(3). Volgens het college van gedeputeerde staten had ter plaatse de subbestemming AD(z), dat wil zeggen Agrarisch aanverwante doeleinden, zonder gebouwen, moeten worden gelegd. 2.12.
- [appellante sub 3] betoogt dat metaalconstructie al vanaf de oprichting van het bedrijf in 1984 wordt uitgevoerd en dat deze werkzaamheden daarom zonder meer deel uitmaken van het overgangsrecht op grond van het voorgaande bestemmingsplan. [appellante sub 3] betoogt voorts dat de bestemming past in het beleid dat de gemeente Moerdijk heeft ontwikkeld voor de bebouwingsconcentraties in het buitengebied, zoals beschreven in de bijlage bij het bestemmingsplan. [appellante sub 3] stelt tot slot dat het onthouden van goedkeuring aan de bestemming ADrc voor de westelijke strook ten behoeve van de ontsluiting overbodig is. De toevoeging (z) (zonder bebouwing) op inrijstroken is ook op andere percelen niet opgenomen. De raad onderschrijft het standpunt van [appellante sub 3]. 2.12.
- De Afdeling overweegt dat volgens het provinciale beleid zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, gelet op de Paraplunota par. 4.13, agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven in het buitengebied kunnen worden toegelaten. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college van gedeputeerde staten zich op het standpunt stellen dat de metaalconstructiewerkzaamheden die bij [appellante sub 3] plaatsvinden niet kunnen worden begrepen onder de bestemming agrarisch-technisch hulpbedrijf. Het college van gedeputeerde staten kan derhalve worden gevolgd in zijn standpunt dat metaalconstructie niet onder de volgens de Paraplunota toegelaten bedrijvigheid valt en dat de omschrijving van de subbestemming ADrc in artikel 6, eerste lid, onder k daarom in strijd is met het in de Paraplunota neergelegde provinciale beleid voor de ruimtelijke ordening. Hetgeen [appellante sub 3] aanvoert leidt niet tot het oordeel dat het college van gedeputeerde staten niet in redelijkheid aan zijn beleid kon vasthouden. 2.12.
- Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] op het overgangsrecht overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling heeft in haar eerder genoemde uitspraak van 26 april 2006 overwogen dat de metaalconstructiewerkzaamheden bij [appellante sub 3] weliswaar onder de reikwijdte van het overgangsrecht van het op 13 december 2004 vastgestelde moederplan vielen, maar slechts voor zover zij op de peildatum reeds werden verricht. Onder peildatum is te verstaan het in werking treden van het voorgaande bestemmingsplan, dat onherroepelijk is geworden op 30 januari
- Niet gebleken is dat thans een regeling is getroffen waardoor de omvang van de metaalconstructie is beperkt tot de volgens het overgangsrecht toegelaten omvang. Gelet daarop heeft het college van gedeputeerde staten zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de subbestemming "metaalconstructie", in strijd met het provinciaal beleid, te ruim is toegekend. 2.12.
- Ten aanzien van de onthouding van goedkeuring van de bestemming ADrc op de westelijke strook overweegt de Afdeling dat deze strook een uitbreiding van de bedrijfsbestemming betreft ten behoeve van een ontsluitingsweg aan het Merenswegje, die, overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2007, uit milieuhygiënisch opzicht wenselijk is bevonden. Het standpunt van het college van gedeputeerde staten dat op deze uitbreiding de mogelijkheid van bebouwing uitgesloten dient te worden acht de Afdeling, gelet op de doelstelling en de omvang van de strook, niet onredelijk. 2.12.
- De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 3] is ongegrond. Het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk 2.
- Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwvlak zonder woning" op de percelen Kraaiendijk 5/5a, Noordlangeweg 14 en Barlaaksedijk 7/
- Volgens het college van burgemeester en wethouders heeft het college van gedeputeerde staten ten onrechte aangenomen dat het mogelijk is deze bouwvlakken uit te breiden door gebruik te maken van de uitbreidingsmogelijkheden voor agrarische bouwvlakken in artikel 30, zesde lid, van de planvoorschriften. Aan een voorwaarde die aan die uitbreidingsmogelijkheid is verbonden, namelijk dat uitbreiding noodzakelijk moet zijn voor een doelmatige bedrijfsvoering, kan volgens het college van burgemeester en wethouders op deze plaats niet worden voldaan, omdat de bouwvlakken te beperkt zijn voor een volwaardig agrarisch bedrijf, zodat alleen hobbymatige agrarische activiteiten mogelijk zijn. Van een doelmatige bedrijfsvoering kan in dat verband geen sprake zijn, aldus het college van burgemeester en wethouders. Ten aanzien van perceel Barlaaksedijk 7/9 wijst het college van burgemeester en wethouders er aanvullend op dat artikel 30, zesde lid, aldaar niet van toepassing is omdat het perceel in de zone ARWN (gebied met verweving van landbouw, recreatie, water en natuurwaarden) ligt. Artikel 30 ziet alleen op gebiedsbestemming ALO (agrarisch gebied met verweving van landbouw en landschaps- en cultuurhistorische waarden, alsmede kenmerkende openheid). Voor zover goedkeuring onthouden is omdat bij de bestemminglegging alle bebouwing in samenhang bekeken zou moeten worden, betoogt het college van burgemeester en wethouders dat dat zal worden gedaan indien de eigenaar een onderbouwd voorstel doet om te komen tot een andere bestemming. Zolang dat niet het geval is, is de bestemming die nu is toegekend volgens het college van burgemeester en wethouders een passende manier om de bestaande bebouwing te conserveren. 2.13.
- Het college van gedeputeerde staten heeft ter zitting erkend dat artikel 30, zesde lid, niet van toepassing is op perceel Barlaaksedijk 7/
- Het college van gedeputeerde staten heeft voorts betoogd dat de stelling van het college van burgemeester en wethouders dat ook op de andere percelen uitbreiding van de bouwblokken niet mogelijk is wellicht juist is, maar dat het college van burgemeester en wethouders eraan voorbij gaat dat de kern van zijn bezwaar nu juist is, dat agrarische bouwpercelen uitsluitend dienen te worden toegekend aan volwaardige agrarische bedrijven. Het toekennen van bouwpercelen zonder de aanwezigheid van een volwaardig agrarisch bedrijf is volgens het college van gedeputeerde staten in strijd met artikel 2, eerste lid, van de planvoorschriften. 2.13.
- Volgens artikel 2, eerste lid, onder c, van de planvoorschriften omvat de bestemming "Agrarische doeleinden" (A), tevens: agrarische activiteiten bij wijze van hobby. Deze omschrijving van de bestemming is toegevoegd bij de eerste herziening, en door het college van gedeputeerde staten met het onderhavige goedkeuringsbesluit van 26 augustus 2009 goedgekeurd. Gelet daarop kan het betoog van het college van gedeputeerde staten, dat toekenning van de bestemming "Agrarische doeleinden bouwvlak zonder woning" in strijd is met artikel 2, eerste lid, niet worden gevolgd. Hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geeft in zoverre aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. 2.
- Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de bestemming "Woondoeleinden" met subbestemming "logiesgebouw" (Wl) op het perceel Kraaiendijk
- Volgens het college van burgemeester en wethouders ontbreekt een heldere motivering voor de onthouding van goedkeuring voor de bestemming. De redenering dat de percelen Kraaiendijk 12 en 14 als één geheel zouden moeten worden bekeken, staat haaks op het standpunt dat het college van gedeputeerde staten in het verleden heeft ingenomen. Daardoor wordt het volgens het college van burgemeester en wethouders voor de raad vrijwel onmogelijk om een passende bestemming op de percelen Kraaiendijk 12 en 14 te leggen, nu de huidige poging niet geslaagd is, terwijl naar de mening van het college van burgemeester en wethouders aan de opmerkingen uit eerdere onthoudingen van goedkeuring recht is gedaan. 2.14.
- Het college van gedeputeerde staten betoogt dat de woning in planologisch opzicht een eenheid met het totale perceel vormt. Volgens het college van gedeputeerde staten zijn voor de afsplitsing privaatrechtelijke argumenten aangevoerd, die geen aanleiding kunnen geven om een planologische scheiding aan te brengen. Ook het in de plantoelichting vermelde voornemen van de eigenaar om de woning bedrijfsmatig als logiesgebouw te exploiteren rechtvaardigt een planologische afsplitsing volgens het college van gedeputeerde staten niet. 2.14.
- In artikel 1, onder 91, van de planvoorschriften, is logiesgebouw gedefinieerd als een gebouw dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met - al dan niet - als nevenactiviteit het verstrekken van maaltijden en dranken voor consumptie ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling is dit een planologisch relevante activiteit. Het college van gedeputeerde staten heeft geen ruimtelijk relevante argumenten aangevoerd waarom het toekennen van de subbestemming "logiesgebouw" in strijd zou zijn met een goede ruimtelijke ordening. Hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geeft aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. 2.
- Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat het college van gedeputeerde staten ten onrechte goedkeuring heeft onthouden aan de aanvulling van artikel 2, vierde lid, van de planvoorschriften, die ziet op particuliere stalletjes ten behoeve van agrarische activiteiten bij wijze van hobby. Door deze wijziging laten de bouwvoorschriften ten behoeve van agrarische doeleinden toe dat deze particuliere stalletjes aanwezig zijn tot een maximum aantal als aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, met een maximaal oppervlak van 12 m2 per stalletje, een maximale goothoogte van 2 m en een maximale bouwhoogte van 2,5 m. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat agrarische activiteiten bij wijze van hobby met goedkeuring van het college van gedeputeerde staten zijn toegevoegd aan de doeleindenomschrijving van agrarische doeleinden. Deze activiteiten vinden volgens het college van burgemeester en wethouders alleen plaats aan de randen van het agrarisch gebied, waar dit wordt doorsneden door andere structuren. Volgens het college van burgemeester en wethouders is het niet onwenselijk om de bestaande bebouwing ten behoeve van de toegestane hobbymatige activiteit te laten staan, ook met het oog op dierenwelzijn. 2.15.
- Het college van gedeputeerde staten betoogt dat de stalletjes her en der langs wegen in strijd zijn met het provinciaal beleid, dat verstening van het buitengebied wil tegengaan. Daarom vindt het college van gedeputeerde staten het ongewenst alle aanwezige stalletjes te legaliseren. Particulieren die hun hobbymatig te houden dieren willen laten schuilen, dienen daarvoor een voorziening bij hun woning te treffen. 2.15.
- De Afdeling overweegt dat het, nu agrarische activiteiten bij wijze van hobby zijn toegelaten in het als agrarisch bestemde gebied, wenselijk kan zijn om toe te staan dat schuilgelegenheid voor de gehouden dieren aanwezig is. Een andere oplossing, zoals het stallen van dieren bij de woning, zal niet altijd voorhanden zijn. Ook hoeft niet ieder stalletje bij voorbaat onaanvaardbaar te zijn met het oog op het tegengaan van verstening van het buitengebied. Artikel 2, vierde lid, van de planvoorschriften strekt echter verder dan nodig is, nu daardoor alle aanwezige stalletjes kunnen worden gelegaliseerd zonder beoordeling van de noodzaak van het bouwwerk en de aanvaardbaarheid van de situering van het bouwwerk. Gelet daarop geeft hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening, gelet op het provinciaal beleid. Het betoog faalt. 2.
- Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat ten onrechte goedkeuring is onthouden aan de regeling voor tijdelijke huisvesting van tijdelijke werknemers op een agrarisch perceel in artikel 30, lid 21 en artikel 31, lid 11 van de planvoorschriften. Het college van burgemeester en wethouders betoogt dat op grond van de beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten Gemeente Moerdijk, van 20 oktober 2008, een vergunning voor tijdelijke huisvesting en tijdelijke bouwvergunning voor maximaal 3 jaar kan worden verstrekt. Volgens het college van burgemeester en wethouders is het niet mogelijk om aan de eis van het college van gedeputeerde staten te voldoen, dat verplicht moet worden gesteld dat de bebouwing na gebruik wordt verwijderd. De procedure voor het verwijderen zal minstens een half jaar in beslag nemen, in welke periode de bebouwing opnieuw legaal in gebruik zou kunnen worden genomen. Ook zou het voor veel bedrijven een zware last zijn om ieder jaar weer de tijdelijke huisvesting te plaatsen en te verwijderen. Verplicht stellen van verwijdering zou volgens het college van burgemeester en wethouders dan ook leiden tot veel handhavingszaken. 2.16.
- Het college van gedeputeerde staten betoogt dat volgens het provinciaal beleid slechts vrijstelling voor maximaal een half jaar verstrekt mag worden. De gemeentelijke beleidsnota is daarmee in strijd. Het college van gedeputeerde staten acht het ongewenst dat tijdelijke units 3 jaar achtereen kunnen blijven staan. Het bestemmingsplan dient volgens het college van gedeputeerde staten juridische garanties te bevatten dat tijdelijke units niet langer dan een half jaar achtereen opgesteld mogen worden. Nu in de artikelen 30, lid 21, en 31, lid 11, wel het de tijdelijkheid van het gebruik, maar niet de tijdelijkheid van de opstelling is geregeld, is deze regeling volgens het college van gedeputeerde staten in strijd met het provinciaal beleid. 2.16.
- Het beleid ten aanzien van tijdelijke huisvesting is uiteengezet in de Paraplunota. Dit beleid houdt onder meer in dat tijdelijke voorzieningen mogen worden geplaatst, mits deze na, maximaal 6 maanden, gebruik worden verwijderd. Artikel 30, lid 21 en artikel 31, lid 11 van de planvoorschriften in het bestemmingsplan zijn hiermee in strijd. De door het college van burgemeester en wethouders genoemde beleidsnotitie van de gemeente geeft geen aanleiding voor de opvatting dat de provincie langdurige opstelling van tijdelijke huisvesting, in strijd met de Paraplunota, moet aanvaarden. Gelet daarop geeft hetgeen het college van burgemeester en wethouders heeft aangevoerd in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het college van gedeputeerde staten zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het plan in zoverre, gelet op het provinciaal beleid, is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond faalt. Conclusie 2.
- Het beroep van het college van burgemeester en wethouders is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient vernietigd te worden voor zover het betreft de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwvlak zonder woning" ter plaatse van de percelen Kraaiendijk 5/5a, Noordlangeweg 14 en Barlaaksedijk 7/9 en de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met bestemming "Woondoeleinden" met subbestemming "logiesgebouw" ter plaatse van het perceel Kraaiendijk 12 en 14; De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellante sub 3] zijn ongegrond. 2.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk gedeeltelijk gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van 26 augustus 2009, met kenmerk 1485997 voor zover dit betrekking heeft op: a. de onthouding van goedkeuring aan de plandelen met de bestemming "Agrarische doeleinden, bouwvlak zonder woning" ter plaatse van de percelen Kraaiendijk 5/5a, Noordlangeweg 14 en Barlaaksedijk 7/9; b. de onthouding van goedkeuring aan het plandeel met bestemming "Woondoeleinden" met subbestemming "logiesgebouw" ter plaatse van het perceel Kraaiendijk 12 en 14; III. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellantesub 1B], [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] en [appellante sub 3] geheel en het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk voor het overige ongegrond; IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat. w.g. Van Diepenbeek w.g. Postma voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2011 539.