← Nederland

ECLI:NL:RVS:2011:BR6907

200907076/1/R

  1. Datum uitspraak: 7 september 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. de vereniging Het Groene Hart, gevestigd te Boxtel, gemeente Sint-Michielsgestel, en de stichting Stichting Landschap, Natuur en Milieu Haaren (hierna: Het Groene Hart en de stichting LNMH), gevestigd te Haaren,
  3. de vereniging Natuurmonumenten, gevestigd te 's-Graveland, gemeente Wijdemeren,
  4. [appellant sub 3], wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren, en anderen,
  5. [appellant sub 4], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,
  6. [appellante sub 5], gevestigd te Haaren,
  7. [appellant sub 6], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,
  8. [appellante sub 7], gevestigd te Haaren,
  9. [appellant sub 8], wonend te Cromvoirt, gemeente Vught,
  10. [appellante sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 9]) gevestigd, respectievelijk wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,
  11. [appellante sub 10], gevestigd te Biezenmortel, gemeente Haaren, en anderen,
  12. [appellant sub 11], wonend te Poppel, gemeente Ravels (België),
  13. [appellante sub 12], gevestigd te Haaren, en anderen,
  14. [appellante sub 13], gevestigd te Biezenmortel, gemeente Haaren,
  15. [appellante sub 14], gevestigd te Haaren,
  16. [appellant sub 15], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren, en anderen,
  17. [appellant sub 16A] en [appellante sub 16B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 16]), wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,
  18. [appellant sub 17A] en [appellante sub 17B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 17]), wonend te Haaren,
  19. [appellant sub 18], wonend te Meterik, gemeente Horst aan de Maas,
  20. [appellante sub 19], gevestigd te Udenhout, gemeente Tilburg,
  21. [appellant sub 20], wonend te Haaren,
  22. [appellant sub 21], wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,
  23. [appellante sub 22], gevestigd te Biezenmortel, gemeente Haaren,
  24. [appellant sub 23A] en [appellant sub 23B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 23]), wonend te Biezenmortel, gemeente Haaren,
  25. [appellant sub 24], wonend te Haaren,
  26. [appellant sub 25A] en [appellante sub 25B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 25]), wonend te Helvoirt, gemeente Haaren,
  27. [appellante sub 26], gevestigd te Esch, gemeente Haaren,
  28. [appellant sub 27], wonend te Helvoirt, gemeente Haaren, en de raad van de gemeente Haaren, verweerder.
  29. Procesverloop Bij besluit van 9 juli 2009 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben de vereniging Het Groene Hart en de stichting LNMH bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, Natuurmonumenten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 3] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2009, [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 september 2009, [appellante sub 5] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 september 2009, [appellant sub 6] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2009, [appellante sub 7] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 september 2009, [appellant sub 8] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2009, [appellant sub 9] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, [appellante sub 10] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, [appellant sub 11] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellante sub 12] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, [appellante sub 13] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellante sub 14] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 15] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 16] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 17] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 18] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellante sub 19] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 20] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 21] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 oktober 2009, [appellante sub 22] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 23] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellant sub 24] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 oktober 2009, [appellant sub 25] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, [appellante sub 26] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 oktober 2009, en [appellant sub 27] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2009, beroep ingesteld. De vereniging Het Groene Hart en de stichting LNMH hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 12 november
  30. [appellante sub 5] heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 19 oktober
  31. [appellant sub 6] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 23 oktober
  32. [appellant sub 8] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 2 november
  33. [appellante sub 10] en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 29 oktober
  34. [appellant sub 23] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 30 oktober
  35. [appellante sub 12] en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 4 november
  36. [appellant sub 15] en anderen hebben de gronden van hun beroep aangevuld bij brief van 6 november
  37. [appellant sub 17] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 4 november
  38. [appellant sub 18] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 5 november
  39. [appellant sub 20] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 6 november
  40. Boomkwekerijen Boxtel B.V. heeft de gronden van haar beroep aangevuld bij brief van 19 november
  41. [appellant sub 27] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 6 november
  42. [appellant sub 16] heeft de gronden van zijn beroep aangevuld bij brief van 21 december
  43. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De vereniging Het Groene Hart en de stichting LNMH, [appellant sub 6], [appellant sub 21], [belanghebbende A], [appellant sub 18], [appellant sub 24], [appellante sub 7], [appellant sub 9], [appellant sub 25], [appellant sub 20], [appellante sub 13], [appellant sub 4], [appellant sub 8], [appellant sub 15] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. [belanghebbende A] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De vereniging Het Groene Hart en de stichting LNMH, Natuurmonumenten, [appellant sub 25], [appellant sub 4], [appellant sub 24], [appellante sub 10] en anderen, [belanghebbende B], [belanghebbende C1] en [belanghebbende C2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende C]), [belanghebbende D] en [belanghebbende E], [appellante sub 10] en anderen, [appellant sub 16] en [appellant sub 15] en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 en 17 mei 2011, waar de vereniging Het Groene Hart en de stichting LNMH, vertegenwoordigd door A.A. Abeele en mr. J.E. Dijk, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 3] en anderen, bijgestaan door mr. C.J.R. van Binsbergen, advocaat te Alphen aan den Rijn, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door R.J.H. van Herk, [appellant sub 6], [appellante sub 10] en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, [appellante sub 7], [appellant sub 18], vertegenwoordigd onderscheidenlijk bijgestaan door M.R.M. van Laarhoven, [appellant sub 25], [appellant sub 8], [appellant sub 9], bijgestaan door mr. W.B. Kroon, advocaat te Breda, [appellant sub 11], vertegenwoordigd door mr. V.Ch. Swane, [appellante sub 13], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, [appellante sub 14], vertegenwoordigd door H. Horlings, [appellant sub 15] en anderen, bijgestaan door mr. I.J.J.M. Roorda, advocaat te Vught, [appellant sub 16], bijgestaan door drs. H.E. Winkelman, [appellante sub 19], vertegenwoordigd door mr. G.W.M. Vugts, [appellant sub 20], bijgestaan door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Deurne, [appellant sub 21], bijgestaan door mr. H.G.M. van der Westen, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 22], vertegenwoordigd door ing. H. Schut, [appellant sub 24], [appellante sub 26], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door ing. L. Verduijn, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. K. van Polanen en S. Hunink, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], [belanghebbende C], bijgestaan door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen en [belanghebbende D], vertegenwoordigd door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, verschenen.
  44. Overwegingen De beroepen van Natuurmonumenten, Het Groene Hart en de stichting LNMH 2.
  45. Natuurmonumenten, Het Groene Hart en de stichting LNMH betogen dat onvoldoende is onderbouwd dat significante gevolgen door in het plan voorziene ontwikkelingen voor de in en rondom het plangebied aanwezige Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. Daartoe voeren zij aan dat het plan voorziet in uitbreidingsmogelijkheden voor grondgebonden en intensieve veehouderijen die tot een toename van de stikstofbelasting op de Natura 2000-gebieden kunnen leiden. In de "Voortoets Natuurbeschermingswet Bestemmingsplan Buitengebied, Gemeente Haaren" van 9 juli 2009 (hierna: de voortoets) is ten onrechte geen rekening gehouden met de bijdrage van bestaande veehouderijen aan de verzuring in het plangebied. Voorts ontbreekt inzicht in de gevolgen van de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen voor de amoniakdepositie. Een beoordeling daarvan kan niet worden doorgeschoven naar de vergunningverlening voor individuele bedrijven op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998). Voorts voeren zij aan dat in de voortoets is aangegeven dat in het plangebied kassen kunnen worden uitgebreid waarvan significante gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet zijn uitgesloten. Een passende beoordeling als bedoeld in artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998 en een milieueffectrapportage als bedoeld in artikel 7.2 en artikel 7.2a van de Wet milieubeheer, waarvan volgens laatstgenoemde bepaling de passende beoordeling deel uitmaakt, waren volgens hen dan ook noodzakelijk. 2.1.
  46. De raad stelt zich op het standpunt dat gewaarborgd is dat het plan geen significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden zal hebben en daarom een passende beoordeling niet nodig is. Het plan is grotendeels gebaseerd op bestaand agrarisch gebruik waarvoor ingevolge de Nbw 1998 geen vergunning is vereist. De voortoets is daarom beperkt tot nieuwe ontwikkelingen waarin het plan voorziet. Uitbreiding van bestaande bouwvlakken voor grondgebonden en intensieve veehouderijen is mogelijk door middel van een wijzigingsbevoegdheid, doch in extensiveringsgebieden alleen in verband met wettelijke eisen van dierenwelzijn en in verwevingsgebieden uitsluitend op duurzame locaties en onder de voorwaarde dat natuurwaarden niet onevenredig mogen worden aangetast en er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn. Voor een beperkt aantal, in bijlage 7 van het plan genoemde, bedrijven die reeds ten tijde van de vaststelling van het plan aan deze voorwaarden voldeden is een uitbreiding bij recht toegestaan. Omdat het aantal dieren dat als gevolg van de uitbreidingsmogelijkheden in het plan maximaal gehouden kan worden nog niet bekend is, zal eerst bij de vergunningverlening op grond van de Nbw 1998 worden beoordeeld of maatregelen noodzakelijk zijn om significante gevolgen op de Natura 2000-gebieden uit te sluiten. Bovendien moeten bedrijven op grond van het Besluit huisvesting en andere regelgeving de komende jaren hun bestaande stallen aanpassen om ook zo de totale ammoniakemissie uit de intensieve veehouderij terug te dringen. Met uitzondering van de uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouw zullen volgens de voortoets de ontwikkelingen in het plan naar verwachting geen significante gevolgen hebben voor de Natura 2000-gebieden. De mogelijke significante gevolgen als gevolg van de assimilatiebelichting in de glastuinbouw zullen worden voorkomen door in het plan opgenomen en op het Besluit Glastuinbouw gebaseerde voorwaarden over lichtafschermende maatregelen en door een tussen de glastuinbouwsector en de overheid afgesloten convenant. 2.1.
  47. Het gebied De Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen ligt deels in en grenst deels aan het plangebied. Daarnaast liggen in de directe omgeving van het plangebied de gebieden Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek en Kampina & Oisterwijkse Vennen. Bij beschikking van 7 december 2004 van de Europese Commissie (Pb L 387) zijn deze gebieden op de lijst van gebieden van communautair belang geplaatst. Het bestreden besluit dateert van 9 juli
  48. Per 1 februari 2009 is de Natuurbeschermingswet 1998 gewijzigd, waarbij niet is voorzien in overgangsrecht. Derhalve dient aan deze wijziging van de Nbw 1998 onmiddellijke werking te worden toegekend. Ingevolge artikel 1, onder n, sub 3, van de Nbw 1998 gelden voornoemde gebieden als Natura 2000-gebied in de zin van die wet. 2.1.
  49. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied. Ingevolge artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998, maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. Ingevolge artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998, is het verbod bedoeld in het eerste lid niet van toepassing op bestaand gebruik gedurende de periode bedoeld in artikel 19c, eerste lid, behoudens indien dat gebruik een project is dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar dat afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kan hebben voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. 2.1.
  50. Het plan voorziet, voor zover hier van belang, in de uitbreiding van bouwvlakken bij recht voor drie in bijlage 7 van het plan genoemde intensieve veehouderijen op gronden met de bestemming "Agrarisch (A)" aan de Holstraat 2, Kovelsweg 5 en Gijzelsestraat
  51. Verder bevatten de artikelen 3, lid 3.7.1, artikel 4, lid 4.7.1, artikel 5, lid 5.7.1 en artikel 6, lid 6.7.1 van de planregels wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van bouwvlakken voor grondgebonden en intensieve veehouderijen tot 3 ha en voor de vergroting van bouwvlakken voor glastuinbouwbedrijven tot 4 ha. 2.1.4.
  52. De vraag of de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande grondgebonden en intensieve veehouderijen significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 19j van de Nbw 1998 kan niet worden beantwoord zonder daarbij de gevolgen van de algehele omvang van deze veehouderijen voor die gebieden te betrekken, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van die gebieden. Nu de voortoets is beperkt tot de uitbreidingsmogelijkheden waarin het plan voorziet is deze in zoverre onvolledig. Dat klemt te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat in het plangebied reeds sprake is van een hoge stikstofdepositie. Het standpunt van de raad dat het plan grotendeels is gebaseerd op bestaand agrarisch gebruik waarvoor ingevolge de Nbw 1998 geen vergunning is vereist, gaat er aan voorbij dat geen uitzondering bestaat op de vergunningplicht voor bestaand gebruik als bedoeld in artikel 19d, derde lid, van de Nbw 1998, voor zover vergunningaanvragen voor grondgebonden en intensieve veehouderijen mede betrekking hebben op de in het plan voorziene uitbreidingsmogelijkheden. De Afdeling verwijst voor dit oordeel naar haar uitspraak van 1 december 2010, in zaak nr. 200905542/1/R
  53. 2.1.4.
  54. Ten aanzien van de uitbreiding van bouwvlakken bij recht voor drie in bijlage 7 van het plan genoemde intensieve veehouderijen gelegen aan de Holstraat 2 en Kovelsweg 5 te Haaren en de Gijzelsestraat 1 te Helvoirt is in de voortoets en het verweerschrift voorts aangegeven dat het gaat om zogeheten duurzame locaties in een verwevingsgebied, waarbij de uitbreidingsruimte grenst aan de bestaande bebouwing en bestaande natuur- en landschapswaarden buiten de bouwvlakken zijn gelaten. Volgens de voortoets is uitgesloten dat deze uitbreidingen een effect zullen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Naar het oordeel van de Afdeling ontslaat de ligging van deze veehouderijen in een verwevingsgebied en de begrenzing van hun bij recht uitgebreide bouwvlakken de raad niet van de verplichting om te onderzoeken wat de eventuele (cumulatieve) effecten van deze veehouderijen op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden zijn. De voortoets biedt hierin geen inzicht. 2.1.4.
  55. Ten aanzien van de wijzigingsbevoegdheden voor de vergroting van bouwvlakken voor grondgebonden en intensieve veehouderijen tot 3 ha is in de voortoets verder aangegeven dat het plan de omvang en de locatie van de bedrijfsbebouwing, alsmede de functie en het gebruik regelt, al dan niet met het toestaan van intensieve veehouderij. Wat het plan niet regelt is het aantal dieren, de diersoort en de milieuaspecten, waaronder eventuele milieumaatregelen om uitstoot van ammoniak te beperken of tegen te gaan. Toetsing vindt plaats in het kader van bijvoorbeeld de omgevingsvergunning. Omdat de gewenste bebouwingsmogelijkheden op bestaande en uit te breiden bouwvlakken niet bekend zijn, is het volgens de voortoets nog niet mogelijk te toetsen of er vanuit de uit te breiden bouwvlakken sprake is van significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden. Verder is een wijzigingsvoorwaarde dat bij uitbreiding van het bouwvlak geen significante effecten op het Natura 2000-gebied mogen plaatsvinden. De voortoets gaat er met deze overwegingen aan voorbij dat, daargelaten dat omgevingsvergunningen slechts betrekking hebben op individuele gevallen, reeds bij de vaststelling van het bestemmingsplan, uitgaande van de maximale mogelijkheden die het plan biedt, moet worden onderzocht of het plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. De te zijner tijd gewenste bebouwingsmogelijkheden zijn hierbij niet bepalend. Voornoemde verplichting hangt samen met het uitgangspunt dat opname van een wijzigingsbevoegdheid inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel als in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. In de planregels die betrekking hebben op de wijzigingsbevoegdheid is de maximale omvang van de uit te breiden bouwvlakken vastgelegd. Voorts is in de planregels aangegeven welk agrarisch gebruik is toegestaan. Voor wat betreft de intensieve veehouderij, de meest intensieve vorm van dat gebruik, zijn in de planregels de diersoorten die daar gehouden mogen worden limitatief aangegeven. Gelet hierop en gelet op het in de planregels toegestane bouwvolume valt niet in te zien waarom met de huidige stand van de techniek het aantal dieren dat maximaal gehouden kan worden en de gevolgen daarvan voor de Natura 2000-gebieden, waaronder de uitstoot van ammoniak, niet kunnen worden bepaald. Maatregelen om de ammoniakuitstoot te beperken of tegen te gaan kunnen vervolgens worden vastgesteld op grond van de geldende milieuwetgeving. Gelet hierop kan de raad niet worden gevolgd in zijn standpunt dat niet onderzocht kan worden of de uit te breiden bouwvlakken significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. De voortoets is in zoverre onvolledig en gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. 2.1.4.
  56. Ten aanzien van in het plan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven is in de voortoets aangegeven dat, nu in het plan geen beperkingen zijn gesteld aan het gebruik van de verlichting, significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden niet zijn uitgesloten. Voorwaarden over afscherming van verlichting ter voorkoming van deze gevolgen zijn weliswaar in de planregels opgenomen ten aanzien van teeltondersteunende kassen, doch ontbreken in de wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van de bouwvlakken voor glastuinbouw. In zoverre ontbreekt naar het oordeel van de Afdeling een passende beoordeling van de gevolgen van de uitbreidingsmogelijkheden. Het tussen de glastuinbouwsector en de rijksoverheid gesloten convenant bevat niet af te dwingen afspraken en heeft bovendien geen betrekking op afscherming aan de bovenzijde van de kassen. 2.1.4.
  57. De conclusie is dat bij de vaststelling van de bestreden plandelen artikel 19j van de Nbw 1998 niet in acht is genomen. 2.1.
  58. In hetgeen Natuurmonumenten, Het Groene Hart en de stichting LNMH hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "bouwvlak" op het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" ter plaatse van de percelen Holstraat 2 en Kovelsweg 5 te Haaren en Gijzelsestraat 1 te Helvoirt en artikel 3, lid 3.7.1, artikel 4, lid 4.7.1, artikel 5, lid 5.7.1 en artikel 6, lid 6.7.1 van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Nbw
  59. Het beroep van Natuurmonumenten is geheel, en het beroep van Het Groene Hart en de stichting LNMH is in zoverre, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. 2.
  60. Gelet hierop behoeven de overige door Natuurmonumenten, Het Groene Hart en de stichting LNMH aangevoerde beroepsgronden ten aanzien van voornoemde onderdelen van het plan geen bespreking meer. 2.
  61. Het Groene Hart en de stichting LNMH betogen dat geen deugdelijk onderzoek naar de abiotische waarden in het plangebied is verricht. Ter toelichting voeren zij aan dat de begrenzing van het beekherstelgebied niet gedifferentieerd langs onder meer de Essche Stroom is opgenomen. Voorts is van een Ecologische Verbindingszone (hierna: EVZ) geen sprake, nu de aanduiding "ecologische verbindingszone" in het plangebied wordt onderbroken. Verder is bij de uitwerking van de Ecologische en Groene Hoofdstructuur (hierna: EHS en GHS) aangesloten bij de zonering uit het provinciaal beleid, zonder nader onderzoek door de raad. 2.3.
  62. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding "beekherstelgebied" correct in het plan is opgenomen. De exacte ligging van de EVZ is nog niet vastgesteld. Op het moment dat de definitieve EVZ wordt gerealiseerd wordt dit in een plan vastgelegd. Verder is bij de uitwerking van de EHS- en GHS-zonering door de raad een eigen beoordeling gemaakt. 2.3.
  63. Uit de verbeelding volgt dat aan beide zijden van de Essche Stroom voor een zone van 125 m breed de aanduiding "beekherstelgebied" is opgenomen. Deze aanduiding is toegekend overeenkomstig het reconstructieplan "De Meierij". Voorts volgt uit het deskundigenbericht dat het gebied waaraan de aanduiding is toegekend niet onlogisch is. Het Groene Hart en de stichting LNMH hebben gelet hierop niet aannemelijk gemaakt dat de begrenzing van het beekherstelgebied onjuist in het plan is opgenomen. In het plan is de aanduiding "ecologische verbindingszone" opgenomen. Deze is, voor zover hier van belang, toegekend aan beide oevers van de Essche Stroom, waarmee het desbetreffende gebied wordt beschermd tegen uitbreidingen van agrarische bouwvlakken. Hierdoor blijft het mogelijk om langs de Essche Stroom een EVZ te realiseren, waarmee ook feitelijk reeds een aanvang is gemaakt. Ter zitting heeft de raad desgevraagd nader toegelicht dat de aanduiding onderdeel uitmaakt van een plan van aanpak, mede op basis van provinciaal en rijksbeleid, om stapsgewijs een EVZ te realiseren. De aanduiding "ecologische verbindingszone" wordt onderbroken door bestaande bebouwing. Uit het deskundigenbericht volgt dat ter plaatse van de onderbreking is aangesloten bij een nabijgelegen bestaande waterloop, hetgeen volgens de deskundige een logische keuze is. Gelet op het voorgaande heeft de raad terecht aanleiding gezien om de in het plan opgenomen aanduiding "ecologische verbindingszone" te onderbreken. Voor de uitwerking van de zonering van de EHS en GHS is in het plan in beginsel aangesloten bij het provinciale beleid. Voorts volgt uit het verweerschrift dat ook een gemeentelijke afweging is gemaakt van aanwezige landschaps- en natuurwaarden. Het resultaat van die afweging is aan de plantoelichting ten grondslag gelegd. Bij de vaststelling van het plan is van belang geacht om bepaalde waarden in het plangebied extra te beschermen en is in zoverre afgeweken van het provinciale beleid. Hierbij wordt gewezen op het gebied Belverse Akkers, waaraan de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 1 (AW-L1)" is toegekend. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de EHS en GHS onvoldoende in de afweging van de raad bij de vaststelling van het plan zijn betrokken. 2.3.
  64. De conclusie is dat Het Groene Hart en de stichting LNMH niet aannemelijk hebben gemaakt dat het onderzoek naar de abiotische waarden in het plangebied ondeugdelijk is. 2.
  65. Het Groene Hart en de stichting LNMH richten zich voorts tegen de vaststelling van het plandeel met de aanduiding "boomteeltontwikkelingsgebied" en de plandelen met de bestemming "Agrarisch (A)", voor zover hierbij wordt voorzien in boomteelt en teeltondersteunende kassen. Zij betogen dat het plan teveel ruimte biedt aan boomteelt, waardoor de openheid van het landschap onevenredig wordt aangetast. Dit is volgens hen in strijd met de gemeentelijke "Structuurvisie Plus, Gemeente Haaren" van 4 mei 2004 (hierna: de structuurvisie). De aanduiding is aan een aanzienlijk deel van het plangebied toegekend, waarbinnen ontheffing kan worden verleend voor het binnen een bouwvlak plaatsen van kassen met een maximale oppervlakte van 15.000 m². Dit in tegenstelling tot de maximale oppervlakte van 4.000 m² uit het vorige plan. Daarnaast is ook buiten het boomteeltontwikkelingsgebied binnen de bestemming "Agrarisch (A)" een bouwvlak van 5.000 m² voor de bouw van teeltondersteunende kassen mogelijk. 2.4.
  66. Uit de structuurvisie volgt, voor zover hier van belang, dat de boomteelt binnen de agrarische sector een bedrijfstak in opkomst is. Vanuit landschappelijke overwegingen kan in bepaalde gebieden door met name de laanbomenteelt een verstorend effect worden veroorzaakt, omdat er een te monotoon beeld ontstaat. Op bestemmingsplanniveau zullen daarom maatregelen moeten worden getroffen om de thans nog als waardevol te kenmerken open gebieden nadrukkelijk te beschermen. Grootschalige ontwikkelingen voor de glastuinbouw worden evenwel niet als wenselijk beschouwd. 2.4.
  67. Voorafgaand aan de vaststelling van het plan is de "Boomteeltvisie, Boomteeltparagraaf Bestemmingsplan Buitengebied Gemeente Haaren" uit mei 2008 (hierna: de boomteeltvisie) opgesteld. De boomteeltvisie is opgesteld in samenwerking met de provincie Noord-Brabant, ZLTO en de boomtelers. Verder is overleg gevoerd met de Brabantse Milieufederatie en heeft de Reconstructiecommissie met de boomteeltvisie ingestemd. Uit de boomteeltvisie volgt dat een specifieke afweging is gemaakt met betrekking tot de vraag in welke gebieden boomteelt al dan niet is gewenst. Ten aanzien van de Belverse Akkers is ervoor gekozen om de openheid van dit gebied te behouden, omdat alleen hierdoor de glooiing van het landschap zichtbaar blijft. Een maximale teelthoogte van 1,5 m zorgt ervoor dat de zichtlijnen behouden blijven. Voorts wordt bekeken of het door grondruil mogelijk is om de Belverse Akkers vrij van laanbomenteelt te krijgen. Uit het deskundigenbericht volgt dat in de boomteelt gebruik wordt gemaakt van ondersteunende permanente en tijdelijke kassen. Deze zijn nodig voor het opkweken van plantenmateriaal, het voortrekken en het overwinteren van gewassen. Zeker grote bedrijven en gespecialiseerde vermeerderingsbedrijven kunnen daarbij behoefte hebben aan een oppervlakte van 15.000 m². Uit de structuurvisie volgt niet dat boomteelt ter plaatse is uitgesloten. Verder is in het plan rekening gehouden met de openheid die de belevingswaarde waarborgt die een landschap kan bieden en is een afgewogen onderscheid gemaakt tussen gebieden waarin de openheid wel en niet mag worden aangetast. Naast dit belang wordt door de raad ontwikkelingsruimte voor tuinbouw en boomkwekerijen van belang geacht voor de economie van Noord-Brabant en Haaren. De Afdeling acht deze afweging niet onredelijk. Niet in geschil is dat zowel in het gebied waaraan de aanduiding "boomteeltontwikkelingsgebied" is toegekend als daarbuiten sprake kan zijn van aantasting van de openheid. Met de enkele stelling dat met een ontheffing kassen kunnen worden opgericht van respectievelijk 15.000 m² en 5.000 m², hebben Het Groene Hart en de stichting LNMH niet aannemelijk gemaakt dat hierdoor de aantasting van de openheid onevenredig is, waarbij in aanmerking wordt genomen dat er in geval van verlening van de ontheffing nog een afwegingsmogelijkheid is en tegen de verleende ontheffing rechtsmiddelen openstaan. 2.
  68. Het Groene Hart en de stichting LNMH richten zich verder tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 1 (AW-L1)" en "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2 (AW-L2)", voor zover binnen deze bestemmingen met een aanlegvergunning grasland kan worden omgezet naar boomteelt. Zij betogen dat de aan deze aanlegvergunning verbonden voorwaarden niet afdoende zijn ter bescherming van de openheid van het landschap, nu het college van burgemeester en wethouders bij het verlenen van de aanlegvergunning een te grote beleidsvrijheid toekomt. Bovendien dienen de voorwaarden voor de aanlegvergunning te worden getoetst door een deskundige. Verder had ook een aanlegvergunningstelsel moeten worden opgenomen voor het omzetten van alle andere vormen van landbouw naar boomteelt. 2.5.
  69. De raad stelt zich op het standpunt dat door het opgenomen aanlegvergunningenstelsel een goede afweging kan worden gemaakt die afdoende is ter bescherming van de openheid van het landschap. 2.5.
  70. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder e, van de planregels, voor zover hier van belang, zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 1 (AW-L1)" aangewezen gronden bestemd voor behoud, herstel en ontwikkeling van de landschapswaarden in het algemeen en in het bijzonder voor landschappelijk open gebied, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - openheid (saw-oh)". Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, aanhef en onder b, sub 7, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: het omzetten van grasland naar boomteelt. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.3 kan de vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. Gelijkluidende bepalingen als hiervoor omschreven zijn opgenomen voor de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2 (AW-L2)", opgenomen in de artikelen 5, lid 5.1, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 5, lid 5.6.1, aanhef en onder b, sub 7, en artikel 5, lid 5.6.3 van de planregels. 2.5.
  71. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hiervoor vermelde voorwaarden waaronder de aanlegvergunning mag worden verleend afdoende zijn ter bescherming van de openheid van het landschap. Er bestaat gelet hierop geen grond voor het oordeel dat de voorwaarden te ruim zijn geformuleerd en een verplicht deskundigenadvies had moeten worden opgenomen in de planregels. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het omzetten van andere vormen van landbouw dan grasland, zoals akkerbouw, naar boomteelt geen aanlegvergunning nodig is om de openheid te waarborgen, aangezien deze wat gewashoogte betreft niet vergelijkbaar zijn met grasland. 2.
  72. Het Groene Hart en de stichting LNMH richten zich daarnaast tegen de vaststelling van de plandelen met de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 2 (WR-A2)" en "Waarde - archeologie 3 (WR-A3)", voor zover hierbinnen is voorzien in de mogelijkheid om tot 0,5 m zonder aanlegvergunning grond te kunnen afgraven. Zij betogen dat het afgraven van grond tot 0,5 m mogelijk leidt tot aantasting van het waardevolle esdek en mogelijke in de grond aanwezige archeologische waarden. Zij wijzen hierbij op de bolle akkers in het gebied tussen Laarakkers, Gever en Kerkeind en het gebied Belverse Akkers. De aantasting kan plaatsvinden nu het in de boomteelt gebruikelijk is om bomen en struiken met kluit uit te graven. Om dit te voorkomen had een nulmeting van het maaiveld in de planregels moeten worden opgenomen. Als alternatief stellen Het Groene Hart en de stichting LNMH een vergunningvrije bewerkingsdiepte van 0,3 m voor. 2.6.
  73. De raad stelt zich op het standpunt dat de archeologische waarden voldoende worden beschermd. 2.6.
  74. De gebieden tussen Kerkeind, Laarakkers en Gever en de Belverse Akkers zijn op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart aangeduid als "Historische Geografie (vlak) Hoog" en "Indicatieve Archeologische Waarden Hoog of Middelhoog". Aan deze gebieden zijn in het plan de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 2 (WR-A2)" en "Waarde - archeologie 3 (WR-A3)" toegekend. Ingevolge artikel 28, lid 28.3.1, aanhef en onder a, en artikel 29, lid 29.3.1, aanhef en onder a, van de planregels is het binnen deze bestemmingen verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) grondbewerkingen dieper dan 0,5 m onder het maaiveld uit te voeren. 2.6.
  75. Uit het deskundigenbericht volgt dat een bewerkingsdiepte van 0,3 m het normaal agrarisch gebruik beperkt en niet nodig is. Ook daar waar de esdeklaag minder dik is dan 0,5 m hebben grondbewerkingen plaatsgevonden, nu de gebieden reeds lang in gebruik zijn ten behoeve van agrarische activiteiten. Dat Het Groene Hart en de stichting LNMH vrezen dat door het uitgraven van bomen en planten ook kluiten uit de bovenlaag zullen worden afgevoerd waardoor het maaiveld zal dalen, lijkt volgens de deskundige niet waarschijnlijk. Hierbij wordt erop gewezen dat de boomteeltbedrijven er belang bij hebben dat deze gaten weer worden aangevuld om dezelfde maaiveldhoogte en kwalitatief hoogwaardige voedingsbodem te houden. De Afdeling ziet in hetgeen Het Groene Hart en de stichting LNMH hebben aangevoerd geen aanleiding om aan het deskundigenbericht te twijfelen. Voorts volgt uit artikel 28, lid 28.3.3, onder a, b en c, en artikel 29, lid 29.3.3, onder a, b en c, van de planregels dat de aanlegvergunning slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Alvorens over de aanvraag wordt beslist, dient de aanvrager daartoe een rapport te overleggen. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de archeologische waarden voldoende worden beschermd. 2.
  76. In hetgeen Het Groene Hart en de stichting LNMH voor het overige hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van Het Groene Hart en de stichting LNMH is voor het overige ongegrond. 2.7.
  77. De raad wordt op na te melden wijze tot vergoeding van bij Het Groene Hart en de stichting LNMH opgekomen proceskosten veroordeeld. Ten aanzien van Natuurmonumenten is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 3] en anderen 2.
  78. Ter zitting hebben [appellant sub 3] en anderen hun beroepsgronden, ertoe strekkende dat in het plan voor het perceel [locatie 1] te Biezenmortel een groter agrarisch bouwvlak is opgenomen dan in het vorige plan en dat de gevolgen van dit perceel voor de nabijgelegen EHS niet zijn beoordeeld, ingetrokken. De daarmee verband houdende argumenten in het beroepschrift worden daarom buiten beschouwing gelaten. 2.
  79. [appellant sub 3] en anderen richten zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" met de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij (iv)" voor zover die zijn toegekend aan het perceel van [belanghebbende B] aan de [locatie 1]. Zij stellen dat het in het vastgestelde plan opgenomen bouwvlak is vergroot ten opzichte van het voorontwerp van dat plan, waardoor ruimte is geschapen voor een vleeskuikenhouderij met 156.250 dierplaatsen. Ten onrechte heeft de raad de beoordeling van de gevolgen daarvan voor het woon- en leefklimaat van omwonenden (geurhinder en fijnstofemissie) doorgeschoven naar de milieuvergunningprocedure. Voorts stellen zij dat, gelet op de activiteiten waarin de bestreden bestemming voorziet, bij de voorbereiding van het plan een milieu-effectrapport als bedoeld in artikel 7.2 van de Wet milieubeheer (hierna: plan-MER) had moeten worden opgesteld. 2.9.
  80. De raad stelt zich op het standpunt dat het bouwvlak uit het vorige plan is overgenomen, op grond waarvan reeds een bouwvergunning is verleend. Omdat er geen nieuwe ruimte wordt gecreëerd voor het realiseren van een vleeskuikenhouderij met 156.250 dierplaatsen is volgens de raad een plan-MER niet nodig. 2.9.
  81. Er bestaat geen wettelijke belemmering voor de raad om bij het in procedure brengen van het ontwerpplan en het vastgestelde plan als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) af te wijken van het voorontwerp. 2.
  82. Het perceel ligt in een verwevingsgebied als bedoeld in het reconstructieplan "De Meierij". Uit de "Aanmeldingsnotitie voor de beoordeling m.e.r.-plicht voor het uitbreiden van een vleeskuikenshouderij" van 20 februari 2009 (hierna: de aanmeldingsnotitie), waarnaar in de zienswijzennota wordt verwezen, volgt dat wordt voldaan aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Daarin is tevens gewezen op de "Gebiedsvisie t.b.v. de Verordening geurhinder en veehouderij" van 26 februari 2008, die is opgesteld in verband met het vaststellen van de Verordening geurhinder en veehouderij van de gemeente Haaren, waarbij tevens de cumulatie van geurhinder met andere inrichtingen is betrokken. Nu de gebiedsvisie bij de vaststelling van het plan is betrokken, bestaat geen grond voor het oordeel dat de geurhinder voor omwonenden niet bij de vaststelling van het plan is meegewogen. Nu het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" met de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij (iv)" voor zover die zijn toegekend aan het perceel [locatie 1] niet voorziet in uitbreidingsmogelijkheden, behoefde de vaststelling daarvan niet te worden getoetst aan de Wet luchtkwaliteit aangezien een juridisch relevante verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse redelijkerwijs is uit te sluiten. 2.
  83. Ingevolge artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: het Besluit) moet een milieu-effectrapportage (hierna: m.e.r.) voor plannen worden uitgevoerd bij de voorbereiding van plannen die zijn omschreven in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage bij het Besluit, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit als omschreven in artikel 2, vierde lid, van het Besluit (kolom 4 van onderdeel C, onderscheidenlijk D van de bijlage bij het Besluit) en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid. 2.11.
  84. In categorie 14 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit is als activiteit waarvoor bij de voorbereiding van een besluit het maken van een milieueffectrapport verplicht is, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met meer dan 85.000 plaatsen voor mesthoenders. In categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit is als activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van een besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt, onder meer aangewezen: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een inrichting met 60.000 plaatsen of meer voor mesthoenders. In kolom 3 van categorie 14 van onderdeel C onderscheidenlijk D van de bijlage bij het Besluit is onder meer aangewezen een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wro (bestemmingsplan). In kolom 4 van categorie 14 van onderdeel C onderscheidenlijk D van de bijlage bij het Besluit zijn onder meer aangewezen de besluiten waarop afdeling 3.2 van de Wet milieubeheer van toepassing is (milieuvergunning) 2.11.
  85. Op het perceel is sinds 1998 een vleeskuikenhouderij gevestigd. In het vorige plan "Buitengebied van de gemeente Udenhout, partiële herziening (Biezenmortel)" uit 2001 was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied A" toegekend. Deze bestemming was bedoeld voor bestaande agrarische bedrijven met daarbij behorende voorzieningen. Tevens was in dit plan een zogeheten verbaal bouwvlak van 1,5 ha opgenomen voor het perceel. In het voorliggende plan is dit verbale bouwvlak in dezelfde omvang overgenomen door middel van de aanduiding "bouwvlak" op de verbeelding. 2.11.
  86. Blijkens het deskundigenbericht is op 17 september 1998 een milieuvergunning verleend voor het houden van vleeskuikens en zijn op het perceel vier stallen voor 87.000 vleeskuikens aanwezig. Voor de uitbreiding van het bedrijf met 77.500 vleeskuikens en een aanpassing van de dierbezetting in de afzonderlijke stallen tot in totaal 156.250 vleeskuikens zijn een bouwvergunning en een milieuvergunning aangevraagd welke na de vaststelling van het plan zijn verleend. Volgens het deskundigenbericht voorziet het plan ten opzichte van het voorheen geldende regime, met uitzondering van een geringe verruiming van de goot- en bouwhoogte, niet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden voor de bedrijfsgebouwen. 2.11.
  87. De uitbreiding van het bedrijf met 77.500 vleeskuikens is, gelet op categorie 14 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit, een activiteit waarvoor beoordeeld moet worden of bij de voorbereiding van de daarop betrekking hebbende milieuvergunning een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Daartoe is op 20 februari 2009 in opdracht van het bedrijf een aanmeldingsnotitie opgesteld. Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in deze uitbreiding en is daarmee een kader voor een besluit als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, derde en vierde lid, van het Besluit. De raad heeft dit niet onderkend. Dat de uitbreiding volgens de raad ook onder het voorheen geldende bestemmingsplan was toegestaan betekent niet dat deze is aan te merken als een bestaande, ongewijzigd blijvende voorziening waarvoor geen m.e.r.-plicht bestaat, aangezien de daadwerkelijke uitbreiding ten tijde van het bestreden besluit niet had plaatsgevonden. De verwijzing van [belanghebbende B] naar de Memorie van Toelichting op de gewijzigde Wet milieubeheer over het begrip "kader" (TK 2004-2005, 29811, nr. 3, p. 3 en 4) leidt niet tot een ander oordeel omdat daarmee alleen de mate van concreetheid van plannen wordt aangeven om als kader in de zin van deze wet te kunnen worden aangemerkt en niet wordt uitgesloten dat opeenvolgende plannen m.e.r-plichtig kunnen zijn. 2.11.
  88. In hetgeen [appellant sub 3] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" met de aanduidingen "bouwvlak" en "intensieve veehouderij (iv)" voor zover die zijn toegekend aan het perceel [locatie 1], is vastgesteld in strijd met artikel 7.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 2.11.
  89. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in zoverre met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in stand te laten en overweegt hiertoe het volgende. 2.11.
  90. Het bouwvlak van 1,5 ha is volgens het verweerschrift gebaseerd op de voorwaarden uit het milieueffectrapport dat gemaakt is voor het reconstructieplan "De Meierij". Bij uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2011, zaak nr. 201006537/1/M2 en 6 april 2011, zaak nr. 201008723/1/H1 zijn de milieu- en bouwvergunning voor de uitbreiding van het bedrijf onherroepelijk geworden. Naar ter zitting door de raad onweersproken is gesteld is daarmee het aantal mogelijke dierplaatsen binnen het bouwvlak van 1,5 ha volledig benut. De m.e.r.-beoordelingsplicht is in de procedure voor de milieuvergunning vervuld. Nu het bestemmingsplan niet méér mogelijk maakt dan waarvoor reeds een vergunning is verleend, kan dat plan niet alsnog een kader vormen voor een milieuvergunning ten behoeve van een uitbreiding van de inrichting met meer dierplaatsen. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het alsnog opstellen van een MER ten behoeve van het plan en kunnen de rechtsgevolgen in zoverre in stand worden gelaten. 2.11.
  91. De raad wordt op na te melden wijze tot vergoeding van bij [appellant sub 3] en anderen opgekomen proceskosten veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 4] 2.
  92. [appellant sub 4] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen (W)" ter plaatse van zijn perceel [locatie 3] te Helvoirt. Hij betoogt dat de inhoud van zijn woning in de planregels ten onrechte is gemaximeerd tot 600 m³. Hij wenst een inhoudsmaat van 750 m³ mede ten behoeve van zijn werkzaamheden als eigenaar en bestuurder van een vastgoedbedrijf. Op grond van het provinciale beleid kan worden afgeweken van de inhoudsmaat van 600 m³ wanneer dit leidt tot een vergroting van de beeldbepalende kwaliteiten van de omgeving. Nu in dit geval gezien de omvang van het perceel sprake is van een vergroting van de beeldbepalende kwaliteiten van de omgeving is een extra planprocedure overbodig, aldus [appellant sub 4]. Bovendien staat dit beleid ter discussie waarbij hij wijst op het memorandum "Overzicht verzoek tot beleidsaanpassingen uit Nota van zienswijzen ISV 2008" van 10 september 2008 (hierna: de nota). Voorts betoogt hij dat in het plan diverse woningen zijn opgenomen die de inhoudsmaat van 600 m³ overschrijden. In het bijzonder wijst hij hierbij op de percelen Loonse Baan 14, Kreitestraat 7 en Belversestraat
  93. Verder valt volgens hem niet in te zien waarom voor bedrijfswoningen wel een inhoudsmaat van 750 m³ is toegestaan, voor een woning op grond van de "Ruimte voor Ruimte"-regeling 1.000 m³ en voor sommige woningen geen beperkingen zijn gesteld aan de maximale inhoudsmaat. 2.12.
  94. De raad stelt zich op het standpunt dat voor alle burgerwoningen in het buitengebied een inhoudsmaat wordt gehanteerd van 600 m³. Er is een mogelijkheid om van deze maat af te wijken wanneer dit leidt tot een vergroting van de beeldbepalende kwaliteiten van de omgeving, maar het is niet mogelijk om hiervoor een goede afweging te maken in een bestemmingsplan voor het gehele buitengebied. Wat betreft de inhoudsmaat van woningen op andere percelen is sprake van andere situaties. 2.12.
  95. De nota bevat slechts een overzicht van verzoeken om aanpassingen van het provinciale beleid en is geen ten tijde van het bestreden besluit geldend gemeentelijk beleid. Niet in geschil is dat de raad overeenkomstig het provinciale beleid, dat blijkens het bestreden besluit ook als gemeentelijk beleid heeft te gelden, een maximale inhoudsmaat van 600 m³ aan burgerwoningen heeft toegekend waarvan kan worden afgeweken indien dit leidt tot een vergroting van de beeldbepalende kwaliteiten van de omgeving. De Afdeling acht dit beleid niet onredelijk. Voor bedrijfswoningen en woningen op grond van de Ruimte voor Ruimte-regeling gelden anderen eisen en voorwaarden zodat de raad wat betreft de inhoudsmaat voor burgerwoningen in redelijkheid niet bij deze woningen hoefde aan te sluiten. In het vorige plan was aan het perceel de bestemming "Woondoeleinden, W(a)" toegekend en mocht de inhoud van de woning niet meer bedragen dan 450 m³. De maximale inhoudsmaat in het voorliggende plan is met 150 m³ toegenomen tot 600 m³. Bovendien is blijkens het bestreden besluit een uitgangspunt van het plan dat verdere verstening dient te worden tegengaan. De Afdeling acht dit uitgangspunt, gezien de ligging van het perceel in het buitengebied van Haaren, niet onredelijk. Het enkele feit dat [appellant sub 4] een grotere inhoudsmaat voor zijn woning wenst, betekent niet dat de raad hieraan moet meewerken door van het beleid af te wijken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant sub 4] niet met bijvoorbeeld een concreet bouwplan heeft onderbouwd waarom een grotere inhoudsmaat voor zijn woning leidt tot een vergroting van de beeldbepalende kwaliteiten van de omgeving. Reeds hierom bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat voor het perceel een inhoudsmaat van 750 m³ bij recht moest worden toegestaan. 2.12.
  96. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat in het plan diverse woningen zijn opgenomen die de inhoudsmaat van 600 m³ wel overschrijden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 4] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. De woning aan de Loonse Baan 14 was toegestaan als resultaat van in het verleden gevoerde planologische procedures. Het perceel Kreitestraat 7 is onderwerp van een in procedure zijnde herziening van het voorliggende plan, waarbij is voorzien in de herbouw van een reeds bestaande woning en voor het perceel Belversestraat 21 is een projectbesluit genomen waarbij is voorzien in de oprichting van een bedrijfswoning bij een boerderij. 2.12.
  97. Voor zover [appellant sub 4] naar aanleiding van het deskundigenbericht stelt dat het gebruik van zijn woning als kantoor ten onrechte niet bij recht in het plan is opgenomen wordt als volgt overwogen. Blijkens het deskundigenbericht gebruikt [appellant sub 4] 8 m² van zijn woning als kantoor voor zijn werkzaamheden als eigenaar en bestuurder van een vastgoedbedrijf. Gelet op het ondergeschikte gebruik van de woning als kantoor moet dit worden geacht te zijn toegestaan binnen de woonbestemming, zodat van het ten onrechte niet als zodanig bestemmen van dit gebruik geen sprake is. Voorts heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet zo kan zijn dat als gevolg van de uitbreiding van de kantoorruimte het niet meer mogelijk is de locatie op een aanvaardbare wijze te gebruiken als woning en de wens om een groter kantoor te hebben dus geen reden kan zijn om een grotere inhoudsmaat voor een woning toe te staan. 2.12.
  98. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond. 2.12.
  99. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 5] 2.
  100. [appellante sub 5] richt zich tegen de vaststelling van de aanduiding "kampeerterrein (kt)" voor zover die is toegekend aan een deel van haar perceel aan de [locatie 3] te Haaren. Hierdoor wordt zij beperkt in haar bouwmogelijkheden, omdat binnen deze aanduiding geen bebouwing is toegestaan. Ten onrechte wil de raad met de aanduiding verdere geurgevoelige bebouwing voorkomen, omdat dit een beperking kan opleveren voor omliggende agrarische bedrijven. De geurcontour kan alleen betrekking hebben op het perceel Roonsestraat 14, maar dit is een voormalige varkenshouderij die niet meer als zodanig in het plan is opgenomen, aldus [appellante sub 5]. 2.13.
  101. De raad stelt zich op het standpunt dat de aanduiding voor het perceel is opgenomen overeenkomstig het door [appellante sub 5] overgelegde ontwikkelingsplan "Visie op bedrijfsontwikkeling [appellante sub 5] Land Juweel: een professionele plattelandsonderneming in Het Groene Woud" van november 2008, opgesteld door Bureau Praedium (hierna: het ontwikkelingsplan). Het ontwikkelingsplan maakt deel uit van de aan het plan ten grondslag gelegde retrospectieve toets. De hierin voorziene ontwikkelingen vormen volgens de raad geen belemmering voor de omliggende agrarische bedrijven. 2.13.
  102. De door [appellante sub 5] gewenste planologische mogelijkheden voor een camping waren in het vorige plan niet toegestaan. Van een beperking van deze mogelijkheden is dan ook geen sprake. In het voorliggende plan is op verzoek van [appellante sub 5] aan het perceel de bestemming "Recreatie (R)" met de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - 08 (sr-08)" toegekend. Uit de Tabel Recreatieve voorzieningen bij artikel 17 van de planregels volgt dat binnen deze aanduiding verblijfsrecreatie, een hondensportvereniging, een camping en, daar waar aangeduid, een intensieve veehouderij zijn toegestaan. Verder is aan het zuidelijke gedeelte van het perceel de aanduiding "kampeerterrein (kt)" toegekend. Ingevolge artikel 17, lid 17.2.1, aanhef en onder a, van de planregels mogen ter plaatse van deze aanduiding geen gebouwen worden gebouwd. 2.13.
  103. De raad heeft in redelijkheid het ontwikkelingsplan van [appellante sub 5] ten grondslag kunnen leggen aan de in het plan opgenomen recreatieve bestemming van het perceel. Ten tijde van het bestreden besluit waren er geen concrete bouwplannen voor het zuidelijke deel van het perceel waarmee rekening zou moeten worden gehouden. In het ontwikkelingsplan is bebouwing voorzien op het noordelijke gedeelte van het perceel, hetgeen in het plan is toegestaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad reeds hierom in redelijkheid de aanduiding "kampeerterrein (kt)" aan het perceel kunnen toekennen. 2.13.
  104. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond. 2.13.
  105. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 6] 2.
  106. [appellant sub 6] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor zover deze is toegekend aan de percelen ten westen en zuidwesten van zijn perceel [locatie 4] te Helvoirt. Hij betoogt dat het plan, in tegenstelling tot het vorige plan, onvoldoende bescherming biedt voor de landschappelijke waarden van de percelen. De raad heeft ten onrechte de bestemming toegekend overeenkomstig het indicatieve provinciale beleid zonder zelf onderzoek te doen. Hij wijst hierbij op een brief van Staatsbosbeheer uit 1983 waaruit volgt dat in het plangebied aanwezige zandwegen dienen te worden beschermd. Ter zitting heeft [appellant sub 6] betoogd dat de dekzandlaag van gronden binnen de bestemming "Agrarisch (A)" onvoldoende wordt beschermd. 2.14.
  107. De raad stelt zich op het standpunt dat de binnen de bestemming "Agrarisch (A)" aanwezige waarden voldoende worden beschermd en sluit aan bij het provinciale beleid. 2.14.
  108. Aan de percelen is in het plan, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend met de dubbelbestemmingen "Waarde - cultuurhistorie (WR-C)" en "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone". Niet in geschil is dat deze bestemmingen aansluiten bij de provinciale zone AHS-overig. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, g en h, van de planregels zijn de voor "Agrarisch (A)" aangewezen gronden bestemd voor behoud en herstel van cultuurhistorische waarden en de bestaande landschapselementen, alsmede instandhouding als zodanig van de aldaar voorkomende zandwegen. Ingevolge artikel 1 wordt onder landschapselementen verstaan: ecologische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha, zonder een agrarische productiefunctie. Ingevolge artikel 3, lid 3.6.1, aanhef en onder a en b, is het verboden op de in artikel 3.1 bedoelde gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het wijzigen en verharden van zandwegen. b. Het verwijderen van landschapselementen. Ingevolge artikel 31, lid 31.1, aanhef en onder a, b, d en e, zijn de voor "Waarde - Cultuurhistorie (WR-C)" aangewezen gronden behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de paden, lanen en groenstructuur; b. cultuurhistorische, landschappelijke en architectonische waardevolle gebouwen; d. waterpartijen; e. bijzondere landschappelijke elementen. Ingevolge artikel 31, lid 31.2.1, aanhef en onder a, b, c, d, en e, is het binnen deze bestemming verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie. b. Het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- en landschapselementen of ander opgaand houtgewas. c. Het verwijderen van perceelsindelingen, zoals tot uiting komend in greppels, sloten, steilranden en het verwijderen van paden of onverharde wegen. d. Het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen voor zover groter dan 100 m² per perceel. e. Het aanleggen, dempen of wijzigen van (oevers, profiel van) oppervlaktewateren zoals waterpartijen, watergangen, sloten en greppels. Ingevolge artikel 31, lid 31.2.3, onder a, kan de in artikel 31, lid 31.2.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische waarden van de gronden. Ingevolge artikel 32, lid 32.1 zijn de voor "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone" aangewezen gronden behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden van de bufferzone rondom de natte natuurparel. Ingevolge artikel 32, lid 32.2.1, aanhef en onder a, b, c, d, e, en f, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: a. Het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² per perceel wordt gewijzigd of het maaiveld zelf niet meer dan 0,20 m wordt gewijzigd. b. Het omzetten van grond of uitvoeren van bodemingrepen dieper dan 0,50 m onder maaiveld. c. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels. d. De aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage. e. Het verlagen van de waterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen. f. Het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk. Ingevolge artikel 32, lid 32.2.3 kan de in artikel 32, 32.2.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de hydrologische waarden van de natte natuurparel. Alvorens te beslissen over het verlenen van een aanlegvergunning wint het college van burgemeester en wethouders advies in bij de waterbeheerder. 2.14.
  109. Uit het verweerschrift volgt dat de provinciale zone AHS-overig een indicatie geeft dat sprake is van een gebied met geringe landschappelijke waarde. Daarnaast is op gemeentelijk niveau een eigen beoordeling gemaakt van de aanwezige landschaps- en natuurwaarden. Er zijn in het desbetreffende gebied geen specifieke landschappelijke waarden zoals bolle akkercomplexen. Daarom is de bestemming "Agrarisch (A)" toegekend. Wel is hierbij voor een zone van 25 meter langs het beekdal van de Ruijsbossche Waterloop de aanduiding "ecologische verbindingszone" opgenomen, waarmee het gebied wordt beschermd tegen uitbreidingen van agrarische bouwvlakken, zodat het in de toekomst mogelijk blijft langs deze watergang een ecologische verbindingszone te realiseren. Voorts is aan grotere landschapselementen de bestemming "Bos (BO)" toegekend en zijn alle binnen de bestemming "Agrarisch (A)" bestaande kleinere landschapselementen en alle zandwegen en paden beschermd met een aanlegvergunningstelsel. 2.14.
  110. De op de percelen aanwezige landschappelijke waarden passen binnen de bestemmingsomschrijving van de bestemming "Agrarisch (A)" en de dubbelbestemmingen "Waarde - cultuurhistorie (WR-C)" en "Waterstaat - Natte natuurparel bufferzone". Daarnaast volgt uit de hiervoor genoemde planregels dat ter bescherming van deze landschappelijke waarden een aanlegvergunningenstelsel is opgenomen en dat ook zandwegen worden beschermd. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling, gelet hierop, geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels onvoldoende bescherming bieden voor de aanwezige waarden. Wat betreft het betoog over de dekzandlaag heeft de raad desgevraagd ter zitting nader toegelicht dat de aanwezige dekzandlagen minder beschermenswaardig zijn geacht dan de in de planregels opgenomen landschappelijke waarden. De Afdeling acht dit standpunt, gelet op de provinciale zonering, niet onredelijk. 2.14.
  111. In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 6] is ongegrond. 2.14.
  112. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 7] 2.
  113. [appellante sub 7] kan zich niet verenigen met de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" ter plaatse van het perceel [locatie 5] te Biezenmortel. Zij betoogt dat het op het perceel sinds negen jaar aanwezige verhuurbedrijf voor verreikers ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Daarnaast voorziet deze bestemming ten onrechte niet in de mogelijkheid om twee bestaande bedrijfsgebouwen te vervangen door één bedrijfsgebouw. Volgens [appellante sub 7] had daarom de bestemming "Bedrijf (B)" aan het perceel moeten worden toegekend. In dit verband wijst [appellante sub 7] erop dat het gemeentebestuur een gedoogbeschikking voor de aanwezigheid van het bedrijf op het perceel heeft afgegeven. De stelling van de raad dat het perceel vanwege de ligging nabij een natuurgebied niet geschikt is voor een bedrijfsbestemming, acht zij onvoldoende gemotiveerd. In dit verband wijst zij erop dat het bedrijfsmaterieel, dat momenteel in de buitenlucht wordt gestald omdat de huidige bebouwing onvoldoende groot is om het bedrijfsmaterieel te herbergen, binnen een nieuw bedrijfsgebouw kan worden geplaatst, wat zal bijdragen aan het behoud en de verbetering van de natuurwaarden van het gebied. Ook voert [appellante sub 7] aan dat een nieuwe schuur noodzakelijk is voor een verantwoorde bedrijfsvoering. Voorts stelt [appellante sub 7] dat het toekennen van de bestemming "Bedrijf (B)" aan het perceel in overeenstemming is met het provinciale beleid voor voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en ook geschikt is voor overige in het buitengebied voorkomende bedrijven. [appellante sub 7] wijst erop dat voor de percelen Biezenmortelstraat 2, Hooghoutseweg 29, Gijzelstraat 22 en Gommelsestraat 4 wel in het plan is voorzien in een bestemming "Bedrijf (B)". 2.15.
  114. Aan het perceel is de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" toegekend. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd-2 (GD-2)" aangewezen gronden bestemd voor onder meer agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven. Ingevolge lid 12.2.1, onder b en c, is nieuwbouw en herbouw van gebouwen, anders dan na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit, niet toegestaan. Ingevolge artikel 1 wordt verstaan onder een agrarisch technisch hulpbedrijf een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, met uitzondering van mestverwerking. Voorbeelden van agrarisch technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven. 2.15.
  115. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant van juli 2008 (hierna: de Paraplunota ruimtelijke ordening) is vermeld dat agrarisch technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven zich kunnen vestigen op een voormalige agrarische bedrijfslocatie in het buitengebied, maar niet op locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en niet op locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de Ruimte voor Ruimte-regeling. Overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven horen thuis op een bedrijventerrein of in een kern. Nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied is in beginsel niet toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden is vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie wel toegestaan. In paragraaf 4.11 staat hierover dat het, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ruimte-voor-ruimte, in bebouwingsconcentraties buiten de groene hoofdstructuur onder voorwaarden is toegestaan dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid, bijvoorbeeld voor startende bedrijven en kleinschalige dienstverlening. 2.15.
  116. De raad heeft dit provinciale beleid onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast bij de vaststelling van het plan. In paragraaf 3.8 van de plantoelichting is hierover vermeld dat nieuwvestiging van niet-agrarische functies in het buitengebied van Haaren niet is gewenst. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in principe niet thuishoren in het buitengebied. Voor niet-agrarische bedrijven die wel aan het buitengebied zijn gebonden kan een uitzondering worden gemaakt. In paragraaf 5.2.5 van de plantoelichting is hierover vermeld dat binnen vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing functies als een agrarisch technisch hulpbedrijf, agrarisch verwante bedrijven en bedrijven met statische opslag zijn toegestaan. Aan deze percelen is de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" toegekend. 2.15.
  117. Het perceel is een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Uit de zienswijze blijkt dat de activiteiten van [appellante sub 7] bestaan uit de verhuur van verreikers, voertuigen met uitschuifbare hefarmen, voor verticaal transport ten behoeve van de sectoren bouw en transport. De raad heeft zich ten tijde van het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat, voor zover de verreikers worden verhuurd voor niet-agrarische activiteiten, dit niet aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteiten zijn en dat een bedrijfsbestemming in strijd is met het gemeentelijke beleid voor niet-agrarische functies in het buitengebied. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor een uitzondering op dit beleid geen aanleiding is omdat het perceel niet in een bebouwingsconcentratie ligt. Ook heeft de raad in redelijkheid de ligging van het perceel nabij een Natura 2000-gebied en in een agrarisch gebied met landschapswaarden in aanmerking kunnen nemen. Uit de omstandigheid dat de raad heeft afgezien van handhavend optreden tegen het bestaande gebruik, wat daar verder ook van zij, volgt niet dat de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten als zodanig dienen te worden bestemd. Dat, naar ter zitting is gebleken, inmiddels andere ontwikkelingen hebben plaatsgevonden binnen de bedrijfsvoering en de raad door middel van een projectbesluit wil meewerken aan nieuwbouw op het perceel doet er niet aan af dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen aanleiding was voor een bedrijfsbestemming. 2.15.
  118. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 7] dat de bestemming "Bedrijf (B)" moet worden toegekend om vervangende nieuwbouw op het perceel mogelijk te maken, wordt overwogen dat de raad voor voormalige agrarische bedrijfslocaties als uitgangspunt heeft gehanteerd dat de bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing kan worden gebruikt voor de andere toegestane functies, maar dat het niet de bedoeling is om aan deze functies substantiële groeimogelijkheden toe te kennen. Dat standpunt is niet onredelijk. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd, behoefde de raad geen aanleiding te zien om in afwijking van dit standpunt de bouw van een schuur mogelijk te maken door het toekennen van de bestemming "Bedrijf (B)". Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de bestemming "Bedrijf (B)" meer bouwmogelijkheden biedt dan de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)". 2.15.
  119. Voor zover [appellante sub 7] erop wijst dat het plan wel voorziet in de bestemming "Bedrijf (B)" voor de percelen Biezenmortelstraat 2, Hooghoutseweg 29, Gijzelstraat 22 en Gommelsestraat 4, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie. Hiertoe heeft de raad gesteld dat het perceel Hooghoutseweg 29 reeds in het vorige plan een bedrijfsbestemming had, in tegenstelling tot het perceel van [appellante sub 7]. De percelen Gijzelsestraat 22 en Gommelsestraat 4 liggen in een gebied zonder specifieke landschaps- of natuurwaarden en niet, zoals het perceel van [appellante sub 7], in een agrarisch gebied met landschapswaarden. Wat betreft het perceel Biezenmortelsestraat 2 stelt de raad dat dit perceel een voormalige agrarische bedrijfslocatie is, die in gebruik zal worden genomen als caravanstalling en als honden- en kattenpension. De raad heeft aan dit perceel de bestemming "Bedrijf (B)" in plaats van de bestemming "Gemengd-2 (GD-2)" toegekend, omdat een vrijstellingsprocedure is gevolgd waarin is afgewogen of het oprichten van nieuwe bebouwing voor niet-agrarische activiteiten passend is. Het in gebruik nemen van een voormalige agrarische bedrijfslocatie als honden- en kattenpension, dat, anders dan de activiteiten van [appellante sub 7], onder de begripsomschrijving van agrarisch verwant bedrijf valt, en als caravanstalling is in overeenstemming met het gemeentelijke beleid voor voormalige agrarische bedrijfslocaties. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 7] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.15.
  120. In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 7] is ongegrond. 2.15.
  121. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 8] 2.
  122. Ter zitting heeft [appellant sub 8] zijn beroep voor zover dat gericht is tegen de onvolledigheid van de gegevens op de verbeelding ten aanzien van zijn perceel ingetrokken. 2.
  123. Het beroep van [appellant sub 8] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 2 (AW-LW2)" dat betrekking heeft op het perceel [locatie 6] te Biezenmortel, voor zover op dit perceel niet is voorzien in een bedrijfswoning. Daartoe betoogt hij dat de raad ten onrechte heeft gesteld dat in het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) de noodzaak van een bedrijfswoning op het perceel niet is onderbouwd. Daarnaast betoogt hij dat de raad niet heeft gemotiveerd welke redenen zich verzetten tegen een bedrijfswoning op zijn perceel. In dit verband voert hij aan dat niet duidelijk is wat het door de raad toegepaste beleid ten aanzien van tweede bedrijfswoningen inhoudt. Voorts betoogt [appellant sub 8] dat de raad bij de beoordeling of een bedrijfswoning kan worden toegestaan ten onrechte met twee maten meet nu hij daarbij zowel de planologische situatie als het feitelijke gebruik van de bestaande woning op het perceel [locatie 7] als uitgangspunt neemt. Voorts is het beroep van [appellant sub 8] gericht tegen voornoemd plandeel voor zover hierin niet is voorzien in een vergroting van het bestaande bouwvlak bij recht nu niet duidelijk is welke redenen hieraan ten grondslag liggen. 2.17.
  124. In het voorheen geldende bestemmingsplan hadden de percelen [locatie 7] en [locatie 6] één agrarische bedrijfsbestemming, waarbij op het perceel [locatie 7] was voorzien in een agrarische bedrijfswoning die ook is gerealiseerd. In het voorliggende plan is voor beide percelen wederom één agrarisch bouwvlak opgenomen. Uit de Nota van zienswijzen kan worden afgeleid dat, zo er al een positief advies van de AAB voor een bedrijfswoning op de locatie te Biezenmortel zou zijn, het niet mogelijk is daarvoor een mogelijkheid bij recht in het plan op te nemen, aangezien er al een bedrijfswoning aanwezig is op het bouwvlak waarvan het perceel deel uitmaakt en die ook als zodanig is bestemd. Anders dan gesteld is daarmee voldoende gemotiveerd waarom de bestemming van de gewenste bedrijfswoning niet mogelijk is. Ten aanzien van de vraag of naast de bestaande bedrijfswoning die als burgerwoning in gebruik is een tweede agrarische bedrijfswoning mogelijk is, stelt de raad met verwijzing naar de plantoelichting dat hiervoor een terughoudend beleid wordt gevoerd uit oogpunt van zuinig ruimtegebruik. Dit beleid acht de Afdeling niet onredelijk. Voorts is niet gebleken dat de raad ten aanzien van het verzoek om een bedrijfswoning met twee maten heeft gemeten. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant sub 8] dat ten onrechte niet is voorzien in een bedrijfswoning op zijn perceel. 2.17.
  125. Volgens de raad voldeed [appellant sub 8] ten tijde van het bestreden besluit niet aan de in artikel 5, lid 5.7.1, van de planregels gestelde voorwaarden voor het vergroten van bouwvlakken, die onder meer betrekking hebben op de noodzaak, landschappelijke inpassing, en een advies van de AAB, en heeft hij daarom geen aanleiding gezien om in het plan bij recht een vergroting van het bouwvlak op het perceel van [appellant sub 8] op te nemen. Het bestreden besluit is naar het oordeel van de Afdeling daarmee voldoende gemotiveerd. 2.17.
  126. In hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 8] is ongegrond. 2.17.
  127. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 9] 2.
  128. [appellant sub 9] kan zich niet verenigen met de bestemmingen "Wonen (W)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L1)" ter plaatse van zijn perceel [locatie 8] te Biezenmortel. Hij betoogt dat zijn autohandelsbedrijf dat op het perceel is gevestigd ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Hiertoe voert [appellant sub 9] aan dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de ontstaansgeschiedenis van het bedrijf en de feitelijke situatie ter plaatse. In dit verband wijst [appellant sub 9] erop dat hij in 1984 toestemming van het gemeentebestuur heeft gekregen om auto's op het perceel te stallen voor handelsdoeleinden. Vanaf die tijd is deze bedrijfsactiviteit onafgebroken tot op heden voortgezet. Hij betoogt dat hij aan voormelde toestemming en de omstandigheid dat het gemeentebestuur nooit handhavend heeft opgetreden tegen de aanwezigheid van zijn bedrijf op het perceel de gerechtvaardigde verwachting heeft mogen ontlenen dat het bedrijf als zodanig zou worden bestemd. Volgens hem is niet aannemelijk dat de bedrijfsactiviteiten binnen de planperiode zullen worden beëindigd. [appellant sub 9] stelt verder dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn economische belangen. Het uitoefenen van de autohandelsactiviteiten op deze locatie is, naar [appellant sub 9] stelt, te verenigen met de aanwezige agrarische natuurwaarden, vanwege de ligging van het perceel direct aan de N65 en de parallelweg, en verder veroorzaakt het bedrijf geen hinder voor omwonenden of het milieu. 2.18.
  129. De raad heeft in het bestreden besluit geen aanleiding gezien om het autohandelsbedrijf als zodanig te bestemmen. Hiertoe heeft de raad gesteld dat het gebruik van het perceel voor een autohandelsbedrijf in strijd was met het vorige plan, waaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan, en dat het beleid zich tegen nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied verzet. 2.18.
  130. Aan het perceel [locatie 8] zijn de bestemmingen "Wonen (W)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1 (AW-L1)" toegekend, alsmede de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur (saw-vs)". Op grond van de planregels behorende bij deze bestemmingen is de uitoefening van een autohandelsbedrijf op het perceel niet toegestaan. 2.18.
  131. Wat betreft het betoog van [appellant sub 9] dat hij in 1984 toestemming van het gemeentebestuur heeft gekregen voor het stallen van auto's op zijn perceel, wordt overwogen dat de raad in zijn verweerschrift te kennen heeft gegeven dat hij inmiddels kennis heeft genomen van de door [appellant sub 9] overgelegde brief van 3 mei 1984 van het gemeentebestuur van de toenmalige gemeente Udenhout, waarin is vermeld dat ten hoogste 20 auto's ten behoeve van handelsactiviteiten aanwezig mogen zijn op het verharde gedeelte van het perceel en in de bij de woning behorende garage. Gelet op deze brief is de raad in het verweerschrift van mening dat, in afwijking van zijn eerdere standpunt, in het verleden toestemming is gegeven voor de in deze brief omschreven handelsactiviteiten en dat het plan in die zin moet worden aangepast, dat het voorziet in de uitoefening van een autohandelsbedrijf op een deel van het perceel. Nu de raad de in 1984 verleende toestemming om op een deel van het perceel ten hoogste 20 auto's te stallen voor handelsactiviteiten niet heeft betrokken bij de vaststelling van het plan, is het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig voorbereid. De raad kan niet worden gevolgd in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat [appellant sub 9] niet-ontvankelijk is in zijn beroep op dit punt omdat hij zich niet eerder heeft beroepen op de brief uit
  132. Deze brief is immers een nadere onderbouwing van zijn zienswijze dat geen rekening is gehouden met het sinds lange tijd op het perceel gevestigde bedrijf. 2.18.
  133. Voor zover [appellant sub 9] wenst dat het plan voorziet in het uitoefenen van een autohandelsbedrijf op de overige delen van het perceel, wordt overwogen dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit de brief uit 1984 niet volgt dat op het gehele perceel een autohandelsbedrijf mag worden uitgeoefend. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat het toelaten van het bedrijf op het resterende perceel in strijd is met het gemeentelijke beleid dat zich verzet tegen de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd, behoefde de raad geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken. Aan de omstandigheid dat het resterende perceel reeds langdurig in gebruik is als autohandelsbedrijf en dat de raad hiertegen tot nu toe niet handhavend heeft opgetreden, kan niet de gerechtvaardigde verwachting worden ontleend dat het gebruik ook als zodanig zou worden bestemd. De uitbreiding van de autohandel met meer dan 20 auto's heeft plaatsgevonden op eigen initiatief van [appellant sub 9] zonder medewerking van de raad. Daarnaast heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat gezien de ligging in een gebied met landschapswaarden en in de nabijheid van een Natura-2000 gebied het perceel geen geschikte locatie is voor een autohandelsbedrijf van deze omvang. Voorts heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het vrijwaren van het buitengebied van niet aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteiten dan aan het economisch belang dat [appellant sub 9] heeft bij het toekennen van een bestemming aan het perceel voor het uitoefenen van een autohandelsbedrijf. Daarbij is in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft gewezen op alternatieve bedrijfslocaties. 2.18.
  134. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen (W)" en "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden 1(AW-L1)" ter plaatse van het perceel [locatie 8], is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 9] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.18.
  135. De raad wordt op na te melden wijze tot vergoeding van bij [appellant sub 9] opgekomen proceskosten veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 10] en anderen 2.
  136. [appellante sub 10] en anderen betogen dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 2 (AW-L2)" heeft vastgesteld dat betrekking heeft op het perceel [locatie 7] te Biezenmortel. Daartoe voeren zij aan dat hun perceel in aanmerking komt voor een woonbestemming nu de op dit perceel aanwezige bedrijfswoning reeds jaren feitelijk wordt gebruikt als burgerwoning en tegen dit gebruik door het gemeentebestuur niet handhavend wordt opgetreden. Daarbij komt dat het gemeentebestuur deze woning in het kader van onderzoek naar de ligging van stankgevoelige objecten binnen stankcirkels heeft aangemerkt als niet-agrarische bebouwing en dat de eigenaar van het aangrenzende bedrijfsperceel op [locatie 6] geen bezwaren heeft tegen een woonbestemming, aldus [appellante sub 10] en anderen. Naar zij stellen is de toegekende agrarische bestemming aan hun perceel in strijd met een goede ruimtelijke ordening en strijdig met de rechtszekerheid. Voorts stellen [appellante sub 10] en anderen dat het gemeentebestuur het vertrouwen heeft gewekt dat aan hun perceel een woonbestemming zou worden toegekend. Daartoe voeren zij aan dat het gemeentebestuur zou hebben ingestemd met een verbouwing van hun woning waarmee grote investeringen waren gemoeid. Verder betogen [appellante sub 10] en anderen dat de raad ten onrechte artikel 5, lid 5.7.7, onder b, van de planregels heeft vastgesteld, voor zover daarin is bepaald dat bij toepassing van de in dit artikelonderdeel voorziene bevoegdheid tot het wijzigen van de agrarische bestemming van gronden in een woonbestemming de voorwaarde in acht moet worden genomen dat bebouwing dient te worden gesloopt. In dit verband voeren zij aan dat deze voorwaarde te ver gaat en dat het achterwege laten van sloop van bebouwing niet zal leiden tot verrommeling. 2.19.
  137. Niet in geschil is dat het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning illegaal is. Het betoog van [appellante sub 10] en anderen dat het gebruik als burgerwoning als zodanig dient te worden bestemd, omdat hiertegen al jaren niet handhavend wordt opgetreden kan niet worden gevolgd. Daarbij overweegt de Afdeling dat het bestaande illegale gebruik, ook indien dit al langere tijd gaande is, niet van doorslaggevende betekenis is bij het toekennen van een bestemming. Daarnaast overweegt zij dat tegen het bestaande gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning nog handhavend kan worden opgetreden. Voor zover [appellante sub 10] en anderen betogen dat het gebruik als burgerwoning onder het overgangsrecht van het plan is gebracht, is dit onjuist nu uit de gedingstukken blijkt dat dit gebruik eerst na het van kracht worden van het vorige bestemmingsplan is aangevangen en hiermee in strijd was, zodat het overgangsrecht niet van toepassing is op dit gebruik. Dat het gemeentebestuur de woning in het kader van onderzoek naar de ligging van stankgevoelige objecten binnen stankcirkels heeft aangemerkt als niet-agrarische bebouwing berust op een ander toetsingskader en betekent nog niet dat de raad een bestemming als burgerwoning planologisch aanvaardbaar acht. De raad heeft voorts in redelijkheid geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen aan de omstandigheid dat de eigenaar van het aangrenzende perceel geen bezwaren heeft tegen een woonbestemming. Voorts heeft de raad, anders dan gesteld, wel gemotiveerd waarom niet aan het verzoek om een woonbestemming tegemoet kon worden gekomen en daarbij in aanmerking genomen dat het door de raad overgenomen provinciale beleid zoals neergelegd in §4.12 van de Paraplunota ruimtelijke ordening toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied uit het oogpunt van zuinig ruimtegebruik in beginsel niet toestaat. Dat beleid is niet onredelijk. Bovendien kan de woning nog altijd dienst doen als bedrijfswoning. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 10] en anderen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een woonbestemming voor het perceel [locatie 7] zou voorzien. De enkele mededeling van gemeentewege dat bepaalde verbouwactiviteiten als vergunningvrij worden aangemerkt en om die reden niet hoeven te worden getoetst aan het bestemmingsplan kan niet als zodanig worden beschouwd. Voorts betekent de weigering van het gemeentebestuur om handhavend op te treden niet dat het gebruik als burgerwoning als zodanig zou worden bestemd. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het illegale gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning niet als zodanig wordt bestemd. 2.19.
  138. Volgens de provinciale beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling wordt hergebruik van voormalige agrarische bedrijfslocaties voor wonen toegestaan, mits hierbij een bijdrage wordt geleverd aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Vanuit de ontsteningsdoelstelling voor het buitengebied wordt het uitgangspunt gehanteerd dat niet meer in gebruik zijnde agrarische bebouwing zonder cultuurhistorische waarde wordt gesloopt om oneigenlijk gebruik en verval van resterende bebouwing te voorkomen. De Afdeling acht dit beleid, dat door de raad is overgenomen, niet onredelijk. In hetgeen [appellante sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet zij geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan dit beleid heeft kunnen vasthouden. [appellante sub 10] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorwaarde om bebouwing te slopen een zodanig vergaande strekking heeft dat de raad deze in redelijkheid niet had mogen stellen. 2.19.
  139. In hetgeen [appellante sub 10] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 10] en anderen is ongegrond. 2.19.
  140. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleidng. Het beroep van [appellant sub 11] 2.
  141. [appellant sub 11] kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch (A)" ter plaatse van haar perceel [locatie 9] te Haaren. Zij betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om een woning op het perceel te bouwen. Hiertoe voert zij aan dat het perceel vanwege zijn ligging, omvang en inrichting geschikter is voor een woonbestemming dan voor een agrarische bestemming. In dit verband wijst zij erop dat het perceel tussen twee woonpercelen is gelegen, aan een straat waar niet-agrarische lintbebouwing aanwezig is. Daarnaast voert [appellant sub 11] aan dat in het verleden een hoofdgebouw op het perceel aanwezig was. Ook heeft het gemeentebestuur volgens haar recentelijk toegestaan dat aan de Gestelsestraat een woning is gebouwd. 2.20.
  142. In het vorige plan "Buitengebied 1994" was aan het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden (Al)" toegekend. 2.20.
  143. In paragraaf 4.12 van de Paraplunota ruimtelijke ordening is vermeld dat het wonen zoveel mogelijk moet worden geconcentreerd in kernen. Om verdere verstening van het buitengebied te voorkomen, moet de spreiding van de woonbebouwing worden tegengegaan. Toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw is in beginsel niet toegestaan. 2.20.
  144. De raad heeft het provinciale beleid over het toevoegen van burgerwoningen in het buitengebied onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.20.
  145. Gelet op de ligging van het perceel in het buitengebied, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het toekennen van een woonbestemming aan het perceel om de bouw van een woning mogelijk te maken in strijd is met het gemeentelijke beleid. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd, behoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien om van dit beleid af te wijken. Niet is gebleken dat op het perceel voorheen een woning aanwezig was. De omstandigheid dat aan weerszijden van het perceel burgerwoningen aanwezig zijn, brengt nog niet met zich dat ook op het perceel van [appellant sub 11] een burgerwoning moet worden toegestaan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat enkele burgerwoningen ter plaatse, die bovendien aan één zijde van de weg staan, niet zijn aan te merken als lintbebouwing. Ook heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat een nieuwe woonbestemming onwenselijk is in verband met de ligging van agrarische bedrijven aan de overzijde van de weg. Voorts kan uit de omvang van het perceel en het huidige gebruik ervan als siertuin niet worden afgeleid dat het gebruik van het perceel voor agrarische doeleinden in de toekomst is uitgesloten. 2.20.
  146. Ten aanzien van de door [appellant sub 11] gemaakte vergelijking met een perceel aan de Gestelsestraat, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat aan dit perceel reeds in het vorige plan een woonbestemming was toegekend. Volgens de raad zijn in dit plan geen woonbestemmingen opgenomen die niet al in het vorige plan waren toegekend. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 11] genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. 2.20.
  147. In hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 11] is ongegrond. 2.20.
  148. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 12] 2.
  149. [appellante sub 12] richt zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" met de aanduidingen "intensieve veehouderij (iv)" en "bouwvlak" voor zover deze zijn toegekend aan haar perceel [locatie 10] te Haaren. Zij betoogt dat in het plan het bouwvlak aan de voorzijde van haar perceel [locatie 10] ten onrechte is verkleind ten opzichte van het vorige plan. Hierdoor is een uitbreiding van haar zeugenhouderij ten behoeve van een weegbrug en een quarantainestal aan de voorzijde niet meer mogelijk, waardoor zij ernstig wordt geschaad in haar bedrijfsvoering. Uitbreiden is noodzakelijk voor de financiering van de aanpassingen van haar zeugenhouderij ten behoeve van de nieuwe wettelijke eisen krachtens het Besluit ammoniakemmissie huisvesting veehouderij en om te kunnen voldoen aan de eisen van dierenwelzijn. Ter onderbouwing van haar stelling dat uitbreiding noodzakelijk is wijst [appellante sub 12] op de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2002, in zaak nr. E01.99.0140/1, en 21 april 2004, in zaak nr. 200305322/
  150. 2.21.
  151. De raad stelt zich op het standpunt dat een bouwvlak is toegekend overeenkomstig de bestaande bedrijfsbebouwing. Nu de zeugenhouderij in een extensiveringsgebied ligt en in verband met milieuregelgeving geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft, is het door [appellante sub 12] gewenste grotere bouwvlak aan de voorzijde niet meer mogelijk. 2.21.
  152. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied '81" was aan het perceel [locatie 10] een bouwvlak toegekend met een primair agrarische functie. Het bouwvlak lag tot aan de Helvoirtseweg. In het voorliggende plan zijn aan het perceel [locatie 10] de bestemming "Agrarisch" met, voor zover hier van belang, de aanduidingen "intensieve veehouderij (iv)" en "bouwvlak" toegekend en is dit bouwvlak verkleind ten opzichte van het vorige plan. 2.21.
  153. Aan een geldend plan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. Na de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2002 en 21 april 2004 is het reconstructieplan "De Meierij" in werking getreden. Bij de vaststelling van het plan is daarmee terecht rekening gehouden. In paragraaf 11.6.1, p. 228 en verder, van deel B, van voornoemd reconstructieplan is het beleid voor het extensiveringsgebied opgenomen. Hieruit volgt dat geen uitbreiding van intensieve veehouderijen mag plaatsvinden tenzij sprake is van bestaande intensieve veehouderijen waarvoor bouwrechten zijn vastgelegd in het bestemmingsplan en die voorts zijn gebaseerd op het Streekplan uit 1992 en
  154. Daaronder moet blijkens de begripsbepaling op p. 229, van deel B, van voornoemd reconstructieplan worden verstaan een bestemmingsplan waarin directe bouwrechten zijn vastgelegd en waarover het college van gedeputeerde staten een besluit omtrent goedkeuring heeft genomen na 17 juli 1992 en vóór 22 april
  155. In een dergelijk geval mogen bouwvlakken worden uitgebreid ten behoeve van wettelijke eisen inzake dierenwelzijn. Van een dergelijk geval is ten aanzien van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied '81" geen sprake, nu dit plan voor voornoemde periode door het college van gedeputeerde staten is goedgekeurd. Dat uit de Afdelingsuitspraak van 21 april 2004 volgt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de genoemde uitbreiding in strijd is met het streekplanbeleid betekent niet dat het college van gedeputeerde staten expliciet met deze uitbreiding heeft ingestemd. Uit p. 231 van voornoemd reconstructieplan volgt dat bouwrechten die zijn vastgelegd in bestemmingsplannen die niet zijn gebaseerd op het Streekplan van 1992 of 2002 en waarbij geen sprake is van aantoonbaar concrete initiatieven, komen te vervallen. Hier wordt ter bepaling van de bouwrechten een strakke lijn om de bebouwing van de intensieve veehouderij getrokken. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellante sub 12] al geruime tijd aan bedrijfsuitbreiding denkt maar hiervoor geen concrete plannen heeft. Gelet op het voorgaande zijn de bouwrechten voor [appellante sub 12] komen te vervallen. Reeds hierom behoefde de raad geen aanleiding te zien om het bouwvlak aan de voorzijde te verruimen, wat er verder ook zij van de stelling van de raad dat het bedrijf in verband met milieuregelgeving geen uitbreidingsmogelijkheden meer heeft. 2.
  156. Voorts richt [appellante sub 12] zich tegen de vaststelling van de aanduiding "relatie", voor zover die is toegekend aan zijn percelen [locatie 10] en [locatie 11]. Op laatstgenoemd perceel is een zeugen- en vleesvarkenshouderij gevestigd. Zij betoogt dat haar percelen ten onrechte zijn gekoppeld door die aanduiding. De bedrijven op de percelen [locatie 10] en [locatie 11] kunnen niet worden aangemerkt als één bedrijf. Bovendien wil zij geen nieuw bedrijf vestigen op deze percelen, maar het bedrijf op het perceel [locatie 10] inzetten voor de Ruimte voor Ruimte-regeling. 2.22.
  157. De raad stelt zich op het standpunt dat het niet opnemen van de aanduiding kan leiden tot nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf dat op grond van het provinciale beleid in paragraaf 4.7.
  158. van de Paraplunota ruimtelijke ordening en de Interimstructuurvisie Noord-Brabant van juni 2008 (hierna: de Interimstructuurvisie) is uitgesloten.. 2.22.
  159. In het bestemmingsplan "Buitengebied '96" waren de percelen aan elkaar gekoppeld. In het voorliggende plan zijn de percelen opnieuw aan elkaar gekoppeld door de aanduiding "relatie". Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder a, van de planregels geldt voor het bouwen van bouwwerken, niet zijnde rijhallen, dat per bouwvlak bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf is toegestaan; indien tussen bouwvlakken de aanduiding "relatie" is aangegeven worden deze bouwvlakken aangemerkt als één bouwvlak. Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op de percelen [locatie 10] en [locatie 11] is niet toegestaan op basis van het provinciale beleid. Onder nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf wordt blijkens het provinciale beleid verstaan: de projectie van een agrarisch bouwblok (lees: bouwvlak) op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een bouwblok. Niet in geschil is dat sprake is van twee agrarische bedrijven op de percelen [locatie 10] en [locatie 11]. Aan deze bedrijven is wat betreft bouwvolume en de mogelijkheid van een bedrijfswoning evenwel één (gekoppeld) bouwvlak toegekend omdat het volgens de raad gaat om twee vestigingen van dezelfde eigenaar die in bedrijfseconomisch opzicht deel uitmaken van één bedrijf. Het loskoppelen zou ertoe leiden dat aan het plan een zelfstandig agrarisch bouwvlak wordt toegevoegd, ook voor de vestiging van nieuwe agrarische bedrijven, hetgeen zich niet verdraagt met het provinciale beleid in paragraaf 4.7.1 van de Paraplunota ruimtelijke ordening. De Afdeling acht dit standpunt niet onjuist. Anders dan Versteijnen stelt staat de koppeling van de percelen niet aan een Ruimte voor Ruimte-woning in de weg, mits wordt voldaan aan de voor deze procedure geldende voorwaarden, hetgeen ter zitting door de raad is bevestigd. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de aanduiding "relatie" aan de percelen [locatie 10] en [locatie 11] kunnen toekennen. 2.
  160. Verder richt [appellante sub 12] zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Agrarisch (A)" voor zover die is toegekend aan zijn perceel [locatie 11]. Zij betoogt dat voor het perceel [locatie 11] ten onrechte niet tevens de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen (sa-to)" is opgenomen ten behoeve van een containerveld. Een containerveld is op dit perceel noodzakelijk voor haar boomkwekerij. 2.23.
  161. Niet in geschil is dat 1,5 ha van het perceel [locatie 11] behalve voor een zeugen- en vleesvarkenshouderij wordt gebruikt ten behoeve van een boomkwekerij. Dit betreft een nevenactiviteit en uit het deskundigenbericht volgt dat voor een mogelijk containerveld nog geen concrete plannen zijn overgelegd. In het plan zijn alleen bestaande containervelden bij recht bestemd. Wel biedt het plan de mogelijkheid om onder voorwaarden het agrarisch bouwvlak te vergroten voor het realiseren van containervelden. Voor medewerking aan de uitbreiding van een agrarisch bouwvlak voor teeltondersteunende voorzieningen moet de noodzaak ervan worden aangetoond met een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB). De landschaps- en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast en er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing op basis van een erfbeplantingsplan. De Afdeling acht dit niet onredelijk. [appellante sub 12] heeft niet al voor de vaststelling van het plan bij de raad blijk gegeven van concrete plannen voor een containerveld, waardoor geen AAB-advies is uitgebracht en ook overigens niet aan voornoemde voorwaarden is voldaan. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om bij recht een containerveld op het perceel [locatie 11] toe te staan. 2.23.
  162. In hetgeen [appellante sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 12] is ongegrond. 2.23.
  163. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 13] 2.
  164. Ter zitting heeft [appellante sub 13] de beroepsgrond, dat de in de planregels opgenomen maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing niet overeenkomt met de op het perceel Biezenmortelsestraat 38-40 te Biezenmortel aanwezige bebouwing, ingetrokken. 2.
  165. [appellante sub 13] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, omdat de raad in het bestreden besluit niet is ingegaan op hetgeen zij in haar zienswijze heeft gesteld over de ontwikkelingskaart. 2.25.
  166. Artikel 3:46 van de Awb bestuursrecht verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. 2.
  167. [appellante sub 13] kan zich niet verenigen met de bestemming "Bedrijf (B)" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 12 (sb-12)" ter plaatse van het perceel Biezenmortelsestraat 38-
  168. Zij betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van het op het perceel gevestigde agrarisch loonwerk-, mesttransport- en grondverzetbedrijf, en met name de bedrijfsactiviteiten van het grondverzetbedrijf die zijn gericht op niet-agrarische bedrijven, ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. [appellante sub 13] betoogt daarnaast dat het plan ten onrechte niet voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing met meer dan 25%. Zij wijst op de ligging van het perceel in onder meer een bebouwingsconcentratie en een verwevingsgebied, waar uitbreiding van bedrijfsbebouwing mogelijk is. [appellante sub 13] voert verder aan dat het gemeentebestuur herhaaldelijke verzoeken om de gewenste uitbreiding met een vrijstellingsprocedure mogelijk te maken heeft afgewezen, omdat dit bij de herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied zou worden betrokken. Dat de raad zich in deze procedure op het standpunt stelt dat voor een dergelijke uitbreiding een aparte procedure moet worden gevolgd, is daarom inconsequent. [appellante sub 13] wijst er ook op dat het gemeentebestuur voor het perceel Biezenmortelsestraat 57 wel een afzonderlijke procedure heeft gevoerd voor een uitbreiding van meer dan 25% van de aanwezige bedrijfsbebouwing. Daarnaast betoogt [appellante sub 13] dat zij meer uitbreidingsmogelijkheden zou hebben gehad als het gemeentebestuur aan haar verplichting had voldaan om elke tien jaar een herziening van het vorige plan uit 1979 vast te stellen. Hierdoor zou volgens Van de Heuvel de mogelijkheid bestaan om de bebouwing elke tien jaar met 25% uit te breiden. [appellante sub 13] betoogt subsidiair dat ten onrechte niet in het plan is voorzien in een splitsing van het perceel in twee afzonderlijke bouwvlakken voor het agrarisch loonwerkbedrijf en het grondverzetbedrijf. Het splitsen van het perceel is volgens [appellante sub 13] niet in strijd met het provinciale beleid. 2.26.
  169. Aan het perceel is de bestemming "Bedrijf (B)" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 12 (sb-12)" toegekend. Ingevolge artikel 8, lid 8.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven zoals aangegeven in de Tabel Bedrijven. In de Tabel Bedrijven is bij "sb-12", het perceel Biezenmortelsestraat 38, de nadere bestemming "agrarisch technisch hulpbedrijf" vermeld. Ingevolge lid 8.2.1, aanhef en onder a, geldt voor het bouwen van gebouwen de bepaling dat binnen elk bestemmingsvlak de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, inclusief bedrijfswoning en exclusief bijgebouwen en overkappingen, niet meer mag bedragen dan aangegeven in de Tabel Bedrijven. Ingevolge lid 8.3.1, aanhef en onder c, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ontheffing te verlenen van het bepaalde in lid 8.2.1 ten behoeve van het binnen eenzelfde bestemmingsvlak bouwen van bedrijfsgebouwen, met inachtneming van de regel dat indien sprake is van een agrarisch technisch hulpbedrijf of een agrarisch verwant bedrijf, ontheffing mogelijk is met dien verstande dat de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen kan worden uitgebreid met 25%. Ingevolge artikel 1 wordt onder agrarisch technisch hulpbedrijf verstaan een bedrijf dat is gericht op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren, of de toepassing van andere landbouwkundige methoden, met uitzondering van mestverwerking. Voorbeelden van agrarisch technische hulpbedrijven zijn: grootveeklinieken, KI-stations, mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven (inclusief verhuurbedrijven voor landbouwwerktuigen), veetransportbedrijven, veehandelsbedrijven. 2.26.
  170. In het vorige plan "Buitengebied Udenhout" was aan het perceel deels de bestemming "Agrarisch toeleverings- en verwerkingsbedrijf" en deels de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend. Ingevolge artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder agrarisch toeleverings- en verwerkingsbedrijf verstaan een bedrijf dat producten levert ten behoeve van de agrarische bodemexploitatie of uitsluitend of nagenoeg uitsluitend agrarische producten verwerkt. 2.26.
  171. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota ruimtelijke ordening is vermeld dat bestaande agrarisch technische hulpbedrijven in beginsel een uitbreidingsruimte van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak krijgen, of maximaal 25% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. 2.26.
  172. De raad heeft het voormelde provinciale beleid onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.26.
  173. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de bedrijfsactiviteiten van het loonwerk-, mesttransport- en grondverzetbedrijf, voor zover deze bedrijfsactiviteiten zijn gericht op agrarische bedrijven, zijn aan te merken als een agrarisch technisch hulpbedrijf. Voor het oordeel dat het bedrijf in zoverre niet als zodanig is bestemd met de bestemming "Bedrijf (B)" en de nadere bestemming "agrarisch technisch hulpbedrijf", ziet de Afdeling daarom geen aanleiding. Voor zover het betreft de bedrijfsactiviteiten van het grondverzetbedrijf die zijn gericht op niet-agrarische bedrijven, wordt overwogen dat deze bedrijfsactiviteiten niet onder de in het plan toegestane bedrijfsactiviteiten vallen van een agrarisch technisch hulpbedrijf. Op grond van de bestemming "Agrarisch toeleverings- en verwerkingsbedrijf" die in het vorige plan was opgenomen waren deze bedrijfsactiviteiten evenmin toegestaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat deze bedrijfsactiviteiten in strijd met het vorige plan in 1984 zijn aangevangen. Gebruik dat in strijd met het vorige plan is aangevangen, valt niet onder de bescherming van het overgangsrecht waarmee de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden. Voorts betekent het als zodanig bestemmen van deze niet aan het buitengebied gebonden bedrijfsactiviteiten dat juridisch-planologisch de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf mogelijk wordt gemaakt. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit in strijd is met het beleid dat zich verzet tegen de vestiging van niet-agrarische bedrijven in het buitengebied. Gelet op het voorgaande behoefde de raad geen aanleiding te zien om de niet aan het buitengebied gebonden activiteiten van het grondverzetbedrijf als zodanig te bestemmen. 2.26.
  174. Voorts heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing die op het perceel aanwezig is met meer dan 25% in strijd is met het voormelde gemeentelijke beleid. In hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd, behoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien om in afwijking van dit beleid meer uitbreidingsmogelijkheden toe te staan. De ligging in een bebouwingsconcentratie en een verwevingsgebied zijn in het gemeentelijke beleid reeds meegewogen. Verder heeft in het bestreden besluit een beoordeling van het uitbreidingsverzoek plaatsgevonden. 2.26.
  175. Voor zover [appellante sub 13] aanvoert dat zij meer uitbreidingsmogelijkheden had gehad als de raad eens in de tien jaar een planherziening had vastgesteld, wordt overwogen dat, daargelaten of daarmee de gewenste uitbreiding zou kunnen worden bereikt, de in de voorheen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn om elke tien jaar een bestemmingsplan vast te stellen een termijn van orde is. 2.26.
  176. Voor zover [appellante sub 13] betoogt dat ten behoeve van het uitbreiden van de bedrijfsbebouwing op het perceel Biezenmortelsestraat 57 met meer dan 25% een vrijstellingsprocedure is gevolgd, maar voor de door [appellante sub 13] gewenste uitbreiding is geweigerd om een vrijstellingsprocedure te volgen, wordt overwogen dat het verlenen van een vrijstelling een bevoegdheid is van het gemeentebestuur die in deze procedure niet aan de orde kan komen. 2.26.
  177. Voorts behoefde de raad in redelijkheid geen aanleiding te zien om twee bouwvlakken aan het perceel toe te kennen. Daarbij heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het voorzien in twee bouwvlakken zou betekenen dat juridisch-planologisch een nieuw bedrijf op het perceel kan worden gevestigd dat eveneens behoefte heeft aan extra bouwmogelijkheden, hetgeen in strijd is met het uitgangspunt van zuinig ruimtegebruik, zoals verwoord in het provinciale en gemeentelijke beleid. 2.26.
  178. In hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 13] is ongegrond. 2.26.
  179. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellante sub 14] 2.
  180. Het beroep van [appellante sub 14] is gericht tegen de dubbelbestemming "Waarde-archeologie 4 (WR-A4)" die aan de bij haar bedrijf behorende gronden is toegekend. Daartoe voert zij aan dat de raad ten onrechte de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart heeft gebruikt voor de waardering van de archeologische waarde van haar gronden nu deze kaart geen nauwkeurige gegevens bevat op perceelsniveau. De grenzen van deze kaart lopen dwars over haar agrarische percelen die veelal al jaren in gebruik zijn voor boomteelt of agrarische doeleinden en vaak gedraineerd en bewerkt zijn. Hierdoor is zij in het kader van het aanlegvergunningstelsel voor deze bestemming verplicht om archeologisch onderzoek uit te voeren voor werkzaamheden met een diepte van meer dan 0,50 m onder het maaiveld. Hiermee zijn hoge kosten gemoeid, aldus [appellante sub 14]. 2.27.
  181. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de begrenzing van de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart op de verbeelding heeft kunnen overnemen en dat de afweging of werken en werkzaamheden op gronden met archeologische waarde kunnen worden toegestaan in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een aanlegvergunning kan worden gemaakt. 2.27.
  182. In hetgeen [appellante sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van de raad onredelijk is. De omstandigheid dat bij het vaststellen van de Cultuurhistorische Waardenkaart een grotere schaal is gehanteerd dan bij de verbeelding, betekent nog niet dat de raad geen aansluiting heeft kunnen zoeken bij deze waardenkaart, die immers een indicatie bevat van de archeologische waarde van gronden. [appellante sub 14] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de begrenzing op de Cultuurhistorische Waardenkaart onjuist op de verbeelding is overgenomen. Voorts overweegt de Afdeling dat de toelichting op de Cultuurhistorische Waardenkaart geen aanknopingspunten bevat voor het standpunt dat op perceelsniveau een nadere planologische afweging dient te worden gemaakt over deze begrenzing. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid aan de bij het bedrijf van [appellante sub 14] behorende gronden de dubbelbestemming "Waarde-archeologie 4 (WR-A4)" kunnen toekennen. 2.
  183. Voorts betoogt [appellante sub 14] dat aan haar percelen behorend bij de zogenoemde Belverse Akkers, die zij in de toekomst in gebruik wil nemen, naast de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 1 (AW-L1)", ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden-openheid (saw-oh)" is toegekend nu daarmee voor opgaand houtgewas hoger dan 1,50 m een aanlegvergunning is vereist. Door deze beperking worden haar bedrijfsbelangen onevenredig geschaad, omdat het uitzicht op de Belverse Akkers vanaf de Belversestraat reeds zodanig is aangetast dat het toekennen van deze aanduiding aan haar gronden langs deze straat niet meer zinvol is, aldus [appellante sub 14]. [appellante sub 14] betoogt voorts dat niet duidelijk is hoe haar bestaande boomteelt en wisselteelt op de Belverse Akkers kan worden voortgezet. 2.28.
  184. Aan de percelen van [appellante sub 14] op de Belverse Akkers is de bestemming "Agrarisch met waarden - landschapwaarden 1 (AW-L1)" toegekend. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Agrarisch met waarden - landschapswaarden 1 (AW-L1)" aangewezen gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.1, aanhef en onder a2, is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) hoger dan 1,5 m opgaand houtgewas met een agrarische productiefunctie aan te leggen of aan te planten. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.2, is het in artikel 4.6.1 vervatte verbod niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. Binnen een bouwvlak plaatsvinden. b. Het normale onderhoud en/of gebruik betreffen. c. Reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. Ingevolge artikel 4, lid 4.6.3, kan de in lid 4.6.1 genoemde vergunning slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving genoemde waarden. 2.28.
  185. In §4 van de Boomteeltparagraaf die als bijlage 4 bij de plantoelichting is opgenomen staat dat het op de Belverse Akkers aanwezige unieke escomplex een beleving geeft op grond waarvan de keuze is gemaakt dat de openheid va

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.