(4)'. De nokhoogte mocht op grond van artikel 3, eerste lid van de planvoorschriften van dat plan maximaal 4 meter afwijken van de goothoogte. Op grond van hetgeen onder a van dit voorschrift was opgenomen mocht tot ten hoogste 10% van de aangegeven bouwhoogte worden afgeweken. Derhalve was op het perceel een woning toegestaan met een maximale nokhoogte van 8,40 meter. In zoverre wijkt de maximaal toegestane bouwhoogte van 8,5 meter voor de voorziene woning niet in betekenende mate af van hetgeen in het vorige plan was toegestaan. Wat betreft de oppervlakte en de vormgeving van het bouwvlak wijst de raad in het nadere stuk op de gevellengtes van de woningen in de directe omgeving. Deze variëren van 10 tot 18 meter voor de voorgevels en 11 tot 19 meter voor de zijgevels. Daarnaast wijst de raad op de beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel vanwege de aanwezigheid van een sloot. In het plan is volgens de raad voorzien in een ruime voortuin met een diepte van 6 meter, hetgeen het groene karakter van de omgeving in stand houdt, terwijl de voorziene woning zorgt voor meer continuïteit in de lintbebouwing. De Afdeling is gelet op vorenstaande van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het bouwvlak met de toegestane bouwhoogte, de oppervlakte en de vormgeving niet onaanvaardbaar is. Hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. 2.4.
- De afstand van het bouwvlak tot de woning van [appellant sub 2] bedraagt 8 meter. De raad stelt in het nadere stuk dat hoewel deze afstand afwijkt van de woningen in de directe omgeving, een dergelijke afstand voldoende is om het vrijstaande karakter van de woningen te waarborgen. Daarbij wijst hij erop dat een onderlinge afstand van 6 meter tussen vrijstaande hoofdgebouwen doorgaans gebruikelijk is. Voorts heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat door de situering van de voorziene woning de tuinen niet aan elkaar zullen grenzen en dat geen sprake zal zijn van schaduwwerking op het perceel van [appellant sub 2] vanwege de voorziene woning. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens met [appellant sub 2], onaanvaardbaar is. Wat betreft het verlies van zijn vrije uitzicht en de aantasting van zijn privacy wordt overwogen dat op grond van het vorige plan eveneens een woning was toegestaan. Ook de door [appellant sub 2] aangedragen alternatieven leveren een vergelijkbare beperking van zijn uitzicht en privacy op. Evenmin ziet de Afdeling aanleiding te oordelen dat het plan vanwege de afstand tot de perceelsgrens van [appellant sub 1] onaanvaardbaar is. Bij dit oordeel wordt betrokken dat het bouwvlak op 5 meter afstand uit het hart van de sloot, tevens de perceelsgrens met [appellant sub 1], is geprojecteerd, terwijl voorts de afstand tot de woning van [appellant sub 1] 15 meter bedraagt. 2.4.
- Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. 2.
- In hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 1] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van staat. w.g. Hagen w.g. Troost lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2011 234-608.