(2009)2560 definitief) meegedeeld dat geen bezwaar bestaat tegen, kort weergegeven en voor zover hier van belang, vrijstelling van de verplichting om aan de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide te voldoen tot en met 31 december 2014 (met uitzondering van de agglomeratie Heerlen/Kerkrade) en evenmin tegen vrijstelling van de verplichting om aan de daggemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) te voldoen tot en met 10 juni
- Gelet hierop moet worden geoordeeld dat is voldaan aan de in artikel 22, eerste en tweede lid, van de richtlijn gestelde voorwaarden voor de in de beschikking van de Commissie gespecificeerde vrijstelling van de verplichting om aan de grenswaarden te voldoen. 2.9.
- Gezien het voorgaande gelden op grond van de richtlijn de grenswaarden voor de daggemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM10) vanaf 11 juni 2011 en voor de jaargemiddelde concentratie van zwevende deeltjes (PM2.5) en de jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide vanaf 1 januari
- 2.9.
- In bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn de in de richtlijn gestelde grenswaarden voor onder meer zwevende deeltjes en stikstofdioxide opgenomen. Ingevolge artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, stelt de minister van VROM (thans: Infrastructuur en Milieu) met betrekking tot de in bijlage 2 opgenomen grenswaarde die op of na het daarbij behorende tijdstip wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, een programma vast dat is gericht op het bereiken van die grenswaarde. Ingevolge het vijfde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, worden in het programma geen besluiten opgenomen indien het aannemelijk is dat deze besluiten een overschrijding of verdere overschrijding van een geldende grenswaarde tot gevolg hebben op het tijdstip waarop, met toepassing van uitstel als bedoeld in artikel 22 van de richtlijn, aan de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide moet worden voldaan. Het NSL is vastgesteld op grond van artikel 5.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Het project RW74 waarvoor het thans bestreden tracébesluit is vastgesteld, is opgenomen in het NSL. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, samen met het tweede lid, onder d, voor zover thans van belang, kan een tracébesluit dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden vastgesteld indien dit besluit betrekking heeft op een ontwikkeling die is genoemd in een op grond van artikel 5.12, eerste lid, vastgesteld programma. Ingevolge het derde lid, kort weergegeven en voor zover hier van belang, vindt wanneer artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder d, van toepassing is, met betrekking tot de effecten van het desbetreffende besluit geen afzonderlijke beoordeling van de luchtkwaliteit plaats voor de in bijlage 2 opgenomen grenswaarden. 2.9.
- Uit de hiervoor weergegeven bepalingen van de Wet milieubeheer volgt dat bij het nemen van het tracébesluit geen toetsing aan de in bijlage 2 bij die wet gestelde, aan de richtlijn ontleende, grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide behoefde plaats te vinden. Dat is niet in strijd met de richtlijn omdat - zoals is geconcludeerd onder 2.9.4 - de betrokken grenswaarden ingevolge de richtlijn en gezien de toepassing van artikel 22 van die richtlijn vanaf 11 juni 2011 respectievelijk 1 januari 2015 gelden. Als voorwaarde voor uitstel van de gelding van de grenswaarden vereist artikel 22 van de richtlijn dat, met het oog op de toekomstige gelding van die grenswaarden, door middel van een luchtkwaliteitsplan wordt aangetoond hoe na de periode van uitstel aan de grenswaarden kan worden voldaan. De richtlijn specificeert niet of en op welke wijze het luchtkwaliteitsplan in nationaal recht moet worden verankerd. In de Wet milieubeheer is in artikel 5.12 bepaald dat, kort weergegeven, het programma (lees: het luchtkwaliteitsplan) moet zijn gericht op het bereiken van de grenswaarden, en dat in het programma geen besluiten mogen worden opgenomen die een overschrijding of verdere overschrijding van de grenswaarden op het moment dat zij gaan gelden tot gevolg hebben. Verder voorziet artikel 5.14 in jaarlijkse rapportages over de voortgang en uitvoering van het programma, en is in artikel 5.12, tiende lid, een bevoegdheid van de minister om het programma aan te passen indien deze rapportages daartoe aanleiding geven en in het twaalfde lid een bevoegdheid van bestuursorganen om het programma aan te passen opgenomen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat deze wettelijke bepalingen in strijd zijn met artikel 22 van de richtlijn. 2.9.
- De Afdeling is gezien het voorgaande van oordeel dat de toepassing van het wettelijk systeem in de thans aan de orde zijnde situatie, waarin bij het nemen van het tracébesluit de grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide nog niet gelden, niet in strijd is met de richtlijn. Of, zoals GTS stelt, de in artikel 5.16, derde lid, van de Wet milieubeheer geregelde uitsluiting van een toetsing aan deze grenswaarden in strijd met de richtlijn komt op het moment dat de grenswaarden gaan gelden, is hier niet aan de orde. 2.
- [appellant sub 2] en GTS hebben vervolgens een aantal gronden aangevoerd die er toe strekken - kort weergegeven - dat geen juiste toepassing is gegeven aan de in de Wet milieubeheer opgenomen bepalingen over het NSL. [appellant sub 2] betoogt dat het tracébesluit wat het aspect luchtkwaliteit betreft ondeugdelijk is onderbouwd, omdat de minister met het laten opstellen van het rapport 'Aanvullende analyse Rijksweg 74 Venlo, NSL systematiek' van Goudappel Coffeng van 20 juli 2010 (hierna: de aanvullende analyse) zou erkennen dat de zogenoemde Saneringstool NSL geen juiste uitkomsten geeft. Hij heeft in zijn beroepschrift op een aantal punten kritiek op de in de aanvullende analyse gebruikte verkeersgegevens en andere uitgangspunten. Ook GTS bestrijdt de uitkomsten van de aanvullende analyse. Volgens haar had bij het nemen van het tracébesluit door middel van onderzoek moeten worden aangetoond dat met het NSL aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit zal worden voldaan. GTS stelt verder onder meer dat inmiddels duidelijk is dat van hogere verkeersprognoses moet worden uitgegaan, dan de prognoses die bij het vaststellen van het NSL zijn gehanteerd. Zij betoogt in dit verband verder dat de zogenoemde monitoringstool, die wordt gebruikt om te beoordelen of de doelstellingen van het NSL worden gehaald, volgens een rapport van het RIVM "Nulmeting van het NSL monitoringsprogramma" op dit moment onzekere uitkomsten geeft. In haar nadere stukken heeft zij verder gewezen op het rapport van het RIVM "Monitoringsrapportage NSL - stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit 2010" (hierna: de monitoringsrapportage 2010), waarin is geconcludeerd dat de met de huidige monitoringstool berekende prognoses voor 2015 hogere stikstofdioxide concentraties vertoont dan zoals deze in de (bij het opstellen van het NSL gebruikte) saneringstool zijn bepaald. Verder is volgens GTS ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat een berekening van luchtkwaliteit gepaard gaat met een onzekerheidsmarge en is volgens haar niet zeker dat op 2015 aan de grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2.5) kan worden voldaan. 2.10.
- In haar uitspraak van 31 maart 2010, in zaak nr. 200900883/1/H1, heeft de Afdeling overwogen dat een exceptieve toetsing van het NSL-besluit aan artikel 5.12 van de Wet milieubeheer mogelijk is. Concreet betekent dit, dat moet worden beoordeeld of het NSL overeenkomstig het eerste lid van dit artikel is gericht op het bereiken van grenswaarden die worden of dreigen te worden overschreden en of er overeenkomstig het vijfde lid van dit artikel geen besluiten in zijn opgenomen waarvan aannemelijk is dat deze na afloop van de uitsteltermijn leiden tot een overschrijding of verdere overschrijding van de grenswaarden waarvoor met toepassing van artikel 22 van de richtlijn uitstel is verkregen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 januari 2011 in zaak nr. 200901660/1/M3, brengt het enkele feit dat de uitgangspunten die bij het opstellen van het NSL zijn gebruikt, gedurende de looptijd van het programma mogelijkerwijs bijstelling behoeven, niet met zich dat het programma in strijd is met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer. Zo lang uitvoering wordt gegeven aan de onder 2.9.6 genoemde bepalingen van de Wet milieubeheer, kan niet worden geoordeeld dat het plan in strijd is met artikel 5.
- 2.10.
- Dat blijkens het RIVM rapport "Nulmeting van het NSL monitoringsprogramma" de uitkomsten van de monitoringstool onzekerheden kennen, leidt de Afdeling niet tot het oordeel dat gehandeld is in strijd met de wettelijke bepalingen over het NSL. Dat, zoals GTS heeft opgemerkt, de berekening van onder meer luchtkwaliteit een onzekerheidsmarge kent, geeft evenmin aanleiding voor dat oordeel. Een beoordeling van de toekomstige situatie aan de hand van prognoses en berekeningen brengt uit de aard der zaak mee dat onzekerheidsmarges optreden. 2.10.
- Voor zover GTS erop wijst dat blijkens de monitoringsrapportage 2010 hogere concentraties stikstofdioxide optreden dan bij het opstellen van het NSL was geprognotiseerd, overweegt de Afdeling dat de minister naar aanleiding van die bevindingen op 6 december 2010 een melding als bedoeld in artikel 5.12, twaalfde lid, heeft gedaan waarin onder meer extra stikstofdioxide-reducerende maatregelen (schermen) aan het NSL zijn toegevoegd om de door deze hogere prognoses ontstane knelpunten op te lossen. Bij het tracé van RW74 doen zich echter geen knelpunten voor en zijn dus geen extra maatregelen in het NSL opgenomen. Reeds daarom is er in zoverre geen grond voor het oordeel dat wat de omgeving van het tracé betreft geen juiste uitvoering aan de wettelijke bepalingen over het NSL is gegeven. 2.10.
- Met betrekking tot de omgeving van het tracé waarop het thans bestreden tracébesluit betrekking heeft, heeft de minister met de aanvullende analyse gecontroleerd of een knelpunt zou ontstaan met betrekking tot de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) of stikstofdioxide in 2011 respectievelijk 2015, indien niet wordt uitgegaan van de standaard in de monitoringstool gebruikte verkeersprognoses op grond van het LMS, maar de hoger uitvallende prognoses op grond van het NRM. Dat blijkt niet het geval te zijn. De aanvullende analyse is een aan de laatste inzichten aangepaste versie van een eerder in verband met het tweede ontwerp-besluit opgestelde analyse van 13 november
- De minister heeft in zijn verweerschrift onder 4.4.1 en 4.4.2 aannemelijk gemaakt dat de door [appellant sub 2], onder verwijzing naar met betrekking tot de aanvullende analyse van 13 november 2009 naar voren gebrachte opmerkingen van het bureau Blauw, aangevoerde argumenten geen aanleiding geven voor het oordeel dat de aanvullende analyse niet op juiste wijze tot stand is gekomen. Gezien de aanvullende analyse is niet aannemelijk geworden dat het project RW74 in strijd met artikel 5.12, vijfde lid, van de Wet milieubeheer in het NSL is opgenomen, noch dat er ten tijde van het nemen van het tracébesluit aanleiding had moeten zijn om het NSL met toepassing van één van de in de artikelen 5.12 en 5.14 genoemde bevoegdheden aan te passen vanwege de te verwachten luchtkwaliteit rondom het tracé in kwestie. 2.10.
- Wat betreft de per 1 januari 2015 geldende grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2.5) heeft de minister ter zitting gewezen op het door het Planbureau voor de Leefomgeving uitgegeven rapport "PM2.5 in the Netherlands" uit 2007, waarin is vermeld dat wanneer aan de daggemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10) van 50 microgram per kubieke meter (niet vaker dan 35 keer per kalenderjaar te overschrijden) wordt voldaan, eveneens wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2.5) van 25 microgram per kubieke meter. Hetgeen naar voren is gebracht geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze constatering. Nu het NSL is gericht op het per 11 juni 2011 bereiken van de daggemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM10), is er geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich niet op goede gronden op het standpunt stelt dat er thans geen dreigende overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarde voor zwevende deeltjes (PM2.5) in 2015 is, zodat het evenmin noodzakelijk is om in dit opzicht in het NSL te voorzien in aanvullende maatregelen. 2.10.
- Hetgeen appellanten hebben aangevoerd geeft ook overigens geen grond voor het oordeel dat het NSL in strijd is met artikel 5.12 van de Wet milieubeheer. Het project RW74 waarvoor het thans bestreden tracébesluit is vastgesteld, is opgenomen in het NSL. Nu een exceptieve toetsing van het NSL aan artikel 5.12 van de Wet milieubeheer niet tot de conclusie leidt dat het NSL onrechtmatig is, volgt uit artikel 5.16 van die wet dat geen afzonderlijke toetsing aan de in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide hoeft plaats te vinden. Deze grenswaarden vormen dus geen beletsel om het tracébesluit vast te stellen. Geluid (onderzoek en hogere waarden) 2.
- [appellant sub 2] betoogt dat in het geluidonderzoek ten onrechte is uitgegaan van het jaar 2009 als referentiejaar voor de bestaande situatie, en niet het jaar
- Bovendien betwijfelt hij of in de berekeningen had mogen worden uitgegaan van de plaatsing van een geluidscherm op de Zuiderbrug. Het is volgens hem niet zeker dat dit scherm uit constructief oogpunt geplaatst kan worden. GTS betoogt dat de geluidberekeningen niet juist zijn, omdat van verkeerde verkeersprognoses is uitgegaan en omdat mogelijk onvoldoende rekening is gehouden met geluidweerkaatsing door geluidschermen op de Zuiderbrug. [appellant sub 10] heeft ter zitting gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met zogenoemd laagfrequent geluid dat zich met name bij vrachtverkeer zou voordoen. 2.11.
- De minister wijst er in reactie op het betoog van [appellant sub 2] over het referentiejaar op dat in het geluidonderzoek is gekozen om voor het referentiejaar voor de bestaande situatie uit te gaan van het jaar 2009, omdat dit het jaar is voordat met de start van de werkzaamheden ter aanleg van het tracé wordt begonnen. Dit is naar het oordeel van de Afdeling geen onjuist uitgangspunt. 2.11.
- Wat het geluidscherm op de Zuiderbrug betreft, heeft [appellant sub 2] als nader stuk een rapport van de TU Delft ingebracht, gedateerd 3 december 2010, waarin op basis van bestudering van een voorontwerp van het scherm is geconcludeerd dat aan de hand van de daarin opgenomen berekeningen niet is aangetoond dat een scherm van 8 m hoog constructief veilig op de rand van de brug kan worden aangebracht. In reactie hierop heeft de minister een rapport van Wagenmaker, gedateerd 11 februari 2011, in het geding gebracht. Daarin is, kort weergegeven, geconcludeerd dat de Zuiderbrug sterk genoeg is om het scherm te plaatsen, op voorwaarde dat de oplegging bij steunpunt 2 wordt aangepast. Het aanpassen van dat steunpunt is, zo wordt in het rapport van Wagenmaker geconcludeerd, technisch gezien mogelijk en relatief eenvoudig uitvoerbaar. De Afdeling stelt voorop dat het tracébesluit wel een beslissing inhoudt over de plaatsing van het geluidscherm, maar geen beslissing over de exacte uitvoering van het geluidscherm. Ter beoordeling staat thans slechts of de minister er bij het nemen van het tracébesluit en het daarvoor opgestelde geluidrapport op goede gronden van is uitgegaan dat plaatsing van dit scherm technisch gezien mogelijk is. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is, terwijl die technische mogelijkheid is bevestigd in het rapport van Wagenmakers. 2.11.
- Voor zover GTS betoogt dat in het geluidonderzoek van onjuiste verkeersprognoses is uitgegaan, overweegt de Afdeling dat, zoals zij onder 2.4.2 heeft geoordeeld, er geen grond is voor het oordeel dat de bij het nemen van het tracébesluit gebruikte verkeersprognoses onjuist zijn. 2.11.
- Voor zover GTS betwijfelt of in het geluidonderzoek rekening is gehouden met geluidweerkaatsing van geluidschermen, heeft de minister in het verweerschrift uiteengezet dat hiermee rekening is gehouden. Er is geen grond om te twijfelen aan de juistheid van dit standpunt. 2.11.
- Voor zover [appellant sub 10] heeft gewezen op het zogenoemde laagfrequente geluid van vrachtverkeer, overweegt de Afdeling dat in het Reken- en meetvoorschrift 2006 is bepaald op welke wijze de waarde van de geluidsbelasting vanwege een weg in geluidonderzoek ten behoeve van de toepassing van de Wet geluidhinder moet worden vastgesteld. Er is geen grond om aan te nemen dat de door het vrachtverkeer veroorzaakte geluidsbelasting niet overeenkomstig de in het Reken- en meetvoorschrift 2006 gestelde regels is vastgesteld. 2.11.
- Gezien het voorgaande geeft hetgeen [appellant sub 2], GTS en [appellant sub 10] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte heeft gebaseerd op (de uitkomsten van) het geluidonderzoek. 2.
- [appellant sub 2] betoogt dat bij het tracébesluit voor de verkeerde appartementen in de zogenoemde Molenbossenflats hogere waarden op grond van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld. Verder hebben volgens hem - zo begrijpt de Afdeling het beroep - niet alle bewoners van de flats waarvoor een hogere waarde is vastgesteld, daarvan bericht gekregen. GTS betoogt dat de vaststelling van de hogere waarden voor het geluidniveau ondeugdelijk is onderbouwd, omdat vaststelling van deze waarden niet nodig zou zijn wanneer voor de Klagenfurtvariant zou zijn gekozen, en omdat niet inzichtelijk is gemaakt waarom de kosten voor een hoger geluidscherm op de Zuiderbrug niet kunnen worden gemaakt. 2.12.
- Bij het tracébesluit zijn op basis van het geluidonderzoek voor een aantal appartementen in de Molenbossenflats aan de zijde van de A73 krachtens de Wet geluidhinder hogere waarden voor de toelaatbare geluidsbelasting vanwege de A73 gesteld. [appellant sub 2] heeft niet duidelijk gemaakt waarom voor deze appartementen ten onrechte een hogere waarde zou zijn vastgesteld. Verder heeft hij evenmin duidelijk gemaakt welke bewoners van appartementen in de Molenbossenflats waarvoor een hogere waarde is gesteld, daarvan geen mededeling hebben ontvangen. Deze beroepsgronden falen. 2.12.
- In het geluidonderzoek is beargumenteerd weergegeven welke geluidsreducerende maatregelen doelmatig worden geacht, welke geluidsbelasting na het treffen van deze maatregelen optreedt en voor welke woningen in verband met het tracébesluit een hogere waarde voor de toegestane geluidsbelasting vanwege de A73 en RW74 moet worden vastgesteld. Bij de afweging van de doelmatigheid van de geluidsreducerende maatregelen speelt, anders dan GTS betoogt, geen rol dat een alternatief tracé mogelijk is. De afweging is erop gericht om, gegeven een bepaald tracé, te beoordelen in hoeverre geluidsreducerende maatregelen voor dat tracé moeten worden getroffen. Ten aanzien van het geluidscherm op de Zuiderbrug is in het geluidrapport en de daarbij behorende bijlagen weergegeven om welke redenen is gekozen voor een 8 m hoog scherm. GTS heeft geen inhoudelijke redenen aangevoerd waarom deze keuze ondeugdelijk is gemotiveerd. Ook voor het overige ziet de Afdeling in hetgeen door GTS naar voren is gebracht, geen aanleiding om aan te nemen dat de beoordeling van de door de A73 en RW74 veroorzaakte geluidsbelasting van de woningen, van de doelmatigheid van de te treffen geluidsreducerende maatregelen en van de vast te stellen hogere geluidswaarden, niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. Inpassing bij steilrand 2.
- GTS betoogt - zo moet het beroep gezien haar nadere stukken worden begrepen - dat RW74 onvoldoende in de omgeving wordt ingepast, omdat deze weg volgens haar gezien de ligging van het vastgestelde tracé bij de zogenoemde steilrand niet conform artikel 8, vierde lid, van het tracébesluit verdiept wordt aangelegd. 2.13.
- In artikel 8, vierde lid, van het tracébesluit is vermeld dat RW74 vanaf de steilrand (km 101.07) richting Duitse grens verdiept wordt aangelegd om deze aan het zicht te onttrekken. In de bij het tracébesluit behorende kaarten van het desbetreffende tracégedeelte zijn twee dwarsprofielen 6 en 7 aangeduid, met een verdiepte ligging van RW
- De kaarten duiden niet aan dat het tracégedeelte op andere plaatsen niet verdiept zal worden aangelegd. Het betoog van GTS dat het op de kaarten bij het tracébesluit vastgestelde tracé in strijd met artikel 8, vierde lid, van het tracébesluit bij de zogenoemde steilrand niet verdiept is, mist gelet hierop feitelijke grondslag. Ecologische hoofdstructuur en natuurcompensatie 2.
- GTS betoogt dat door de aanleg van RW74 een doorgaande noord-zuid-verbinding binnen de ecologische hoofdstructuur nagenoeg onmogelijk wordt. Ter zitting heeft zij er in dit verband op gewezen dat door de op RW74 aansluitende Duitse infrastructuur de laatste mogelijkheid wegvalt om een (volgens GTS te prefereren) doorgaande ecologische verbinding op het Duitse grondgebied te realiseren. 2.14.
- De Afdeling constateert dat het tracébesluit voorziet in de aanleg van twee faunapassages om de ter plaatse gelegen onderdelen van de ecologische hoofdstructuur te verbinden. GTS heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze passages als zodanig niet functioneren. De beslissing om het aansluitende Duitse grondgebied niet te gebruiken als een ecologische verbindingszone, maar als infrastructuur, is niet aan de minister maar aan de Duitse overheid. De minister heeft wat dit betreft deze beslissing van de Duitse overheid bij het nemen van het tracébesluit als een gegeven mogen beschouwen. 2.
- GTS betoogt dat het Tracébesluit in strijd is met rijksbeleid als neergelegd in paragaaf 3.3.5.3 van de Nota Ruimte, omdat natuurcompensatie niet in alle gevallen in de nabijheid van het tracé plaatsvindt. Volgens GTS is dichterbij compensatie mogelijk in een gebied waar voorheen een camping was gevestigd. 2.15.
- In de bedoelde paragraaf van de Nota Ruimte is vermeld, kort weergegeven en voor zover hier van belang, dat compensatie van aantasting van gebied van de ecologische hoofdstructuur (EHS-gebied) aansluitend of nabij het gebied plaatsvindt, tenzij fysieke compensatie aansluitend of nabij het gebied onmogelijk is. Dan mag compensatie plaatsvinden door de realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden, of door fysieke compensatie verder weg van het aangetaste gebied. 2.15.
- De minister betoogt, kort weergegeven, dat het terrein van de voormalige camping niet binnen de zogenoemde provinciale ontwikkelingszone groen ligt, en daarom niet geschikt is voor compensatie. Volgens de minister zijn de in artikel 10 van het tracébesluit aangewezen compensatiegebieden het meest geschikt voor compensatie. Hetgeen GTS aanvoert geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de invulling van het compensatiegebied in het tracébesluit, in strijd is met de in de Nota Ruimte neergelegde uitgangspunten. Beroep VieCuri 2.
- VieCuri exploiteert een ziekenhuis op ongeveer 300 meter afstand van de A
- Zij betoogt dat het tracé niet had mogen worden vastgesteld vanwege een verslechtering van de externe veiligheid bij het ziekenhuis. Zij verwacht deze verslechtering vanwege een toename van het vervoer van gevaarlijke stoffen op de A
- Volgens haar is onvoldoende aandacht geschonken aan het vervoer van gevaarlijke stoffen op RW74, de Maas en de zogenoemde Brabantroute. 2.16.
- De minister heeft bij de beoordeling van de externe veiligheid de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: de circulaire risiconormering) tot uitgangspunt genomen. Uit de circulaire risiconormering volgt, kort weergegeven en voor zover hier van belang, dat bij een nieuwe situatie - zoals hier - het plaatsgebonden risico bij kwetsbare objecten kleiner dan 10-6 per jaar moet zijn, en dat het bestuursorgaan bij het nemen van het besluit verantwoording moet afleggen wanneer het groepsrisico boven de in de circulaire gegeven oriëntatiewaarden ligt of wanneer het groepsrisico toeneemt. 2.16.
- Aan het tracébesluit is het rapport "Externe veiligheid Rijksweg A74" van Oranjewoud, gedateerd 15 juli 2010, ten grondslag gelegd. In het onderzoek dat geleid heeft tot dit rapport zijn de gevolgen voor de externe veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen op zowel de A73 als op RW74 betrokken. Voor zover VieCuri wijst op de gevolgen voor de externe veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen op de Maas en de zogenoemde Brabantroute, overweegt de Afdeling dat deze transportroutes geen onderdeel zijn van het tracébesluit, en gelet daarop terecht niet zijn betrokken bij het onderzoek naar de externe veiligheid. VieCuri heeft haar stelling dat de routering van gevaarlijke stoffen over RW74 in strijd is met het uitgangspunt van de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen dat dergelijke vervoersstromen niet tegen bestaande infrastructuur mogen worden aangelegd, niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet van de uitkomsten van het onderzoek van Oranjewoud heeft mogen uitgaan. 2.16.
- In het rapport is berekend dat het plaatsgebonden risico buiten het tracé van de A73 en RW74 in alle gevallen kleiner is dan 10-6 per jaar. In zoverre wordt voldaan aan deze in de circulaire risiconormering genoemde grenswaarde. Verder is in het rapport berekend dat het groepsrisico langs het tracé op een aantal plaatsen weliswaar toeneemt, maar dat dit risico in alle gevallen ruim onder de oriëntatiewaarden uit de circulaire risiconormering blijft. Gelet op de toename van het groepsrisico, heeft de minister bij het nemen van zijn besluit invulling gegeven aan de in de circulaire risiconormering genoemde verantwoording door middel van het rapport 'Verantwoording GR RW 74' van 14 juni
- In dit rapport is uiteengezet waarom de minister het groepsrisico aanvaardbaar vindt. VieCuri heeft geen concrete argumenten aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de minister zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. 2.16.
- VieCuri heeft zich, afgezien van haar betoog over de veiligheid, in het beroepschrift beperkt tot een verwijzing naar de door haar over het ontwerp-tracébesluit naar voren gebrachte zienswijzen. Bij het tracébesluit (bijlage 16: Nota van Antwoord) heeft de minister zijn reactie daarop gegeven. Vie Curi heeft in het beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist is. Beroep Fun Forest 2.
- Fun Forest exploiteert een klimpark te Tegelen, in de nabijheid van het tracé. Ter zitting heeft zij haar beroep beperkt tot drie onderwerpen. Ten eerste is zij van oordeel dat het van belang is dat zo veel mogelijk bomen in de omgeving van het klimpark worden behouden. Zij betoogt verder dat - zo begrijpt de Afdeling het beroep - de geluidsbelasting ter plaatse van het klimpark met het oog op de beleving van het klimmen zo laag mogelijk moet zijn. Tot slot moet volgens Fun Forest de grondwaterstand niet veranderen. 2.17.
- De minister heeft in het verweerschrift uiteengezet dat bij de beslissing om bomen te kappen zo veel als mogelijk rekening is en wordt gehouden met de bedrijfsbelangen van onder meer Fun Forest. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre bij het nemen van het tracébesluit onvoldoende de belangen van Fun Forest heeft betrokken. De minister heeft, wat het geluid betreft, er ter zitting op gewezen dat het klimpark geen geluidgevoelige bestemming is, zodat er voor het klimpark ingevolge de Wet geluidhinder geen in acht te nemen waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege RW74 gelden. De minister is van oordeel dat de ter plaatse optredende geluidsbelasting - die vanwege de toepassing van onder meer stil asfalt beperkt zal zijn - geen reden is om aanvullende geluidsreducerende maatregelen te treffen. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister zich niet op dit, door Fun Forest niet met concrete argumenten bestreden, standpunt mocht stellen. Voor zover Fun Forest tot slot betoogt dat de grondwaterstand niet mag veranderen, merkt de Afdeling op dat - zoals de minister in het verweerschrift heeft uiteengezet - de aanleg van het tracé geen invloed heeft op de grondwaterstand. Beroep [appellant sub 5] 2.
- Het beroep van [appellant sub 5] heeft, gezien het verhandelde ter zitting, met name betrekking op zijn vrees voor geluidsbelasting, externe veiligheid en luchtverontreiniging bij zijn in de omgeving van het tracé gelegen woning. In de toelichting op het tracébesluit, de bij het tracébesluit behorende rapporten - waaronder het geluidrapport en de onder 2.16.2 en 2.16.3 genoemde rapporten met betrekking tot de externe veiligheid - en de reactie op de over het ontwerp-tracébesluit ingebrachte zienswijzen (Nota van Antwoord) is uitgebreid uiteengezet waarom deze aspecten naar de mening van de minister niet aan het nemen van het tracébesluit in de weg staan. [appellant sub 5] heeft geen concrete argumenten aangevoerd op grond waarvan de Afdeling zou moeten oordelen dat de minister zich niet op dit standpunt mocht stellen. Beroep [appellante sub 6] 2.
- [appellante sub 6] exploiteert drie tankstations nabij de grens met Duitsland. Zij stelt dat door het wegvallen van het verkeer van en naar Duitsland op het onderliggende wegennet - met name het vrachtverkeer - een sluitende exploitatie van die tankstations niet meer mogelijk is. Volgens haar is onvoldoende onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om in de gewijzigde situatie de tankstations te exploiteren. Verder heeft de minister volgens haar - zo begrijpt de Afdeling het beroep - onvoldoende inzicht in de wijze waarop BAB61 zal aansluiten op de zogenoemde Keulse Barrière. Hierdoor zou volgens haar mogelijk (opnieuw) een verkeersprobleem ontstaan vanwege het verkeer van Duitsland naar Venlo. 2.19.
- De minister heeft in het verweerschrift erop gewezen dat met [appellante sub 6] overleg is gevoerd over de problematiek met de tankstations. Er is geen grond om aan te nemen dat de minister bij het nemen van het tracébesluit over onvoldoende kennis beschikte over de relevante feiten met betrekking tot deze tankstations. 2.19.
- Zoals onder 2.5.2 is uiteengezet, is een van de redenen om RW74 aan te leggen gelegen in het belang om het (vracht)verkeer van en naar Duitsland niet meer af te wikkelen via het daarvoor minder geschikte onderliggende wegennet, maar via een autosnelweg. Het ontlasten van het onderliggende wegennet van het (vracht)verkeer van en naar Duitsland heeft uit de aard der zaak gevolgen voor de exploitatie van de tankstations van [appellante sub 6] langs dit wegennet. [appellante sub 6] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de minister geen groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij het ontlasten van het onderliggende wegennet, dan aan het belang van [appellante sub 6] bij de exploitatie van de tankstations. Hierbij merkt de Afdeling op dat artikel 20d van de Tracéwet voorziet in een regeling voor nadeelcompensatie. 2.19.
- Voor zover [appellante sub 6] betoogt dat de minister onvoldoende inzicht heeft in de huidige en toekomstige verkeerssituatie in en rond Venlo als gevolg van het verkeer naar Duitsland, overweegt de Afdeling dat zij onder 2.4.2 heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om ervan uit te gaan dat de gebruikte verkeersprognoses onjuist zijn. Het niet met concrete argumenten onderbouwde betoog van [appellante sub 6] over de toekomstige verkeerssituatie, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Beroepen [appellant sub 7] 2.
- Appellanten [appellanten sub 7], [appellanten sub 8], en [appellanten sub 9], worden hierna tezamen en in enkelvoud aangeduid als: [appellant sub 7]. 2.
- [appellant sub 7] betoogt allereerst - in de kern weergegeven - dat in het tracébesluit onvoldoende is gemotiveerd op welke plaatsen geluidschermen worden geplaatst en welke waarborgen er wat betreft luchtkwaliteit zijn. Zij nemen geen genoegen met de toelichting op het tracébesluit. In onder meer de toelichting op het tracébesluit, de Trajectnota/MER, het geluidrapport en de Nota van Antwoord is het standpunt van de minister over het treffen van geluidreducerende voorzieningen en luchtkwaliteit uiteengezet. De niet nader onderbouwde stelling van [appellant sub 7] dat hij daarmee geen genoegen neemt, geeft geen grond voor het oordeel dat het tracébesluit op deze punten ondeugdelijk is gemotiveerd. 2.
- [appellant sub 7] heeft verder betoogd dat bij wijze van nadeelcompensatie vanwege onder meer omrijschade een aantal in de beroepschriften nader gespecificeerde bedragen moet worden vergoed. Artikel 20d van de Tracéwet biedt de minister de mogelijkheid om op verzoek van een benadeelde bij afzonderlijk besluit schade als gevolg van het tracébesluit te vergoeden. Of en in welke mate bij dat besluit schade moet worden vergoed, komt pas aan de orde bij een bezwaar- en beroepsprocedure over zo'n besluit. Het betoog van [appellant sub 7] over schade heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het tracébesluit, waarover de huidige procedure gaat. 2.
- Voor zover [appellant sub 7] tot slot ter zitting heeft betoogd dat in de Nota van Antwoord niet op zijn ingebrachte zienswijze met bevestigingsnummer 352 is gereageerd, overweegt de Afdeling dat dit betoog berust op een misverstand. De zienswijze van [appellant sub 7] is niet geregistreerd onder nr. 352, maar onder nr.
- In de Nota van Antwoord is op deze zienswijze gereageerd. Conclusie 2.
- De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat. w.g. Van Diepenbeek w.g. Van der Zijpp voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 27 april 2011 262.