(2010)' van de secretaris-generaal van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 16 juni 2010, het rapport 'Afghanistan Mid Year Report 2010 on Protection of Civilians in Armed Conflict' van de United Nations Assistance Mission in Afghanistan van augustus 2010, het rapport 'Afghanistan: Update, Die aktuelle Sicherheitslage' van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 11 augustus 2010 en voormeld bericht van Human Rights Watch van 26 juli
- 2.4.
- In het licht van de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 9 juni 2010 in zaak nr. 201000789/1/V2 en 4 mei 2011 in zaak nr. 201101993/1/V2, www.raadvanstate.nl) heeft de staatssecretaris zich in het besluit van 2 februari 2010 en het daarin ingelaste voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Afghanistan, in het bijzonder in Kandahar, sprake is van de uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. Hoewel uit het algemeen ambtsbericht inzake Afghanistan van de minister van Buitenlandse Zaken van juli 2010 alsmede voormelde UNHCR Guidelines van december 2010 naar voren komt dat de veiligheidssituatie in de provincie Kandahar is verslechterd, kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van willekeurig geweld in die provincie ten tijde van het besluit van 2 februari 2010 dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade. De beroepsgrond faalt. 2.
- De vreemdeling heeft in beroep voorts aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Volgens de vreemdeling dient een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Afghanistan te worden gevoerd. Daartoe heeft hij verwezen naar de onder 2.
- weergegeven stukken. 2.5.
- De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 2 februari 2010 en het daarin ingelaste voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw
- Aan dit standpunt heeft hij ten grondslag gelegd dat de huidige veiligheidssituatie in Afghanistan geen aanleiding geeft om een beleid van categoriale bescherming te voeren. Hiervoor is mede doorslaggevend dat, blijkens een bericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 17 september 2008, de ons omringende landen geen bijzonder beleid voeren ten aanzien van Afghanistan. Alleen België kent een bijzonder beleid voor asielzoekers uit bepaalde delen van Afghanistan. Gezien de homogeniteit van de informatie over het beleid van de andere landen, wordt hieraan meer gewicht toegekend dan aan het gegeven dat de situatie in Afghanistan is verslechterd, aldus de staatssecretaris. 2.5.
- Nu, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 6 april 2005 in zaak nr. 200500646/1, JV 2005/210), niet is voorgeschreven welk relatief gewicht moet worden toegekend aan de indicatoren die in ieder geval worden betrokken in de beoordeling of sprake is van een situatie, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, alsmede in aanmerking genomen dat, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 19 augustus 2009 in zaak nr. 200900452/1/V2, www.raadvanstate.nl), aan de staatssecretaris een ruime beoordelingsvrijheid toekomt terzake van de vraag of aanleiding bestaat voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, is er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid aan de afstemming van zijn beleid met het in de ons omringende landen van de Europese Unie gevoerde beleid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen. De beroepsgrond faalt. 2.
- Het inleidende beroep is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 6 oktober 2010 in zaak nr. 10/7579; III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Dekker, ambtenaar van staat. w.g. Parkins-de Vin voorzitter w.g. Dekker ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2011
- Verzonden: 8 juli 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser