201007705/1/M2. Datum uitspraak: 27 juli 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend te Ambt Delden, gemeente Hof van Twente, en het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2010 heeft het college aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een geiten- en zoogkoeienhouderij op het perceel [locatie] te Ambt Delden. Dit besluit is op 8 juli 2010 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2010, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 3 september 2010 en bij brief van 6 september 2010. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 maart 2011, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. M.G.B. Kamst en W. Holsbrink, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd. 2.2. Het college stelt dat een aantal appellanten, gelet op de afstand tussen hun woningen en de inrichting, geen belanghebbende is bij het bestreden besluit. 2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, voor zover thans van belang, kan een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen bij de Afdeling. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer vergunning wordt verleend voor een inrichting, zijn naast de aanvrager onder meer de eigenaren en bewoners van percelen waarop milieugevolgen van deze inrichting kunnen worden ondervonden belanghebbenden. 2.2.2. [appellant A] en [appellante B], [appellante C] en [appellante D], [appellante E] en [appellante F], [appellante G] en [appellante H] en [appellante I] en [appellante J], behorend tot [appellant] en anderen, wonen op een zodanige afstand van de inrichting dat het gezien de aard en omvang van de inrichting niet aannemelijk is dat ter plaatse van hun woningen daarvan milieugevolgen kunnen worden ondervonden. Gelet hierop is het beroep van [appellant] en anderen, voor zover het is ingesteld door voornoemde personen, niet-ontvankelijk. 2.3. [appellant] en anderen stellen dat het bestreden besluit onbevoegd genomen is omdat H. Roosink niet gemachtigd was. 2.3.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de inrichting is gelegen, bevoegd te beslissen op de aanvraag om een vergunning. Ingevolge artikel 10:1 van de Awb wordt onder mandaat verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Ingevolge artikel 10:3 kan een bestuursorgaan mandaat verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. 2.3.2. Ingevolge het Mandaatbesluit gemeente Hof van Twente is de afdelingsmanager van de Afdeling Vergunningen en handhaving gemandateerd om te beslissen op aanvragen om vergunningen in de zin van de Wet milieubeheer. Het college stelt terecht dat H. Roosink als afdelingsmanager van voormelde afdeling bevoegd was om namens het college het bestreden besluit te nemen. De beroepsgrond faalt. 2.4. Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 3.000 geiten ouder dan 1 jaar, 2.200 opfokgeiten van 61 dagen tot en met 1 jaar, 450 opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen en 5 zoogkoeien. 2.5. [appellant] en anderen stellen dat ten onrechte geen beoordeling is gemaakt of een milieu-effectrapport moet worden opgesteld (hierna: mer-beoordeling). Zij stellen dat de enkele omstandigheid dat het houden van geiten niet in het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals dat luidde vóór 1 april 2011 (hierna: Besluit mer (oud)), staat vermeld als activiteit waarvoor een mer-beoordeling moet worden gemaakt, niet betekent dat een dergelijke beoordeling niet gemaakt hoeft te worden. Uit Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 en bij Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 (hierna: Richtlijn 85/337/EEG) volgt dat voor het houden van geiten een mer-beoordeling moet worden gemaakt, aldus [appellant] en anderen. 2.5.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 85/337/EEG treffen de lidstaten de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning is vereist voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4. Ingevolge artikel 4, tweede lid, bepalen de lidstaten onder voorbehoud van artikel 2, derde lid, voor de in bijlage II genoemde projecten:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.