(2)" en "recreatiewoning (rw)". De raad wijst er voorts op dat het vorige plan "Bregtdorp 1966" uit 1966 sterk verouderd is en dat naar huidige inzichten nieuwe recreatiewoningen op particuliere erven niet gewenst zijn. Verder is op grond van de Planologische visie Recreatiewoningen maximaal één recreatiewoning op een particulier woonerf toegestaan. 2.20.
- Het plan voorziet voor het perceel [locatie sub 26], voor zover van belang, in de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduidingen "2" en "recreatiewoning (rw)". Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de planregels zijn de voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor: a. wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning (rw)": recreatiewoningen; […] f. ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning (rw)" ten hoogste één recreatiewoning is toegestaan; g. in afwijking van het bepaalde onder f mag het aantal recreatiewoningen, indien dit is aangeduid op de plankaart, niet meer bedragen dan is aangeduid. Ingevolge het vierde lid geldt, voor zover van belang, de volgende bepaling: c. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; m. voor zover van belang, mag bij bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 900 m² de maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en recreatiewoningen ten hoogste 75 m² bedragen. 2.20.
- Het vorige plan voorzag voor het perceel [locatie sub 26], voor zover van belang, in een strook grond van ongeveer 7 m diep en 70 m breed waar ingevolge artikel 40 van de voorschriften vrijstaande of aaneengebouwde zomerwoningen of -huizen mochten worden opgericht. 2.20.
- De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De raad heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het vorige plan "Bregtdorp 1966" sterk verouderd is en dat uitbreiding van het aantal recreatiewoningen naar huidige inzichten niet gewenst is. Daarbij heeft de raad belang kunnen hechten aan de omstandigheid dat op grond van de Planologische visie Recreatiewoningen maximaal één recreatiewoning op een particulier woonerf is toegestaan. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet meer recreatiewoningen zijn toegestaan dan de bestaande twee. Ter zitting heeft de raad zich evenwel op het standpunt gesteld dat de toegestane maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en recreatiewoningen van ten hoogste 75 m² te klein is om te voorzien in de twee bestaande recreatiewoningen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid omdat het plan niet voorziet in een oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen die, na aftrek van overige legaal gebouwde aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, minimaal gelijk is aan de oppervlakte van de twee bestaande recreatiewoningen. 2.
- Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" voor het perceel [locatie sub 24] te[plaats] en het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduidingen "2" en "recreatiewoning (rw)" voor het perceel [locatie sub 26] te [plaats]. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.21.
- De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen negen maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel [locatie sub 24] te [plaats], voor zover het betreft de gronden die in het plan zijn voorzien van de bestemming "Bedrijf (B)". De Afdeling ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen negen maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor het perceel [locatie sub 26] te Schoorl, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduidingen "2" en "recreatiewoning (rw)". 2.21.
- De Afdeling ziet voorts aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen. De beroepen van [appellant sub 5], [appellanten sub 17] en [appellant sub 12] 2.
- [appellant sub 12], [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] betogen dat het plan in strijd met het beleid "Vrijkomende en voormalige agrarische bebouwing" van 26 juni 2007 (hierna: het VAB-beleid) voorziet in een woning op het perceel [locatie sub 1] van [partij] in ruil voor het beëindigen van het agrarisch bedrijf van [partij] op het perceel[locatie sub 2] en de sloop van de agrarisch bedrijfsbebouwing. [appellanten sub 17] en [appellant sub 12] betogen hiertoe dat het agrarisch bedrijf aan de[locatie sub 2] niet is beëindigd. [appellant sub 12] voert hierbij aan dat hij na aankoop van het perceel[locatie sub 2] van [partij] het agrarisch gebruik van dit perceel heeft hervat, althans wil hervatten. Volgens [appellant sub 12] is daarom ten onrechte niet voorzien in de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een agrarisch bedrijf gelijk aan die als opgenomen in het vorige bestemmingsplan. Met betrekking tot de toepassing van het VAB-beleid voeren [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] aan dat de nieuwe woning meer doorzicht naar het achterliggende gebied ontneemt dan dat doorzicht door het amoveren van de agrarische bebouwing ter plaatse is ontstaan, zodat geen sprake is van kwaliteitswinst. Dit klemt temeer, nu de waarde van het doorzicht hoog is blijkens diverse beleidsnota's en adviezen, waaronder de cultuurhistorische atlas, aldus [appellant sub 5]. Voorts voert [appellant sub 5] aan dat de geamoveerde agrarische bebouwing voor een deel illegaal was opgericht. Ook betogen [appellanten sub 17] dat de nieuwe woning ten onrechte niet exact op de locatie van de geamoveerde agrarische bebouwing is voorzien, terwijl [appellant sub 5] betoogt dat de nieuwe woning op een geheel andere locatie had moeten worden voorzien. [appellant sub 12] voert aan dat de situering en de maatvoering van de woning niet overeenstemmen met de in de brief van het gemeentebestuur van 17 februari 2004 vermelde maatvoering. Daarnaast is volgens [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] ten onrechte geen beeldkwaliteitplan opgesteld. Verder stellen [appellanten sub 17] zich op het standpunt dat de voorziene woning leidt tot een aantasting van hun privacy en uitzicht en leidt tot overlast vanwege het delen van de ontsluitingsweg Noorderweg. Voorts vrezen [appellanten sub 17] voor een nadelige invloed op de waarde van hun woning. Voorts betoogt [appellant sub 12] dat ten onrechte niet in het plan is vermeld dat de nieuwe woning is voorzien in het kader van het VAB-beleid, nu de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) hieraan een aparte status toekent. 2.22.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de woning op het perceel [locatie sub 1] in overeenstemming met het VAB-beleid is voorzien. Hierbij neemt hij in aanmerking dat het voormalige agrarische bedrijf van [partij] in 2004 is beëindigd vanwege een te beperkte milieuruimte door de omliggende woningen, waarbij alle voormalige bedrijfsopstallen, met uitzondering van de stolpboerderij, de hooimijt en de veeschuur, zijn gesloopt. Voorts gebruikte [appellant sub 12] de gronden ten tijde van het bestreden besluit volgens de raad niet voor een agrarisch bedrijf. Verder verdwijnt door de nieuwe woning volgens hem geen doorzicht naar het achterliggende gebied, maar ontstaat juist een ruimtelijke winst doordat 1800 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt, waardoor doorzichten ontstaan en de cultuurhistorische, waardevolle stolp op het perceel[locatie sub 2] beter tot zijn recht komt. Voorts verzetten de welstandsnota en de cultuurhistorische atlas zich niet tegen de extra woning. Een beeldkwaliteitplan is volgens de raad in dit geval niet vereist. Het opnieuw toekennen van een agrarische bestemming aan het perceel [locatie sub 2] van [appellant sub 12] staat volgens de raad op gespannen voet met voormelde beperkte milieuruimte en het behoud van voormelde ruimtelijke winst. De raad stelt zich verder op het standpunt dat het gezamenlijk gebruik van de Noorderweg als ontsluitingsweg geen ernstige overlast zal veroorzaken. Hierbij neemt hij in aanmerking dat het agrarisch verkeer vanwege het voormalige bedrijf van [partij] ook deze weg gebruikte. 2.22.
- [partij] is eigenaar van het perceel [locatie sub 1] waarvoor het plan, voor zover van belang, voorziet in de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met een aanduiding voor een bouwvlak en de aanduidingen "maximale goot- en bouwhoogte van 4 onderscheidenlijk 10 m" en "(c)". [appellant sub 12] is eigenaar van het perceel[locatie sub 2] ten zuidoosten daarvan waarvoor het plan, voor zover van belang, voorziet in de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met een aanduiding voor een bouwvlak en de aanduidingen "stolp", "maximale goot- en bouwhoogte van 4 onderscheidenlijk 12 m" en "(c)". Tussen beide plandelen in is een strook grond voorzien met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)". [appellant sub 5] woont op het perceel [locatie sub 22] 219 tegenover de in het plan voorziene woning op het perceel [locatie sub 1]. [appellanten sub 17] wonen op het perceel [locatie sub 22] 204 naast de voorziene woning. Ingevolge artikel 1, onder 42, van de planregels wordt onder hobbyboer verstaan een agrarische activiteit die niet de omvang heeft van een volledige arbeidskracht, maar waarbij wel sprake is van ten minste 1,5 ha grond direct aansluitend aan het woonperceel en van 4 Nederlandse grootte eenheid (nge). Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder m, zijn ter plaatse van de voor "Groen (G)" aangewezen gronden met de aanduiding "weide (wei)" uitsluitend weidegronden toegestaan. Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor het wonen. Ingevolge het vierde lid gelden, voor zover van belang, de volgende bepalingen: b. ter plaatse van de aanduiding "stolp" is vergroting en verandering van de bestaande stolp niet toegestaan; c. hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; f. de oppervlakte van een hoofdgebouw mag ten hoogste bedragen: - ter plaatse van de aanduiding "(a)": 120 m²; - ter plaatse van de aanduiding "(b)": 150 m²; - ter plaatse van de aanduiding "(c)": 200 m²; m. voor zover van belang, mag bij bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 900 m² de maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 75 m² bedragen; n. in afwijking van het bepaalde onder sub l en m mag de oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en recreatiewoningen bij hobbyboeren, ten hoogste één procent van de bij de hobbyboer in gebruik zijnde gronden bedragen met een maximum van 300 m², met dien verstande dat er sprake dient te zijn van een voormalig agrarisch bedrijf, hetgeen dient te blijken uit voorgaande bestemmingsplannen en/of verleende bouwvergunningen; dd. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. Ingevolge het elfde lid, aanhef en onder b, is het verboden om gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken voor het stallen van paarden. 2.22.
- In het vorige plan "Poldergebied" uit 1984 maakten de percelen [locatie sub 2], [locatie sub 1] en de gronden daartussen die thans bestemd zijn als "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)", deel uit van het perceel [locatie sub 2] met de bestemming "Agrarisch gebied met bebouwing". Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de voorschriften van dat plan mochten de gronden met de bestemming "Agrarisch gebied met bebouwing", voor zover van belang, worden gebruikt voor de exploitatie van een agrarisch bedrijf. Ingevolge het tweede lid, aanhef, mochten ter plaatse, voor zover van belang, uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de in het eerste lid toegestane gebruiksvorm. 2.22.
- Uit de plantoelichting volgt dat de raad het VAB-beleid heeft toegepast. In dit beleid heeft het gemeentebestuur, in aansluiting op het provinciale beleid, voorwaarden gesteld voor het bouwen van één nieuwe woning van maximaal 650 m3 bij sloop van agrarisch bedrijfsbebouwing. Hiervoor gelden, voor zover van belang, de volgende voorwaarden:
- het agrarisch gebruik is beëindigd en agrarisch hergebruik is aantoonbaar niet mogelijk;
- indien meer dan 1000 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing op een perceel aanwezig is dient deze bedrijfsbebouwing in zijn geheel te worden gesloopt tot het maximum dat op grond van de erfbebouwingsregeling is toegestaan;
- de nieuwe woning mag alleen worden gerealiseerd binnen het agrarische bouwperceel tenzij uit een beeldkwaliteitplan blijkt dat met het oog op landschappelijke en cultuurhistorische waarden een andere locatie beter is;
- de nieuw te bouwen woning moet gesitueerd zijn aan de openbare weg (niet bouwen op het achtererf); (…)
- Voor de woning zijn de voor dat gebied gebruikelijke bepalingen ten aanzien van goot- en nokhoogte en kapvormen van toepassing;
- De nieuwe stedenbouwkundige opzet van het perceel/agrarische bouwkavel moet volgen uit een beeldkwaliteitplan; (…)
- Derden moeten in hun belang (woonklimaat/bedrijfsvoering) niet of niet onevenredig worden geschaad; (…). 2.22.
- Op het perceel [locatie sub 2] heeft [partij] tot 2004 een veehouderij geëxploiteerd. Met het gemeentebestuur is hij in verband met de beperkte milieuruimte op basis van het VAB-beleid overeengekomen dat agrarisch bedrijf te beëindigen en een deel van de agrarische bedrijfsbebouwing te slopen in ruil voor de bouwmogelijkheid van een woning op het noordwestelijk deel van het perceel. Dat deel van de gronden is thans als [locatie sub 1] afgesplitst van het perceel [locatie sub 2]. Niet in geschil is dat ongeveer 1800 m2 aan bedrijfsbebouwing is gesloopt voordat het perceel [locatie sub 2], met daarop een veeschuur van 384 m2 en een hooimijt, is verkocht aan [appellant sub 12]. 2.22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 17] en [appellant sub 12] dat het agrarisch bedrijf aan de [locatie sub 2] niet is beëindigd, overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat [partij] zijn agrarisch bedrijf in 2004 heeft beëindigd en dat [appellant sub 12] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gebruik van de gronden ten tijde van het bestreden besluit voor het fokken van paarden het hobbymatig karakter was ontstegen. Voor zover [appellant sub 12] betoogt dat hij ten tijde van het bestreden besluit het voornemen had om een paardenfokkerij te beginnen, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen voorzien in de bestemming "Wonen-2 (W-2)", die hieraan in de weg staat. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet in geschil is dat [partij] bij de verkoop van het perceel [locatie sub 2] heeft bedongen dat [appellant sub 12] hem vrije toegang dient te verschaffen om de nog niet gesloopte hooimijt en de veeschuur van 384 m2 alsnog te slopen indien dat, in verband met de afspraken tussen [partij] en de gemeente, noodzakelijk is voor het verkrijgen van een bouwvergunning voor een vrijstaande woning. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [appellant sub 12] wist of had moeten weten dat het gemeentebestuur voornemens was om met toepassing van het VAB-beleid te voorzien in een woning voor [partij] in ruil voor het slopen van een groot deel van de bestaande agrarische bedrijfsbebouwing en het beëindigen van het agrarische bedrijf. Hieruit volgt dat [appellant sub 12] bij de aankoop van de betrokken gronden er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de voor het beginnen van een paardenfokkerij benodigde agrarische bestemming zou worden gehandhaafd. Voorts heeft de raad bij het toepassen van het VAB-beleid betrokken dat de milieuruimte voor een agrarisch bedrijf door de omliggende woningen beperkt was en dat een groot deel van de voormalige agrarisch bedrijfsbebouwing zou worden gesloopt, waardoor doorzichten ontstaan en de cultuurhistorische, waardevolle stolp op het perceel[locatie sub 2] beter tot zijn recht komt. 2.22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] dat de nieuwe woning meer doorzicht naar het achterliggende gebied ontneemt dan dat door het amoveren van de agrarische bebouwing is ontstaan, overweegt de Afdeling dat zij dit niet aannemelijk hebben gemaakt, nu 1800 m2 aan bedrijfsbebouwing is gesloopt en het plan tussen de [locatie sub 2] voorziet in een strook grond met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)". Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de toepassing van het VAB-beleid een ruimtelijke winst met zich brengt. 2.22.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 5] dat de geamoveerde agrarische bedrijfsbebouwing deels illegaal was opgericht, overweegt de Afdeling, wat daar verder ook van zij, dat niet in geschil is dat de bedrijfsbebouwing in overeenstemming was met het vorige plan "Poldergebied". Derhalve heeft de raad deze bebouwing terecht aangemerkt als agrarische bedrijfsbebouwing in de zin van het VAB-beleid. 2.22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] dat ten onrechte geen beeldkwaliteitplan is opgesteld, overweegt de Afdeling dat het VAB-beleid weliswaar vereist dat de nieuwe stedenbouwkundige opzet van het perceel volgt uit een beeldkwaliteitplan, maar dat in dit geval aannemelijk is dat de daarbij te betrekken aspecten bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. Hierbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat het plan, met het oog op het behoud van doorzichten naar het achterliggende gebied, voorziet in een strook grond met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" tussen de percelen [locatie sub 2] en [locatie sub 1]. [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] hebben daarbij niet aangegeven op welke wijze zij in hun belangen zouden worden geschaad doordat geen beeldkwaliteitplan is opgesteld. 2.22.
- [appellanten sub 17] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorziene woning van [partij] leidt tot een ernstige aantasting van hun privacy en uitzicht. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in het deskundigenbericht staat dat de afstand tussen de in het plan voorziene woning op het perceel [locatie sub 1] en de woning van [appellanten sub 17] niet afwijkt van de gebruikelijk voorkomende afstanden tussen de percelen in de omgeving. Voorts kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Er bestaat mede in verband daarmee geen blijvend recht op vrij uitzicht. Verder hebben [appellanten sub 17] niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van de Noorderweg als ontsluiting voor de woning van [partij] leidt tot ernstige overlast. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het verkeer vanwege het agrarisch bedrijf van [partij] diezelfde ontsluitingsweg gebruikte. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellanten sub 17] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig is dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. 2.22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellanten sub 17] dat het toestaan van de extra woning leidt tot precedentwerking, overweegt de Afdeling dat de woning is voorzien in het kader van het VAB-beleid. Omdat ook toekomstige gevallen aan de op dat beleid betrekking hebbende toepassingsvoorwaarden moeten voldoen, bestaat in zoverre geen vrees voor precedentwerking. 2.22.
- Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 12] dat ten onrechte niet in het plan is vermeld dat de woning van [partij] is voorzien in het kader van het VAB-beleid overweegt de Afdeling dat de Wgv noch de Wro hiertoe verplicht, nog daargelaten of de Wgv van toepassing is, gelet op bestemming van het perceel [locatie sub 2]. 2.22.
- Volgens het VAB-beleid mag de nieuwe woning alleen worden gerealiseerd binnen het agrarisch bouwperceel tenzij uit een beeldkwaliteitplan blijkt dat met het oog op landschappelijke en cultuurhistorische waarden een andere locatie beter is. Het perceel [locatie sub 1], waarop de woning van [partij] is voorzien, maakte voorheen deel uit van het agrarische bouwperceel [locatie sub 2], waarop de gesloopte agrarisch bedrijfsbebouwing stond. Hieruit volgt dat de situering van de woning in zoverre past binnen het VAB-beleid. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 12] dat de situering en maatvoering van de woning van [partij] niet overeenstemmen met de brief van het gemeentebestuur van 17 februari 2004 overweegt de Afdeling dat deze brief is opgesteld ten behoeve van een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO die echter nimmer is verleend. De raad is in de onderhavige bestemmingsplanprocedure niet gebonden aan de inhoud van die brief. Het plan voorziet in een woning met een maximale goot- en bouwhoogte van 4 onderscheidenlijk 10 m en een oppervlakte van ten hoogste 200 m². Hieruit volgt een inhoudsmaat van maximaal 1400 m³. Dit is niet in overeenstemming met het VAB-beleid nu op grond van dit beleid een woning met een maximale inhoud van 650 m³ kan worden opgericht. Ter zitting heeft de raad geen motivering kunnen geven voor deze afwijking van het VAB-beleid, anders dan dat de eis van een maximale inhoud van 650 m³ in voormelde vrijstellingsprocedure is vervallen. Nu die procedure niet heeft geresulteerd in een verleende vrijstelling kan daaraan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend in de onderhavige procedure. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet berust op een draagkrachtige motivering. 2.
- [appellant sub 12] betoogt voorts dat de raad voor de toepassing van het VAB-beleid ten onrechte is uitgegaan van een strook grond met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" op zijn perceel[locatie sub 2], nu deze bestemming een onredelijke beperking van de gebruiksmogelijkheden vormt. In ieder geval had deze strook gedeeltelijk op het perceel van [locatie sub 1] van [partij] moeten worden bestemd. 2.23.
- Bij de vaststelling van het plan heeft de raad bij amendement besloten tussen de percelen [locatie sub 2] en [locatie sub 1] te voorzien in een strook grond met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)". In de toelichting bij het amendement staat dat het behoud van het doorzicht naar de polder een belangrijk element is. Gelet op de resterende omvang van de percelen [locatie sub 2] en [locatie sub 1] heeft de raad hier in beginsel een doorslaggevend gewicht aan kunnen toekennen. In de toelichting bij het amendement staat evenwel ook dat voormelde bestemming dient te worden verdeeld over beide kadastrale percelen. In dit kader heeft de raad zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het plandeel met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" per abuis geheel op het perceel [locatie sub 2] is voorzien. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. 2.
- [appellant sub 12] betoogt voorts dat het zogenoemde staartstuk van de stolp op zijn perceel [locatie sub 2] ten onrechte niet als zodanig is bestemd, terwijl het legaal is gebouwd. 2.24.
- In het deskundigenbericht staat dat zich aan de zij- en achterkant van de stolp van [appellant sub 12] een aanbouw bevindt (hierna: het staartstuk van de stolp). Het staartstuk heeft een oppervlakte van 150 m2, bestaat uit één bouwlaag met kap en bevindt zich buiten het bouwvlak. 2.24.
- Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het plan per abuis niet voorziet in het staartstuk van de stolp op het perceel [locatie sub 2]. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 2.
- Verder betoogt [appellant sub 12] dat het gebruik van de gronden voor hobbyboeren en de bestaande veeschuur en hooimijt ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. 2.25.
- De raad stelt dat [appellant sub 12] kan worden aangemerkt als een hobbyboer, zodat hij zijn gronden in overeenstemming met het VAB-beleid kan gebruiken voor het hobbymatig fokken van paarden en de veeschuur en de hooimijt niet hoeven te worden gesloopt. 2.25.
- Uit de fotobijlage bij het deskundigenbericht blijkt dat de hooimijt op het perceel [locatie sub 2] moet worden aangemerkt als een bouwwerk, geen gebouw zijnde, van meer dan 3 m hoog. De maximale hoogte voor bouwwerken, geen gebouw zijnde, bedraagt ingevolge artikel 22, vierde lid, onder dd, van de planregels 3 m. Voorts is niet in geschil dat de oppervlakte van de gronden van [appellant sub 12] meer dan 3 ha bedraagt. Gelet hierop zijn ingevolge artikel 22, vierde lid, onder n, van de planregels maximaal 300 m² aan onder meer bijgebouwen toegestaan. De veeschuur bedraagt 384 m
- Verder is het ingevolge artikel 22, elfde lid, aanhef en onder b, van de planregels verboden om gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken voor het stallen van paarden. Gelet op het vorenstaande is het plan onzorgvuldig vastgesteld, voor zover niet is voorzien in de bestaande hooimijt en veeschuur en de veeschuur niet mag worden gebruikt voor het stallen en fokken van paarden als hobbyboer, als bedoeld in artikel 1, onder 42, van de planregels. 2.
- Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.22.
- en 2.23.
- ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb en is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" voor het perceel [locatie sub 1] te Schoorl. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.23.
- ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3.46 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" voor de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]. Gelet op hetgeen is overwogen onder 2.23.1., 2.24.
- en 2.25.
- ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd verder aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" voor het perceel[locatie sub 2] te [plaats]. Het beroep van [appellant sub 12] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de twee plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" en het tussenliggende plandeel met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" voor de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]. In hetgeen [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen van [appellant sub 5] en [appellanten sub 17] zijn ongegrond. 2.26.
- De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen negen maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" en het tussenliggende plandeel met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" voor de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]. 2.26.
- De Afdeling ziet verder aanleiding om de na te melden voorlopige voorziening te treffen. Het beroep van [appellant sub 11] 2.
- [appellant sub 11] stelt dat de duinrel op de gronden ten zuiden van zijn perceel [locatie sub 27], ten onrechte niet geheel in het plan is opgenomen. 2.27.
- Ten behoeve van het plan heeft een inventarisatie plaatsgevonden van de in het plangebied aanwezige duinrellen. Uit die inventarisatie is volgens de raad niet gebleken dat de duinrel verder loopt dan op de verbeelding is aangegeven. Nu [appellant sub 11] zijn standpunt niet nader heeft onderbouwd, is niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende duinrel niet juist op de verbeelding is weergeven. Het betoog faalt. 2.
- [appellant sub 11] betoogt verder dat de gronden ten zuiden van zijn perceel, kadastraal bekend sectie […], nrs. […], ten onrechte zijn bestemd als "Agrarisch (A)" en "Tuin (T)". Hiertoe voert hij aan dat de gronden sinds jaar en dag zijn ingericht als bos en dat wijziging van dat gebruik niet aan de orde is. 2.28.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de begroeiing beschermenswaardig is, maar niet valt aan te merken als bos. De voorziene bestemming "Agrarisch (A)" beschermt de waardevolle begroeiing door een aanlegvergunningstelsel. 2.28.
- Het plan voorziet voor de door [appellant sub 11] bedoelde gronden, voor zover van belang, voor een strook grond tussen de woning van [appellant sub 11] en de openbare weg in de bestemming "Tuin (T)" en voor het overige in de bestemming "Agrarisch (A)". Ingevolge artikel 3, eerste lid, zijn de voor "Agrarisch (A)" aangewezen gronden, voor zover van belang bestemd voor: a. het uitoefenen van een agrarisch bedrijf; e. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Ingevolge het derde lid, aanhef en onder a, zijn, voor zover van belang, gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het vijfde lid voorziet in een aanlegvergunningstelsel ten aanzien van onder meer het ontginnen, bodemverlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem en het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties. Ingevolge artikel 5, eerste lid, zijn de voor "Bos (BO)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor bosgebied en het behoud, herstel en ontwikkeling van actuele en potentiële landschaps- en natuurwaarden. Het derde lid voorziet in een aanlegvergunningstelsel ten aanzien van onder meer het rooien en vellen van houtgewassen met een grotere hoogte dan 3 m en het afgraven en ophogen van gronden. Ingevolge artikel 18, eerste lid, onder a, zijn de voor "Tuin (T)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor tuinen behorende bij de op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. 2.28.
- In het deskundigenbericht staat dat op de door [appellant sub 11] bedoelde gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" veel opgaande beplanting en loofhout voorkomen. De Afdeling overweegt dat de bestemming "Agrarisch (A)" onder meer voorziet in behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden", zonder dat sprake hoeft te zijn van een agrarisch bedrijf. Niet gebleken is dat de aanwezige beplanting en loofhout van dien aard zijn dat deze niet onder voormelde doeleindenomschrijving vallen. Voorts voorziet het plan ter plaatse niet in een bouwvlak zodat het niet mogelijk is gebouwen op te richten en biedt het aanlegvergunningstelsel uit artikel 3, vijfde lid, van de planregels de mogelijkheid om de opgaande beplanting en loofhout te beschermen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Agrarisch (A)" passend is. 2.28.
- Ten aanzien van de gronden ten zuidoosten van de woning van [appellant sub 11] aan de [locatie sub 27] met de bestemming "Tuin (T)", kadastraal bekend sectie [.], nr. [….], staat in het deskundigenbericht dat ter plaatse veel opgaande beplanting en loofhout voorkomt en dat geen sprake is van gebruik als tuin behorend bij een op aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouw. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de bestemming "Tuin (T)" is ingeven door de omstandigheid dat de desbetreffende gronden oorspronkelijk planologisch één geheel vormden met het perceel [locatie sub 27] en heeft niet weersproken dat de desbetreffende gronden niet in gebruik zijn als tuin als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onder a, van de planregels. 2.28.
- Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 11] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3.1 van de Wro te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin (T)" voor de gronden ten zuidoosten van het perceel [locatie sub 27] te [plaats], kadastraal bekend sectie [.], nr. [….]. Het beroep van [appellant sub 15] 2.
- [appellant sub 15] betoogt dat de woning op zijn perceel [locatie sub 28] ten onrechte is bestemd als bedrijfswoning in plaats van als burgerwoning. Hiertoe voert hij aan dat de betrokken gronden met medewerking van het gemeentebestuur van het bedrijf zijn afgesplitst, waardoor het gemeentebestuur het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de bewoning los van het bedrijf mogelijk zou worden. Verder voert hij aan dat milieu-eisen niet aan de toekenning van een woonbestemming in de weg staan, nu reeds op korte afstand van het bedrijventerrein burgerwoningen aanwezig zijn. 2.29.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de gronden door de gemeente aan meerdere eigenaren zijn verkocht met als oogmerk de vestiging van een bedrijf ter plaatse, conform het toen in ontwerp zijnde bestemmingsplan en de verleende bouwvergunning voor een loods met bedrijfswoning. Een woonbestemming acht de raad niet wenselijk omdat de bedrijfswoning op een bedrijventerrein ligt en de woonbestemming zou kunnen leiden tot een beperking van de bedrijfsvoering van de op dat terrein gevestigde bedrijven. 2.29.
- Het plan voorziet voor het perceel van [appellant sub 15], voor zover van belang, in de bestemming "Bedrijf (B)" met ter plaatse van de bedrijfswoning de aanduiding "bedrijfswoning (bw)". Ingevolge artikel 1, onder 15, van de planregels wordt onder bedrijfswoning verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b en q, zijn de voor "Bedrijf (B)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor bedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat bedrijfswoningen uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning (bw)". 2.29.
- [appellant sub 15] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de aparte verkoop van de gronden voor de bedrijfswoning en die voor de loods een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de benodigde planologische medewerking zou worden verleend aan het omzetten van de bedrijfswoning in een burgerwoning, nog afgezien van de omstandigheid dat niet is gebleken dat de raad als het tot vaststelling van bestemmingsplannen bevoegde orgaan bij die verkoop betrokken is geweest. Hierbij betrekt de Afdeling ook dat [appellant sub 15] niet gemotiveerd heeft bestreden dat bouwvergunning is verleend voor een loods met bedrijfswoning. Het plan voorziet in bedrijvigheid in milieucategorie 3 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten binnen een afstand van 50 m van de bedrijfswoning. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het omzetten van de bedrijfswoning in een burgerwoning de bedrijfsvoering van de op het bedrijventerrein gevestigde bedrijven zou kunnen beperken. Ten aanzien van de door [appellant sub 15] gemaakte vergelijking met de woningen aan de Meidoornlaan en de woning op de kruising van de Damweg en de Onderweg, die nabij het bedrijventerrein liggen, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat de bedrijfswoning van [appellant sub 15], anders dan die woningen, op het bedrijventerrein ligt en is aangebouwd tegen bedrijfsbebouwing aan. Bovendien betreffen de door [appellant sub 15] genoemde woningen bestaande situaties. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 15] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Ten aanzien van het betoog dat de bedrijfswoning ruim tien jaar niet meer wordt bewoond door iemand die betrokken is bij het bedrijf, overweegt de Afdeling dat door gebruik in strijd met het bestemmingsplan geen recht ontstaat op legalisering van dit gebruik. Hierbij wordt overwogen dat ter zitting is gebleken dat het gemeentebestuur handhavend heeft opgetreden tegen het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 15] dat de bedrijfswoning thans geen functie meer heeft voor het bedrijf, overweegt de Afdeling dat het plan niet uitsluit dat de loods wordt gebruikt door een bedrijf waarvoor het gebruik van de bedrijfswoning noodzakelijk is. Gelet op het hiervoor overwogene is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang dat de bedrijven op het bedrijventerrein niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door de aanwezigheid van een burgerwoning op het bedrijventerrein dan aan het belang dat [appellant sub 15] heeft bij het omzetten van de bedrijfswoning in een burgerwoning. Het beroep van [appellant sub 15] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 16] 2.
- [appellant sub 16] stelt dat aan haar weidegronden op het perceel [locatie sub 29] ten onrechte de bestemming "Agrarisch (A)" is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat zij enkele paarden houdt zonder bedrijfsmatig karakter. 2.30.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het gebruik voor de gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" in het plan niet goed is genormeerd. 2.30.
- Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)", voor zover betrekking hebbend op het perceel [locatie sub 29]. 2.
- [appellant sub 16] betoogt verder dat de bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 137,5 m2 en de longeerkraal op haar perceel [locatie sub 29] ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Zij gebruikt deze bebouwing en de longeerkraal voor het hobbymatig houden van paarden. Voor zover geen bouwvergunning is verleend voor de bijgebouwen stelt [appellant sub 16] dat de bebouwing reeds 15 tot 20 jaar aanwezig is en nimmer door het gemeentebestuur ter discussie is gesteld. 2.31.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het hobbymatig houden van paarden is toegestaan binnen de bestemming "Wonen-2 (W-2)" en verwijst hiervoor naar art. 22, lid 12, van de planregels. Hiervoor zijn de voorziene 75 m2 aan bijgebouwen volgens de raad toereikend. De gewenste grotere stalruimte en de longeerkraal horen volgens hem bij professionele beoefening van paardensport, hetgeen ter plaatse niet is toegestaan. De raad stelt niet op de hoogte te zijn geweest van de omstandigheid dat het maximale oppervlak aan bebouwing wordt overschreden en stelt dat de bijgebouwen zonder bouwvergunning zijn opgericht. Eventueel kan ontheffing worden aangevraagd om de illegale bouwwerken te legaliseren. 2.31.
- Het plan voorziet voor het bedoelde gedeelte van het perceel van [appellant sub 16], voor zover van belang, in de bestemming "Wonen-2 (W-2)". Ingevolge artikel 1, onder 60, van de planregels wordt onder paardenbak verstaan een door middel van een afscheiding van een perceel afgezonderd stuk grond kennelijk ingericht en bedoeld voor het africhten en/of trainen van paarden, het uitoefenen van de paardensport dan wel het vrij laten loslopen van paarden, meestal als uitloop van een stal. Ingevolge artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, zijn de voor "Wonen-2 (W-2)" aangewezen gronden, voor zover van belang, bestemd voor het wonen. Ingevolge het vierde lid gelden voor zover van belang, de volgende bepalingen: m. voor zover van belang, mag bij bouwpercelen met een oppervlakte vanaf 900 m² de maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en recreatiewoning ten hoogste 75 m² bedragen; dd. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen. Ingevolge het elfde lid, onder a en b, is het verboden om: a. gronden in gebruik te nemen/hebben of te laten gebruiken voor paardenbakken en mestopslag; b. gebouwen te gebruiken of te laten gebruiken voor het stallen van paarden. Ingevolge het twaalfde lid, aanhef en onder b en c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in het elfde lid ten behoeve van, voor zover van belang, het gebruik van gronden voor paardenbakken en mestopslag en het gebruik van bijgebouwen voor het stallen van paarden, met dien verstande dat: b. het bijgebouw voor maximaal 2 paarden mag worden gebruikt; c. in afwijking van het bepaalde onder b mag het bijgebouw voor maximaal vijf paarden worden gebruikt indien de gronden grenzen aan het landelijk gebied en indien voorts meer dan 1,5 ha weidegrond aanwezig is aansluitend aan het woonperceel. In het deskundigenbericht staat dat het oppervlak van het bouwperceel van [appellant sub 16] ten minste 6000 m2 bedraagt, zodat de maximale oppervlakte aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ingevolge artikel 22, vierde lid, onder m, ten hoogste 75 m² bedraagt. 2.31.
- Gelet op het vermelde in artikel 22, elfde lid, onder a en b, van de planregels heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het hobbymatig houden van paarden is toegestaan op gronden met de bestemming "Wonen-2 (W-2)". Weliswaar biedt artikel 22, twaalfde lid de mogelijkheid ontheffing te verlenen van het bepaalde in het elfde lid, onder a en b, maar daarmee is niet voorzien in het bestaande gebruik, nu niet in geschil is dat een dergelijke ontheffing niet is verleend. Bovendien heeft een dergelijke ontheffingsbevoegdheid naar zijn aard betrekking op toekomstige situaties en is een dergelijke regeling niet bedoeld om bestaand gebruik mogelijk te maken. Het twaalfde lid voorziet voorts niet in de mogelijkheid ontheffing te verlenen van het maximale oppervlak aan bijgebouwen van 75 m². Ter zitting heeft de raad toegelicht dat niet duidelijk is of handhavend zal worden opgetreden ten aanzien van de bebouwing die niet als zodanig is bestemd. Derhalve is onzeker of die bebouwing binnen de planperiode zal worden verwijderd. Bovendien is niet onderkend dat de longeerkraal valt onder de begripsbepaling van paardenbak zoals neergelegd in artikel 1, onder 60, van de planregels. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad in het kader van de voorbereiding van het voorliggende plan de feitelijke en de planologisch gewenste situatie had moeten onderzoeken teneinde voor het perceel tot een passende bestemmingsregeling te komen. Nu de raad dit heeft nagelaten is het bestreden besluit in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 2.31.
- In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. het beroep van [appellant sub 16] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(a)" en het plandeel "Agrarisch (A)" voor het perceel [locatie sub 29] te [plaats]. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder a, en vijfde lid, van de Awb de raad op te dragen om binnen negen maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een bestemmingsplan vast te stellen voor bovengenoemde plandelen. 2.
- Ter voorlichting van partijen overweegt de Afdeling nog dat, voor zover ter uitvoering van deze uitspraak een herziening van het besluit van 23 juni 2009 waarbij het plan is vastgesteld, noodzakelijk is, de raad daartoe kan overgaan zonder opnieuw toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Proceskostenveroordeling 2.
- De raad dient ten aanzien van [appellant sub 12], [appellant sub 14] en [appellant sub 16] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 2], [appellant sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 11] en [appellant sub 13] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 3], [appellant sub 5], [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 10], [appellant sub 15] en [appellanten sub 17] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen van [appellant sub 14] en [appellant sub 9], [appellant sub 13], [appellant sub 12] en [appellant sub 12] en [appellant sub 16], geheel en de beroepen van [appellant sub 7], [appellant sub 2] en [appellant sub 11] gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen van 23 juni 2009 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Schoorl Kernen en Buurtschappen" voor zover: a. het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" en de aanduiding "recreatiewoning (rw)" voor het perceel [locatie sub 7]; b. het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin", voor zover betrekking hebbend op de aanbouw op het perceel [locatie sub 21] te [plaats]; c. het perceel [locatie sub 23] te [plaats] van [appellant sub 9] geen deel uitmaakt van het plangebied; d. het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(a)" voor het perceel [locatie sub 22] te [plaats]; e. het betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf (B)" voor het perceel [locatie sub 24] te [plaats]; f. het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduidingen "2" en "recreatiewoning (rw)" voor het perceel [locatie sub 26] te [plaats]; g. het betreft de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" en het tussengelegen plandeel met de bestemming "Groen (G)" met de aanduiding "weide (wei)" voor de percelen [locatie sub 1] en [locatie sub 2] te [plaats]; h. het betreft het plandeel met de bestemming "Tuin (T)" voor de gronden ten zuidoosten van het perceel [locatie sub 27] te [plaats], kadastraal bekend sectie [.], nr. [….]; i. het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(a)" en het plandeel "Agrarisch (A)" voor het perceel [locatie sub 29] te [plaats]; IV. draagt de raad van de gemeente Bergen op om binnen negen maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw bestemmingsplan vast te stellen ten aanzien van de plandelen genoemd onder III.a., III.b., III.e., III.f, III.g. en III.i.; V. treft de voorlopige voorzieningen dat: a. het plandeel genoemd onder III.f. geacht wordt in werking te zijn getreden; b. de plandelen met de bestemming "Wonen-2 (W-2)" met de aanduiding "(c)" en de bestemming "Groen (G)" voor de gronden van het perceel[locatie sub 2] te [plaats], genoemd onder III.g., geacht worden in werking te zijn getreden, met dien verstande dat de veeschuur mag worden gebruikt voor het stallen en fokken van paarden als hobbyboer, als bedoeld in artikel 1, onder 42, van de planregels; VI. bepaalt dat de onder V. opgenomen voorlopige voorzieningen vervallen op het tijdstip van inwerkingtreding van een bestemmingsplan waarin de onder V. bedoelde plandelen zijn opgenomen; VII. verklaart de beroepen van [appellant sub 1],[appellant sub 4] en [appellant sub 4], [appellant sub 3], [appellant sub 10], [appellant sub 6] en anderen, [appellant sub 7], voor het overige, [appellant sub 2], voor het overige, [appellant sub 5], [appellant sub 11], voor het overige, en [appellant sub 15] en [appellant sub 15], ongegrond; VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten ten aanzien van: - [appellant sub 12] en [appellant sub 12] tot een bedrag van € 644 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; - [appellant sub 14] tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - [appellant sub 16] tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat de raad van de gemeente Bergen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 2]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 7]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 9]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 11]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 12] en [appellant sub 12], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 13]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 14]; - € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) voor [appellant sub 16]. Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Gerkema, ambtenaar van staat. w.g. Van Buuren w.g. Gerkema voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2011 472-635.