201011349/1/V1. Datum uitspraak: 30 mei 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister voor Immigratie en Asiel (hierna: de minister), appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2010 in zaak nr. 10/2087 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de minister van Justitie (lees: de minister). 1. Procesverloop Bij besluit van 17 december 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 28 oktober 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 november 2010, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de overwegingen wordt onder de minister tevens verstaan diens rechtsvoorgangers. 2.2. In de enige grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn enkele constatering dat de vreemdeling niet in staat is gebleken meer plaatsen in de buurt van zijn gestelde geboorte- en woonplaats te benoemen, niet toereikend kan worden geacht om zijn gehele herkomst als onaannemelijk te beoordelen en een inhoudelijke beoordeling van zijn asielrelaas achterwege te laten. De minister voert hiertoe, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, aan dat de rechtbank heeft miskend dat het niet noemen van nabije plaatsen reeds voldoende is voor de conclusie dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht mist. 2.2.1. Bij de beoordeling van het asielrelaas door de minister gaat het meestal niet om de vraag of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die een vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. Een vreemdeling is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven. Om een vreemdeling, waar dat probleem zich voordoet, tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 – in welke bepaling artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) nader is uitgewerkt – dat de minister de verklaringen van de desbetreffende vreemdeling en de daarin gestelde feiten geloofwaardig acht, indien deze aan de in eerstgenoemde bepaling vermelde vereisten heeft voldaan. Aan die vereisten zal een vreemdeling in de regel niet voldoen, indien zich een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet. In dat geval zal voor de minister volgens paragraaf C14/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van de verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten alsnog geloofwaardig te achten. 2.2.2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister terecht artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing heeft geacht. Nu de vreemdeling geen hoger beroep heeft ingesteld, staat dat oordeel in rechte vast. Van het asielrelaas dient derhalve positieve overtuigingskracht uit te gaan. 2.2.3. De vreemdeling heeft gesteld dat hij afkomstig is uit Afmadow in Zuid Somalië. Op de in het eerste gehoor gestelde vraag welke kleine plaatsen in de buurt van Afmadow liggen, heeft de vreemdeling drie plaatsen genoemd, waarvan slechts de plaats Hayo in de omgeving van Afmadow ligt. In aanmerking genomen dat uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt (uitspraak van 11 december 2009 in zaak nr. 200904257/1/V1; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.