201012786/1/H1. Datum uitspraak: 20 juli 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te Sneek, tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 november 2010 in zaak nr. 10/801 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Sneek, thans gemeente Súdwest Fryslân. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2009 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de door [belanghebbende] geplaatste balken, het resterende gedeelte van de dakplaat en de regengoot, op het perceel [locatie], te Sneek. Bij besluit van 12 maart 2010 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en besloten over te gaan tot handhaving. Bij besluit van 29 maart 2010 heeft het college het besluit van 16 november 2009 ingetrokken en [belanghebbende] onder oplegging van een dwangsom gelast de berging op het perceel te verwijderen dan wel aan te passen tot een omvang waarbij sprake is van vergunningvrij bouwen. Bij uitspraak van 18 november 2010, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 maart 2010 vernietigd voor zover daarbij niet op het verzoek om handhaving is beslist en het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 29 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaart. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 december 2010, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellanten] hebben nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2011, waar het college, vertegenwoordigd door F. Nijp en S. Hobma, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep voor zover ingesteld tegen het besluit van 29 maart 2009, niet-ontvankelijk is wegens termijnoverschrijding. 2.1.1. De besluiten van 12 maart 2010 en 29 maart 2010 vormen tezamen de beslissing op bezwaar en zijn in dat kader onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 12 maart 2010 moet daarom mede worden geacht te zijn gericht tegen het besluit van 29 maart 2010. Nu [appellanten] tijdig, bij brief van 13 april 2010, beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 12 maart 2010, is van een termijnoverschrijding geen sprake. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog slaagt. 2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ingevolge artikel 55, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State (hierna: Wet RVS) dient de zaak in beginsel naar de rechtbank te worden teruggewezen. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 56 van die wet de zaak zonder terugwijzing af te doen, omdat deze gelet op het hierna volgende naar haar oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft. 2.3. Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, is, voor zover hier van belang, in afwijking van het bepaalde in artikel 40, eerste lid, geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, onder 1º, van het Besluit bouwvergunningvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken wordt, voor zover hier van belang, als bouwen van beperkte betekenis aangemerkt het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mist gebouwd op:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.