(1977)was aan het bestreden plandeel de bestemming "Landschappelijk waardevol landbouwgebied" toegekend, op basis waarvan voor het planten van houtopstanden of bomen geen aanlegvergunning nodig was. Onder het regime van dat bestemmingsplan is mondeling toestemming gegeven voor de aanplant van ongeveer acht bomen. Het gebruik van de grond voor deze bomen is derhalve toegestaan. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het bestreden plandeel de bestemming "Waardevol agrarisch gebied" toegekend. Voor het bebossen van gronden met nieuwe houtopstanden of bomen was op basis van dat plan een aanlegvergunning nodig. Vast staat dat na inwerkingtreding van het voorheen geldende bestemmingsplan bomen zijn geplant zonder de vereiste aanlegvergunning. Dit strijdige gebruik is door het gemeentebestuur gewraakt. In de brieven van het gemeentebestuur wordt de eigenaar van de grond gevraagd de illegale aanplant te verwijderen onder de aankondiging dat zo nodig handhavend zal worden opgetreden. 2.30.
- Gelet op deze voorgeschiedenis heeft de raad aan de wijziging van de bestemming van het bestreden plandeel geen deugdelijke motivering ten grondslag gelegd. De raad heeft niet gemotiveerd waarom in dit geval wordt afgeweken van het beleid inzake het tegengaan van ongewenste beplanting en het behoud van een open karakter van het essenlandschap. Niet ontkend kan worden dat de openheid van het landschap wordt aangetast door de bomen op het bestreden plandeel. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.28.3 en 2.28.4 behoeft de beroepsgrond ten aanzien van de schuilgelegenheid geen bespreking meer. 2.30.
- In hetgeen [appellant sub 15] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel tussen de Wolterskampweg en de Esweg te Nijverdal met de bestemming "Groen-Landschapselement" niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 19] 2.
- [appellant sub 19] betoogt dat de raad ten onrechte het motorcrossterrein aan de Koetreeweg te Hellendoorn als zodanig heeft bestemd. Hij voert aan dat de ligging van het motorcrossterrein in de EHS niet wenselijk is en inbreuk maakt op de aanwezige waarden in het gebied. Voorts stelt [appellant sub 19] dat ondanks een verzoek tot handhaving nimmer handhavend is opgetreden tegen de aanwezige bouwwerken op het terrein. Deze worden nu ten onrechte ook als zodanig bestemd. Daarnaast voert hij aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar alternatieve locaties. [appellant sub 19] betoogt dat hij geluidoverlast ondervindt van het gebruik van het motorcrossterrein. De geluidbelasting van de activiteiten van de motorclub zijn volgens hem onvoldoende onderzocht. Tot slot stelt [appellant sub 19] dat hij door het bestemmen van het motorcrossterrein financiële schade lijdt. Hij voert aan dat de waarde van zijn woning bij verkoop ervan lager zal zijn. 2.31.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de EHS niet in gevaar wordt gebracht door het motorcrossterrein. Het motorcrossterrein is volgens de raad sedert de jaren '60 van de vorig eeuw als zodanig in gebruik en dit gebruik wordt beschermd door het overgangsrecht van het voorheen geldende bestemmingsplan. De raad acht het niet wenselijk om het gebruik nogmaals onder het overgangsrecht te brengen. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat er geen alternatieve locaties zijn gevonden voor het motorcrossterrein. 2.31.
- Het gebruik van het motorcrossterrein is omstreeks de jaren '60 van de vorige eeuw aangevangen. Op 20 september 1995 is een milieuvergunning verleend als bedoeld in de Wet milieubeheer. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan de desbetreffende gronden de bestemming "Multifunctioneel bos" met de aanduiding "geluidcirkel motorcrossterrein" toegekend. Het gebruik van het motorcrossterrein is aangevangen vóór het van kracht worden van dat plan. Gelet hierop mocht het gebruik als motorcrossterrein ingevolge de gebruiksovergangsbepaling in artikel 32, onder 2, van de planvoorschriften worden voortgezet. Het gebruik van het motorcrossterrein was niet uitgesloten van het overgangsrecht. De raad heeft in dat plan rekening gehouden met het gebruik van het motorcrossterrein door in artikel 33, derde lid, op te nemen dat in het bestemmingsplan, behoudens het motorcrossterrein, geen inrichtingen als bedoeld in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en Vergunningenbesluit Milieubeheer van 5 januari 1993 waren toegestaan. Binnen de geluidzone van het motorcrossterrein waren geen woningen toegestaan, evenmin als andere geluidgevoelige inrichtingen. 2.31.
- In het voorliggende plan zijn aan de desbetreffende gronden de bestemming "Natuur" en de aanduidingen "motorcrossterrein" en "geluidzone - motorcrossterrein" toegekend. Ingevolge artikel 10.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn de voor "Natuur" aangewezen gronden bestemd voor een motorcrossterrein ter plaatse van de aanduiding "motorcrossterrein". Ingevolge artikel 30.1 ligt ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - motorcrossterrein" de rond het motorcrossterrein gelegen zone ingevolge artikel 41 van de Wet geluidhinder, buiten welke zone de geluidbelasting vanwege dat motorcrossterrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Ingevolge artikel 32.11 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd, indien vaststaat dat het gebruik als zodanig van het motorcrossterrein aan de Koetreeweg is beëindigd, het plan als volgt te wijzigen: a. de aanduiding "motorcrossterrein" wordt uit het plan verwijderd; b. de aanduiding "geluidzone - motorcrossterrein" als bedoeld in artikel 30, lid 30.1, wordt uit het plan verwijderd. 2.31.
- Vast staat dat het gebruik van het motorcrossterrein onder het voorheen geldende bestemmingsplan niet bij recht was toegelaten, doch slechts werd beschermd door het overgangsrecht van dat plan. Gelet hierop voorziet het plan in nieuwvestiging van een motorcrossterrein in een gebied dat is aangewezen als EHS. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan beleid van het Rijk en de provincie. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Uit de stukken blijkt dat de voor- en nadelen van het bestemmen van het motorcrossterrein in de afweging zijn betrokken. Uit het raadsbesluit volgt dat bij de keuze van de bestemming voor het motorcrossterrein eerst verschillende mogelijkheden zijn onderzocht. Zo heeft de raad toegelicht dat niet voor de bestemming "Sport" is gekozen omdat dat in strijd is met het provinciale beleid ten aanzien van de EHS. Voorts is niet gekozen voor de mogelijkheid om een bestemming aan het plandeel toe te kennen die het gebruik van het motorcrossterrein niet toe zou laten, omdat het gebruik daardoor nogmaals onder het overgangsrecht zou worden gebracht. Er is onderzoek verricht naar de effecten van het motorcrossterrein op milieu en natuur. De resultaten daarvan zijn opgenomen in het MER en de aanvulling op het MER. Daarin staat dat er per jaar maximaal acht wedstrijden plaatsvinden. Als gevolg van dit incidentele karakter zijn blijvende negatieve gevolgen in de vorm van lagere aantallen broedvogels van de wedstrijden niet te verwachten. Binnen de geluidscontouren van de trainingen wordt wel een lagere dichtheid aan broedvogels verwacht. Het betreft een oppervlakte van 45 tot 60 hectare. Het bos rond het motorcrossterrein is soortenarm en alleen voor algemeen voorkomende vogelsoorten geschikt als broedterrein. De raad heeft bij de keuze om het motorcrossterrein als zodanig te bestemmen voldoende rekening gehouden met het provinciale beleid en het belang van de EHS. De raad heeft daarbij in aanmerking mogen ne