niet ten koste zullen gaan van een goede agrarische bedrijfsvoering. Met betrekking tot het in artikel 6.3.1, onder e, sub 9, opgenomen aanlegvergunningstelsel ter plaatse van de aanduiding 'kwetsbare soorten' overweegt de Afdeling als volgt. Met de aanlegvergunningplicht wordt beoogd kwetsbare dier- en plantensoorten te beschermen. Kwetsbare soorten op het grasland zullen echter verdwijnen bij het omzetten van grasland in bouwland, ook indien het omzetten voor een periode korter dan 2 jaar geschiedt. Niet valt in te zien dat het doel van de raad, het beschermen van kwetsbare soorten, door middel van deze regeling wordt bereikt. Gelet hierop is het besluit in zoverre niet afdoende gemotiveerd. 2.
  85. [appellant sub 8] voert als bezwaar aan dat een verhard kavelpad en een hierlangs gelegen ondergrondse beregeningsleiding, gelegen ter plaatse van zijn gronden achter zijn boerderij, niet zijn aangegeven in de verbeelding. 2.32.
  86. Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder a en g, van de planregels zijn de in de verbeelding voor "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" aangegeven gronden onder andere bestemd voor agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen, en voor het behoud van (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen. Het bedoelde kavelpad is dus ingevolge het plan toegestaan. Gelet hierop mist het betoog in zoverre feitelijke grondslag. Voorts betekent het feit dat de reeds aanwezige beregeningsinstallatie niet in de verbeelding is aangegeven, niet dat het gebruik hiervan niet is toegestaan, zoals ook de raad ter zitting heeft aangegeven. 2.
  87. Het beroep van [appellant sub 8] richt zich verder tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" ter plaatse van zijn perceel [locatie 12]. [appellant sub 8] voert aan dat het bouwblok dat in het plan is opgenomen voor dit perceel onvoldoende is voor de toekomstige ontwikkeling van zijn melkveehouderij. De raad is volgens hem ten onrechte voorbij gegaan aan zijn uitbreidingsplannen. 2.33.
  88. De raad stelt zich op het standpunt dat grondgebonden agrarische bedrijven nabij een bos- of natuurgebied een strak begrensd bouwblok krijgen. Vergroting van het bouwblok is volgens de raad door een in de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid mogelijk. Verder stelt de raad dat er geen concrete uitbreidingsplannen van [appellant sub 8] bekend zijn. [appellant sub 8] heeft geen aanvraag ingediend voor een bouw- of milieuvergunning, aldus de raad. 2.33.
  89. [appellant sub 8] heeft bij het indienen van zijn zienswijze weliswaar een bouwplan voor uitbreiding van zijn bedrijf overlegd, maar ter zitting heeft hij erkend dat de raad in dit plan geen aanleiding behoefde te zien om zijn agrarische bouwvlak te vergroten, omdat het bouwplan nog onvoldoende concreet is. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plandeel in redelijkheid niet heeft kunnen vaststellen. 2.
  90. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft artikel 6.3.1, onder e, sub 9, van de planregels, niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is wat betreft dit onderdeel gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Wat betreft de overige beroepsgronden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 22] 2.
  91. Het beroep van [appellant sub 22] is onder meer gericht tegen de maximaal toegelaten oppervlakte bedrijfsgebouwen van 750 m2 op het perceel [locatie 13], die in de Tabel Bedrijven bij artikel 7 van de planregels is opgenomen. Ingevolge artikel 7.2.2, aanhef en onder a, mag de maximale oppervlakte bedrijfsbebouwing niet meer bedragen dan in deze tabel is aangegeven. 2.35.
  92. Bij besluit van 10 maart 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ingevolge artikel 3.8, zesde lid, eerste volzin, van de Wro een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van die wet. Het aanwijzingsbesluit - voor zover hier van belang - strekt ertoe dat de regeling in artikel 7.2.2 in combinatie met de bij dit artikel behorende tabel voor de landbouwmachinehandel op het perceel [locatie 13] geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan, zoals dat is vastgesteld. 2.35.
  93. Op 25 maart 2009 is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro door de raad het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan bekend gemaakt, alsmede het aanwijzingsbesluit volgens hetwelk bepaalde delen geen onderdeel meer uitmaken van het vastgestelde bestemmingsplan. Hierdoor heeft de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen bedoeld onderdeel van het plan nog geen aanvang genomen. 2.35.
  94. In artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien het besluit ten tijde van de indiening wel reeds tot stand was gekomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de behandeling van het bezwaar of beroep in dat geval worden aangehouden tot het begin van die termijn. Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling houdt de Afdeling het ervoor dat deze uitsluitend betrekking heeft op de situatie dat de bekendmaking van het besluit nog niet heeft plaatsgevonden, maar zeker is dat de bekendmaking op afzienbare termijn zal plaatsvinden, waarmee de termijn voor het instellen van het beroep een aanvang zal nemen (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). De bepaling kan derhalve in dit geval geen toepassing vinden, nu onzeker is of, en zo ja wanneer het bestreden onderdeel van het plan bekend zal worden gemaakt en dientengevolge tevens of, en zo ja op welk moment de termijn voor het instellen van beroep een aanvang zal nemen. 2.35.
  95. Voor zover [appellant sub 22] vreest dat het onderdeel van het plan van rechtswege alsnog in werking zal treden in het geval van vernietiging in zoverre van het aanwijzingsbesluit door de Afdeling, wordt opgemerkt dat het bestreden onderdeel van het plan niet in werking kan treden voordat dit door de raad bekend is gemaakt en de beroepstermijn is verstreken. Bij de bekendmaking wordt vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld. 2.35.
  96. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.
  97. Het beroep van [appellant sub 22] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 8.5.1, onder b, van de planregels, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro gelezen in samenhang met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, voor zover dit beroep de vaststelling van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren gebrachte zienswijze heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.
  98. [appellant sub 22] heeft bezwaren tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat ziet op zijn perceel [locatie 13] te Leende. In de eerste plaats heeft hij bezwaar tegen de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten die ingevolge de tabel bij artikel 7 van de planregels zijn toegelaten. Volgens [appellant sub 22] wordt het bestaande gebruik van het perceel, dat bestaat uit handel en reparatie van landbouwmachines en kleinschalige agrarische bedrijfsactiviteiten, ten onrechte niet geheel als zodanig bestemd. Voorts stelt hij dat het bestemmingsvlak voor het perceel te klein is. 2.37.
  99. Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad met de vaststelling van het plandeel het bestaande gebruik van het perceel [locatie 13] als zodanig heeft willen bestemmen. Voorts heeft de raad ter zitting erkend dat het bestemmingsvlak, gelet op de locatie van de bestaande bedrijfsactiviteiten en het agrarisch gebruik, het ontbreken van uitbreidingsmogelijkheden en de kadastrale begrenzing van het perceel, te klein is. Hierbij is verder van belang dat in artikel 7.4 van de planregels geen mogelijkheid is opgenomen ontheffing te verlenen van het verbod in artikel 7.2.1, onder c, van de planregels om gebouwen te bouwen binnen 5 meter van de achterste perceelsgrens. 2.37.
  100. Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel in kwestie is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.
  101. [appellant sub 22] voert aan dat in het plan ten onrechte niet de mogelijkheid is opgenomen om op het perceel [locatie 13] een woning dan wel een bedrijfswoning te realiseren. Een bedrijfswoning op dit perceel is volgens hem noodzakelijk. 2.38.
  102. De raad stelt zich op het standpunt dat een bedrijfswoning niet noodzakelijk is. Verder is volgens de raad zijn beleid in overeenstemming met het provinciale beleid erop gericht nieuwe burgerwoningen uit het buitengebied te weren. 2.38.
  103. Niet in geschil is dat de percelen [locatie 14] en [locatie 13] onder het vorige plan één perceel vormden met dezelfde bestemming waarbinnen ingevolge dat plan één woning was toegestaan. Dit perceel is destijds gesplitst in twee percelen waarbij de reeds gerealiseerde woning aan het perceel [locatie 14] is toebedeeld. Uit deze splitsing ontstaat niet het recht om op het perceel [locatie 13] een woning te realiseren. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan het beleid volgens hetwelk het toevoegen van burgerwoningen aan het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan. Verder heeft [appellant sub 22] in de stukken noch ter zitting aannemelijk gemaakt dat een noodzaak bestaat om op het perceel [locatie 13] een bedrijfswoning te realiseren. 2.
  104. [appellant sub 22] stelt dat de ingevolge artikel 7.2.5, onder c, van de planregels maximaal toegestane hoogte van de erfafscheiding aan de straatzijde te laag is om te functioneren als veekering. Een hogere erfafscheiding tot 1,5 meter is volgens hem hiervoor noodzakelijk. 2.39.
  105. De raad stelt zich op het standpunt dat de hoogte van een terreinafscheiding is beperkt om het open karakter te behouden. Er is volgens hem geen reden om bij een agrarisch bedrijf aan de voorzijde hogere afscheidingen toe te staan. 2.39.
  106. Ingevolge artikel 7.2.5, onder c, mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedragen dan 2 meter, met dien verstande dat de hoogte vóór de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 meter. De Afdeling is van oordeel dat de raad aan het belang het open karakter langs de weg te behouden overwegende betekenis heeft kunnen toekennen en dit belang heeft kunnen stellen boven het belang om voor de voorgevelrooilijn een hogere terreinafscheiding dan 1 meter te kunnen plaatsen die dienst kan doen als veekering. 2.
  107. [appellant sub 22] voert aan dat zijn locatie grotendeels had behoren te worden aangemerkt als GHS-landbouw en dat aan de weilanden ten noorden van het perceel ten onrechte de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" is toegekend in plaats van de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)". Voorts heeft [appellant sub 22] bezwaar tegen de aanduiding 'potentiële natuurwaarden' die aan zijn gronden is toegekend, omdat uit het plan niet blijkt wat deze natuurwaarden inhouden en wat de gevolgen zijn van deze aanduiding. 2.40.
  108. De raad stelt dat de bestemming "GHS-landbouw" niet voorkomt in het plan. Gelet op de plansystematiek is er volgens hem geen reden om de bestemming van de noordelijk gelegen weilanden te wijzigen in "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)". Voorts stelt de raad dat de aanduiding 'potentiële natuurwaarden' naar aanleiding van een zienswijze van de provincie is toegekend op gronden waar geen natuurwaarden zijn aangetroffen, maar waar wel natuurwaarden kunnen worden ontwikkeld. Het gaat hierbij om gronden die zijn gelegen in de GHS. 2.40.
  109. In tegenstelling tot hetgeen [appellant sub 22] aanvoert, liggen zijn gronden blijkens de overzichtskaart van de interimstructuurvisie niet in de GHS-landbouw, maar in de GHS-natuur. Zowel het begrip 'GHS-landbouw' als het begrip 'GHS-natuur' komt niet voor in het plan. Volgens de interimstructuurvisie zijn de gronden binnen de GHS-natuur bestemd voor natuur en niet voor agrarische activiteiten. De noordelijk gelegen gronden van [appellant sub 22] hebben de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)", omdat gronden binnen deze bestemming mede zijn bestemd voor de bescherming van natuurwaarden, terwijl dit niet geldt voor gronden binnen de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)". Gelet op het voorgaande heeft de raad aan bedoelde gronden in redelijkheid de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)" kunnen toekennen. 2.40.
  110. De aanduiding 'potentiële natuurwaarden' is toegekend aan de gronden met het oog op herstel, behoud en ontwikkeling van natuurwaarden. Ingevolge artikel 6.3.1, aanhef en onder i, van de planregels is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders een aantal met name genoemde werken en werkzaamheden uit te voeren op de gronden waarop deze aanduiding rust. 2.
  111. Het beroep van [appellant sub 22] is voorts gericht tegen artikel 7.6.2, onder b en d, van de planregels. 2.41.
  112. De raad stelt zich op het standpunt dat deze beroepsgrond van [appellant sub 22] niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 22] volgens de raad hierover geen zienswijzen heeft ingediend tegen het ontwerp van het plan. 2.41.
  113. De beroepsgrond kan naar het oordeel van de Afdeling echter worden beschouwd als aanvulling op hetgeen reeds in de zienswijze met betrekking tot artikel 7.6.2 van de planregels naar voren is gebracht. Het beroep is dan ook ontvankelijk. 2.41.
  114. [appellant sub 22] stelt dat artikel 7.6.2, onder d, van de planregels het voor hem ten onrechte onmogelijk maakt om zijn bedrijf om te schakelen naar een grondgebonden agrarisch bedrijf, nu zijn perceel grenst aan het plandeel met de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)". Verder is volgens hem onterecht de voorwaarde opgenomen dat deze omschakeling pas mogelijk is indien wordt voldaan aan de voorwaarden in artikel 7.6.2, onder b, van de planregels. 2.41.
  115. De raad stelt dat nu slechts sprake is van een beperkt aantal locaties voor agrarische bedrijven, uitsluitend agrarische bedrijven met voldoende toekomstperspectieven worden toegestaan. 2.41.
  116. Ingevolge artikel 7.6.2, aanhef en onder b, van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Bedrijf (B)" te wijzigen in de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" ten behoeve van de vestiging van een agrarisch bedrijf. Hierbij geldt onder andere de voorwaarde dat de omschakeling noodzakelijk dient te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsontwikkeling van een volwaardig bedrijf. Ingevolge artikel 7.6.2, onder d, kan deze wijziging uitsluitend plaatsvinden wanneer de direct aangrenzende gronden bestemd zijn als "Agrarisch (A)" of "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)". 2.41.
  117. De raad heeft in redelijkheid de eis in de planregels kunnen opnemen dat de wijzigingsbevoegdheid slechts kan worden toegepast voor de ontwikkeling van een volwaardig agrarisch bedrijf bij gronden die zijn bestemd als "Agrarisch (A)" of "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)". Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de gronden van [appellant sub 22] binnen de GHS-natuur liggen, welke gronden volgens de interimstructuurvisie op lange termijn zijn bedoeld voor natuur en niet voor landbouwactiviteiten. Voorts heeft de raad met het oog op de beperkte ruimte voor agrarische bedrijfsactiviteiten het van belang kunnen achten dat de beschikbare ruimte wordt benut door volwaardige en levensvatbare agrarische bedrijven. 2.
  118. [appellant sub 22] stelt dat de grens tussen de zone 'natte natuurparel-kern' en de zone 'natte natuurparel-attentiezone' in de verbeelding midden over zijn perceel loopt, terwijl het logischer is dat deze grens op zijn perceelsgrens komt te liggen. 2.42.
  119. De Afdeling overweegt dat in de correctieve herziening van het reconstructieplan, die provinciale staten van Noord-Brabant bij besluit van 27 juni 2008 hebben vastgesteld, wordt vermeld dat bij het bepalen van de grens tussen de zone 'natte natuurparel-kern' en de zone 'natte natuurparel-attentiezone' in principe dient te worden uitgegaan van de grens van percelen. Bovendien heeft de raad ter zitting beaamd dat het logischer is de grens van beide zones te leggen op de perceelsgrens van [appellant sub 22]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 22] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit onderdeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet aanleiding in dit geval met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de aanduiding 'grens tussen verschillende waarden' ligt op de grens van het perceel [locatie 13] en het naastgelegen perceel nr. 1503, en te bepalen dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat op dit onderdeel is vernietigd. De Afdeling acht niet aannemelijk dat derde belanghebbenden daardoor in hun belangen worden geschaad. 2.
  120. [appellant sub 22] verzoekt om aan artikel 8.5.7 van de planregels de voorwaarde toe te voegen dat de vestiging van een opslagbedrijf geen onevenredige beperkingen mag opleveren van de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven. Dit criterium geldt namelijk wel bij wijzigingen in andere bestemmingen. 2.43.
  121. De raad stelt dat het opnemen van een dergelijke voorwaarde niet nodig is, omdat het opslaan van statische goederen geen gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven. 2.43.
  122. De raad heeft in redelijkheid af kunnen zien van het opnemen van de door [appellant sub 22] gewenste voorwaarde in artikel 8.5.
  123. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat dit artikel uitsluitend is gericht op het als zodanig bestemmen van de gronden voor de opslag van goederen. Ingevolge artikel 8.5.7, onder c, van de planregels dient de opslag plaats te vinden binnen de bestaande gebouwen. Niet aannemelijk is dat deze opslag van invloed is op de omringende agrarische bedrijven. 2.
  124. [appellant sub 22] heeft er bezwaar tegen dat de gronden die aan de (noord)westelijke zijde grenzen aan zijn perceel [locatie 13] binnen de aanduiding "bebouwingsconcentratie 2" op zoneringskaart 2 behorende bij het bestemmingsplan liggen. Daartoe voert hij aan dat mogelijke woningbouw op korte afstand van zijn bedrijf belemmeringen met zich kan brengen. 2.44.
  125. De door [appellant sub 22] bedoelde gronden aan de (noord)westelijke zijde van zijn perceel zijn in het plan bestemd voor "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)". De aanduiding "bebouwingsconcentratie 2" heeft ingevolge het plan echter uitsluitend betekenis in relatie tot de bestemming "Bedrijf-Agrarisch (B-A)" en de bestemming "Wonen (W)" en niet in relatie tot de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)". 2.
  126. [appellant sub 22] betoogt dat de artikelen 31 en 32 van de planregels in strijd zijn met het overgangsrecht van het vorige plan nu ingevolge deze twee artikelen bouwwerken die in strijd waren met het voorheen geldende plan, waaronder de overgangsbepalingen van dat plan, en het gebruik van gronden dat in strijd was met het voorheen geldende plan, waaronder de overgangsbepalingen van dat plan, niet vallen onder het overgangsrecht van het voorliggende plan. 2.45.
  127. Ingevolge artikel 31, onder a, van de planregels mag een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
  128. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  129. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. Ingevolge artikel 31, onder c, is het bepaalde onder a niet van toepassing op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. Ingevolge artikel 32, onder a, mag het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, worden voortgezet. Ingevolge artikel 32, onder d, is het bepaalde onder a niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. 2.45.
  130. Ingevolge artikel 3.2.1 en artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) wordt het overgangsrecht omtrent bouwwerken en het overgangsrecht omtrent gebruik, dat in deze artikelen is vermeld, opgenomen in een bestemmingsplan. Dit overgangsrecht heeft de raad overgenomen in de artikelen 31 en 32 van de planregels. Hierbij geldt dat bouwwerken en het gebruik hiervan niet vallen onder het overgangsrecht van het voorliggende plan, indien deze in strijd waren met het voorheen geldende plan, waaronder het overgangsrecht van dat plan. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat bouwwerken en vormen van gebruik, die illegaal waren onder het voorheen geldende plan, in het voorliggende plan vallen onder het overgangsrecht. Gelet hierop zijn de artikelen 31 en 32 van de planregels vastgesteld in overeenstemming met het Bro. 2.
  131. Behoudens de beroepsgrond met betrekking tot het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" dat ziet op het perceel [locatie 13], alsmede de beroepsgrond met betrekking tot de aanduiding 'grens tussen verschillende waarden' ter plaatse van dit perceel, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 22] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 27] en anderen 2.
  132. [appellant sub 27] en anderen wonen allen in Bruggerhuizen. Zij betogen dat verscheidene begrippen uit de planregels onduidelijk zijn: - 'aardkundige waarden': uit de definitie van dit begrip in de planregels blijkt volgens [appellant sub 27] en anderen dat het hier feitelijk kan gaan om een hydrologische waarde. - 'archeologische verwachtingswaarde': uit dit begrip komt volgens hen naar voren dat geen onderzoek is gedaan naar de werkelijk aanwezige archeologische waarden op verschillende plaatsen, terwijl dit volgens hen wel noodzakelijk is. - 'hydrologische betekenis': [appellant sub 27] en anderen stellen dat onduidelijk is wat dit begrip inhoudt. - 'kwetsbare soorten': dit begrip is volgens [appellant sub 27] en anderen nietszeggend, omdat onkwetsbare dier- en plantensoorten niet bestaan. - 'landschappelijke waarden': deze term is volgens hen ten onrechte niet nader geconcretiseerd in het plan. - 'natte natuurparel': [appellant sub 27] en anderen stellen dat in de definitie van deze term wordt verwezen naar verschillende aspecten als aanwezige aardkundige waarden, aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden en aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden, zonder dat in het plan wordt vermeld wat hiermee wordt bedoeld en waar deze waarden precies voorkomen. Verder stellen [appellant sub 27] en anderen dat uit het plan niet naar voren komt wat wordt bedoeld met de begrippen 'kwantitatieve aspecten' en 'kwalitatieve aspecten'. Bovendien wordt volgens [appellant sub 27] en anderen hierbij onterecht doorverwezen naar het reconstructieplan, de provinciale milieuverordening en de keur van het waterschap. 2.47.
  133. Ingevolge artikel 1 van de planregels gelden de volgende definities voor de door [appellant sub 27] en anderen genoemde begrippen: - 'aardkundige waarden': landschapswaarden die samenhangen met (abiotische) milieukenmerken, zoals geologie, geomorfologie, reliëf, grondwaterhuishouding (kwelgebieden), bodemopbouw/bodemsamenstelling, afzonderlijk of in onderlinge samenhang; - 'archeologische verwachtingswaarde': gronden met verwachtingswaarden, die kunnen bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang kunnen zijn en het cultuurhistorisch erfgoed kunnen vertegenwoordigen; - 'hydrologische betekenis': gronden met een betekenis binnen het watersysteem van het plangebied als infiltratiegebied, intermediair gebied en/of kwelgebied. - 'kwetsbare soorten/kwetsbare natuurwaarden: zeldzame planten of dieren, die hoge eisen stellen aan de inrichting en het gebruik van hun omgeving; het gaat hier onder meer om: weidevogels, ganzen en zwanen, dagvlinders, amfibieën, reptielen en om bijzondere planten. - 'landschappelijke waarden': het geheel van waarden in verband met bijzondere landschappelijke kenmerken van een gebied of object, in de zin van karakteristieke verschijningsvorm, herkenbaarheid/identiteit en diversiteit, dat bestaat uit aardkundige, archeologische, cultuurhistorische en visueel-ruimtelijke waarden, afzonderlijk of in onderlinge samenhang. - 'natte natuurparel': gronden met waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie in relatie tot een of meer van de volgende waarden en/of omstandigheden: - aanwezige aardkundige waarden; - aanwezige waterafhankelijke natuurwaarden; - aanwezige mogelijkheden voor ontwikkeling van waterafhankelijke natuurwaarden. Daarbij behoren tevens kwantitatieve aspecten (hoge waterstand, stabiel waterpeil, kwelsituatie) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild) zoals vastgelegd in het reconstructieplan, de provinciale milieuverordening en de keur. 2.47.
  134. Over de bezwaren van [appellant sub 27] en anderen omtrent de genoemde definities overweegt de Afdeling als volgt: -'aardkundige waarden': blijkens de definitie hebben aardkundige waarden niet alleen betrekking op de hydrologische betekenis van een gebied, zoals de betekenis van gronden voor de waterhuishouding, maar ziet dit begrip ook op de samenstelling van de bodem en de opbouw van het landschap. - 'archeologische verwachtingswaarde': het gaat hier om gronden die op grond van archeologisch bureauonderzoek een hoge en middelhoge verwachtingswaarde kennen wat betreft in de bodem aanwezige archeologische resten. Voor deze gebieden zal blijkens de plantoelichting een aanlegvergunningenstelsel worden opgenomen in de planregels, waardoor bepaalde werkzaamheden slechts mogen worden uitgevoerd, nadat uit nader onderzoek is gebleken dat geen archeologische waarden worden aangetast. - 'hydrologische betekenis': blijkens de plantoelichting geldt volgens het reconstructieplan een beschermingsbeleid in het plangebied voor de bescherming van natte natuurparels, inundatie- of waterbergingsgebieden. De gronden die binnen het beschermingsbeleid van het reconstructieplan vallen hebben hiermee dus een hydrologische betekenis in het plan. - 'kwetsbare soorten': het gaat hier blijkens de definitie om zeldzame soorten waarvoor de inrichting van de omgeving belangrijk is voor hun instandhouding. Uit de plantoelichting blijkt dat in het plan in bos- en natuurgebieden een uitgebreid aanlegvergunningenstelsel wordt gehanteerd, dat gericht is op de aanwezigheid van deze soorten. Hiermee is duidelijk aangegeven op welke soorten het begrip 'kwetsbare soorten' ziet. - 'landschappelijke waarden': het gaat hier om verschillende unieke kenmerken van het landschap. Uit de definitie van dit begrip volgt dat deze betrekking kunnen hebben op verschillende waarden zoals aardkundige of archeologische. - 'natte natuurparel': in de planverbeelding is de ligging van de natte natuurparels vastgelegd door middel van de nadere aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone'. Uit de verbeelding kan dus worden afgeleid waar de natte natuurparels en de hiermee samenhangende aardkundige waarden en waterafhankelijke natuurwaarden zich bevinden. In de planregels is een definitie opgenomen van het begrip 'aardkundige waarde'. Uit het begrip 'waterafhankelijke natuurwaarde' komt naar voren dat het hier gaat om delen van de natuur die afhankelijk zijn van de watersituatie in de natte natuurparel. Verder zien de begrippen 'kwantitatieve aspecten' en 'kwalitatieve aspecten' op de stand van het water en de kwaliteit hiervan in de natte natuurparel. 2.
  135. [appellant sub 27] en anderen voeren aan dat in het plan in Bruggerhuizen op diverse gronden de aanduidingen 'natte natuurparel-attentiezone' en 'natte natuurparel-kern' zijn gelegd en hun gronden ingevolge de doeleindenomschrijvingen van de verschillende bestemmingen onder andere zijn bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Hiertegen hebben zij bezwaren omdat de raad hierbij ten onrechte zonder meer is uitgegaan van provinciaal beleid en beleid van het waterschap zonder eigen onderzoek te doen. Bovendien heeft de raad ten onrechte de natte natuurparels niet nader geconcretiseerd op perceelsniveau. Verder stellen [appellant sub 27] en anderen dat de waterparagraaf in de plantoelichting onvoldoende informatie bevat. 2.48.
  136. De raad stelt dat het aanduiden van de natte natuurparels is gebeurd op grond van provinciaal onderzoek of onderzoek door het waterschap. Verder heeft de raad de gronden van [appellant sub 27] en anderen onder andere bestemd voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen vanwege de op deze gronden voorkomende sloten, vennen en andere bestaande watergangen. 2.48.
  137. Het argument van de raad om bedoelde gronden een bestemming te geven die volgens de doeleindenomschrijving een gebruik als water of voor waterstaatkundige voorzieningen mogelijk maakt vanwege de aanwezige vennen, sloten en andere watergangen is niet onredelijk. Verder kan uit de planverbeelding worden afgeleid op welke percelen de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' van toepassing zijn. De ligging en begrenzing van de natte natuurparels zijn vanuit de provinciale Verordening Waterhuishouding overgenomen in het reconstructieplan. Volgens het reconstructieplan geldt er een beschermingsbeleid om te voorkomen dat de natte natuurparels verder verdrogen. Dit beschermingsbeleid geldt voor de natte natuurparels, inclusief de zogenoemde 'beschermingszone natte natuurparel' (een zone van gemiddeld 500 meter daaromheen). Niet betwist wordt dat bedoelde gronden liggen in een in het reconstructieplan vastgelegde natte natuurparel. Met betrekking tot het vaststellen van de aanduidingen 'natte natuurparel-kern' en 'natte natuurparel-attentiezone' is de raad in het plan uitgegaan van de in het reconstructieplan opgenomen begrenzing. Dit uitgangspunt is niet onredelijk. Bijzondere omstandigheden kunnen ertoe nopen dat dient te worden afgezien van de in het reconstructieplan aangegeven begrenzing. [appellant sub 27] en anderen hebben echter geen omstandigheden aangevoerd waarin de raad aanleiding had moeten zien om te onderzoeken of diende te worden afgeweken van de door het reconstructieplan gegeven begrenzing. In de plantoelichting is een waterparagraaf opgenomen. [appellant sub 27] en anderen hebben geen nadere argumenten aangevoerd waarom deze niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. 2.
  138. Verder is het beroep van [appellant sub 27] en anderen blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting gericht tegen de regeling in het plan met betrekking tot de aanleg van drainage op hun gronden. Voor zover hiervoor een aanlegvergunning verplicht wordt gesteld, is dit volgens hen niet noodzakelijk, nu uit onderzoek van onder andere Staatsbosbeheer blijkt dat er geen verband is tussen de grondwaterstand in het nabijgelegen Leenderbos en het gebied Bruggerhuizen. Voor zover de aanleg van drainage in het plan geheel wordt verboden, is dit volgens hen onjuist. 2.49.
  139. Bij de vaststelling van het plan heeft de raad de in het plan opgenomen regeling voor de aanleg van drainage in sommige gebieden noodzakelijk geacht omdat bedoelde werkzaamheden van invloed kunnen zijn op de hydrologische, archeologische en/of cultuurhistorische waarden. 2.49.
  140. Bedoelde gronden liggen onder andere binnen de bestemmingen "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" en "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaarden (A-LN)". Ingevolge artikel 5.3.1 onderscheidenlijk artikel 6.3.1 van de planregels is het binnen deze bestemmingen verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning (aanlegvergunning) van het college van burgemeester en wethouders ter plaatse van de aanduiding 'natte natuurparel-attentiezone' nader aangeduide werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, waaronder de aanleg van drainage, ongeacht de diepte, tenzij het gaat om het vervangen van een bestaande drainage. Ingevolge artikel 5.4 onderscheidenlijk 6.4 van de planregels is het binnen deze bestemmingen ter plaatse van de aanduiding 'natte natuurparel-kern' niet toegestaan nader aangeduide werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, waaronder de aanleg van drainage, ongeacht de diepte, tenzij het gaat om het vervangen van een bestaande drainage. 2.49.
  141. Het stellen van het vereiste van een aanlegvergunning dient ingevolge artikel 3.3 van de Wro noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat een terrein minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van de daaraan bij het plan gegeven bestemming of ter handhaving en bescherming van een bij het plan gegeven en reeds verwerkelijkte bestemming. Bedoelde gronden liggen binnen de door het reconstructieplan aangeduide beschermingszones voor natte natuurparels. Het plan is onder andere gericht op het in stand houden van de natte natuurparel, waarbij ingevolge artikel 5.3.3 onderscheidenlijk artikel 6.3.3 van de planregels slechts een aanlegvergunning kan worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarde van de natuurparel. [appellant sub 27] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat verdroging van de natte natuurparel door de uitvoering van bedoelde werkzaamheden bij voorbaat kan worden uitgesloten. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat een aanlegvergunningenstelsel voor het aanleggen van drainage noodzakelijk is. 2.49.
  142. Met betrekking tot het in artikel 5.4 onderscheidenlijk artikel 6.4 van de planregels opgenomen gebruiksverbod overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de correctieve herziening van het reconstructieplan dient de bescherming van de natte natuurparels in bestemmingsplannen geregeld te worden door middel van het opnemen van een aanlegvergunningstelsel. In de correctieve herziening wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen de natte natuurparel-kern enerzijds en de natte natuurparel-attentiezone anderzijds. Het plan voorziet derhalve in een grotere bescherming voor de gronden met de aanduiding 'natte natuurparel-kern' dan waarvan in de correctieve herziening wordt uitgegaan. In dit verband heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat hij bij nader inzien wat betreft de bescherming van bedoelde gebieden ten onrechte onderscheid heeft gemaakt en dat ook met betrekking tot gebieden met de aanduiding 'natte natuurparel-kern' een aanlegvergunningstelsel op zijn plaats is. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft de artikelen 5.4 en 6.4 van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.
  143. [appellant sub 27] en anderen voeren als bezwaar aan dat in het plan wijzigingsbevoegdheden zijn opgenomen, waarmee landbouwgronden kunnen worden bestemd tot bos en natuur, zonder dat hieraan nadere voorwaarden zijn verbonden die hun belangen beschermen. Zo kan toepassing van deze wijzigingsbevoegdheden volgens hen leiden tot een vermindering van hun woongenot en belemmeringen in hun agrarische bedrijfsvoering. 2.50.
  144. De raad stelt dat bedoelde wijziging van de bestemming alleen kan plaatsvinden indien de overdracht van de grond in voldoende mate is verzekerd of heeft plaatsgevonden en indien door de wijziging de in het gebied aanwezige waarden niet worden aangetast. 2.50.
  145. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders met inachtneming van de bij het plan gegeven regels het plan kan wijzigen. De wetgever heeft hiermee beoogd met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de waarborgen van de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen. 2.50.
  146. Ingevolge artikel 5.6.3 van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch-Landschapswaarden (A-L)" te wijzigen in de bestemming "Bos (BO)", "Groen-Landschapselement (G-L)" of "Natuur (N)" ten behoeve van behoud, herstel en/of ontwikkeling van het bos, het groen en/of de natuur, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (…) b De wijziging mag pas plaatsvinden nadat de aankoop/overdracht in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden. (…) d De wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige waarden niet worden aangetast. Ingevolge artikel 6.6.4 van de planregels is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming "Agrarisch-Landschaps- en Natuurwaard

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.