(7)het berijden met of het plaatsen of aanwezig hebben van alle soorten motorvoertuigen, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. Ingevolge paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub I, mag het gebruik van de grond, anders dan voor bebouwing, en het gebruik van opstallen, strijdig met het plan op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, worden gehandhaafd. Ingevolge paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub II, is het verboden het met het plan strijdige gebruik van grond en opstallen te wijzigen, indien hierdoor de afwijking van het plan wordt vergroot. 2.2.
- Bij voornoemde uitspraak van 30 juli 2008 in zaak nr. 200707849/1 heeft de Afdeling overwogen dat, nu het ervoor moet worden gehouden dat het met het bestemmingsplan strijdige gebruik ten tijde van het besluit op bezwaar van 19 september 2006 in omvang is toegenomen, het gebruik van het perceel niet valt binnen de reikwijdte van het overgangsrecht als vervat in paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub I, van de planvoorschriften. Anders dan de Vrom-Inspectie stelt, volgt uit deze uitspraak niet dat, nu ten tijde van het besluit van 19 september 2006 geen geslaagd beroep op de beschermende werking van het overgangsrecht kon worden gedaan, een beroep op het overgangsrecht daarmee is verwerkt. Een geslaagd beroep op het in paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub I neergelegde overgangsrecht kan worden gedaan indien aannemelijk wordt gemaakt dat het strijdig gebruik, na eerdere intensivering daarvan, is teruggebracht naar het gebruik zoals dat bestond op de peildatum en verder sprake is van ononderbroken voortgezet gebruik, waarvan de aard niet is veranderd. De rechtbank heeft derhalve terecht het gebruik van het perceel ten tijde van het thans aan de orde zijnde besluit op bezwaar van 24 november 2008 vergeleken met het gebruik op de peildatum. De uitspraak van de Afdeling van 12 april 1999 in zaak nr. H01.98.1224 (AB 1999, 440) is hier, anders dan de rechtbank heeft overwogen en de Vrom-Inspectie heeft gesteld, niet van belang, omdat het in die zaak de vraag betrof of het gewijzigde gebruik een kleinere afwijking van het bestemmingsplan was en het hier gaat om de vraag of het gebruik in omvang is toegenomen. Uit een door de motorclub aan het college gerichte brief van 22 januari 2004 blijkt dat het ledenaantal sinds de peildatum van 15 februari 1994 een groei heeft doorgemaakt en niet-leden regelmatiger op het perceel zijn komen trainen. In de brief van de voorzitter van de motorclub van augustus 2010 is op grond van de gegevens van de overkoepelende Motorsport Organisatie Nederland aangetoond dat de motorclub in 1994 62 leden had. Uit de overgelegde ledenlijst van de motorclub van 2008 blijkt dat er in dat jaar 69 leden waren. In de brief van augustus 2010 is op grond van berekeningen voorts aan de hand van de totale inkomsten van trainingsgelden, zoals dat is vermeld in de boekhouding van de motorclub, aangetoond dat in 1994 per week 8 niet-leden kwamen trainen. In 2008 was dat aantal afgenomen tot afgerond 1 niet-lid per week. In de brief wordt verder geconcludeerd dat het aantal uren per week dat in 1994 en in 2008 op het perceel door leden en niet-leden werd getraind zowel in 1994 als 2008 70 was (70 motorcrossers gemiddeld 1 uur per week). Voorts is in deze brief zowel voor 1994 als voor 2008 als uitgangspunt genomen dat leden en niet-leden ieder maximaal een uur per week op het perceel trainen en dat in totaal ten hoogste 8 uur per week wordt getraind. Voorts blijkt uit overgelegde vergunningen dat in beide jaren 3 weekeinden per jaar wedstrijden plaatsvonden. Hoewel feitelijk niet meer is vast te stellen wat het exacte gebruik was, is met voornoemde stukken en het verhandelde ter zitting wel aannemelijk gemaakt dat op de peildatum circa 8 uur per week op het terrein werd getraind en dat 3 weekeinden per jaar wedstrijden plaatsvonden en dat in 2008 dit niet anders was. Ook is het totaal aantal trainingsuren per week gelijkluidend. De rechtbank heeft niet onderkend dat ondanks de eerdere intensivering van het strijdige gebruik, de motorclub aannemelijk heeft gemaakt dat het gebruik ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar van 24 november 2008 was teruggebracht tot het gebruik zoals dat bestond ten tijde van de peildatum. Het gebruik was ingevolge paragraaf IV, artikel 2, onder B/C, sub II, van de planvoorschriften derhalve toegestaan en het college was niet bevoegd handhavend op te treden. Het besluit van 24 november 2008 is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De betogen slagen. 2.
- De hoger beroepen zijn gegrond. Het college dient met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is aangevochten, een nieuw besluit te nemen. Dat houdt in dat het college een nieuw besluit dient te nemen ten aanzien van de op het perceel aanwezige bouwwerken en het gebruik van het perceel ten behoeve van crossactiviteiten. 2.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart de hoger beroepen gegrond; II. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Boekel aan de vereniging M.C. Boekel het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. F.C.M.A. Michiels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat. w.g. Van Altena w.g. Van Driel voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011 414-564.