201102770/1/V3. Datum uitspraak: 15 juli 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 2 maart 2011 in zaak nr. 11/5067 in het geding tussen: de vreemdeling en de minister voor Immigratie en Asiel. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 februari 2011 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 2 maart 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 maart 2011, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De minister heeft bij brieven, bij de Raad van State binnengekomen op 15 en 18 april 2011, nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2011, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. P. Bosch, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, zijn verschenen. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. In de enige grief klaagt de vreemdeling, voor zover thans van belang, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op de minister niet de verplichting rustte om voorafgaand aan de inbewaringstelling opnieuw een terugkeerbesluit, als bedoeld in richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de richtlijn) te nemen. Daartoe voert de vreemdeling aan dat de terugkeerprocedure met zijn vertrek uit Nederland is beëindigd, waardoor de minister gehouden was voorafgaand aan zijn inbewaringstelling een terugkeerbesluit te nemen. Nu de minister dit niet heeft gedaan, is de maatregel van bewaring in strijd met de richtlijn en derhalve onrechtmatig, aldus de vreemdeling. 2.1.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het volgende overwogen: "Nu met het besluit tot ongewenstverklaring en de beschikking op bezwaar de terugkeerprocedure is aangevangen, rustte op verweerder niet de verplichting om voorafgaand aan de inbewaringstelling van eiser opnieuw een terugkeerbesluit uit te vaardigen. De omstandigheid dat eiser na de uitreiking van het besluit tot ongewenstverklaring Nederland heeft verlaten en opnieuw is ingereisd, maakt dit niet anders. Het verblijf van eiser in Nederland is immers ten gevolge van de ongewenstverklaring en de beschikking gedurende een periode van vijf, dan wel tien jaar, behoudens tussentijdse opheffing, strafbaar gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank blijft voornoemd besluit gedurende die periode, althans zolang de ongewenstverklaring niet is opgeheven, als terugkeerbesluit gelden." 2.1.2. Uit de stukken in het dossier en het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de rechtbank blijkt het volgende. De vreemdeling is bij besluit van 12 mei 1988 ongewenst verklaard, waarna hij op 30 december 2002 is vertrokken naar Suriname. Aldaar heeft hij op 24 oktober 2003 verzocht om opheffing van zijn ongewenstverklaring. Blijkens zijn verklaring heeft de vreemdeling het besluit op dit verzoek niet in Suriname afgewacht en hij is teruggekeerd naar Nederland. Bij besluit van 9 maart 2004 is het verzoek om opheffing afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 juli 2004 ongegrond verklaard, waarna de vreemdeling opnieuw naar Suriname is vertrokken. Vervolgens is hij in 2007 vanuit Suriname opnieuw teruggekeerd naar Nederland. Voorts blijkt uit het dossier dat de vreemdeling op 12 februari 2011 in bewaring is gesteld en dat de minister op 18 februari 2011 met betrekking tot hem een terugkeerbesluit heeft genomen. Bij brief van 15 april 2011 heeft de minister medegedeeld dat de inbewaringstelling op 9 april 2011 is opgeheven vanwege de uitzetting van de vreemdeling. 2.1.3. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de richtlijn wordt onder "terugkeer" verstaan: het proces waarbij een onderdaan van een derde land, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar zijn land van herkomst, of een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, vierde lid, wordt onder "terugkeerbesluit" verstaan: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. 2.1.4. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 21 maart 2011, in zaak nr. 201100307/1/V3 (www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.