(2009)313 definitief, hierna: de richtsnoeren), waarin nadrukkelijk is gesteld dat nationale regelgeving een minimum aan de duur van de relatie als vereiste kan stellen. 2.3.
- Ter zitting heeft de minister toegelicht dat hij in beginsel geen ander deugdelijk bewijs voor een duurzame relatie ziet dan een bewijs van een gezamenlijke huishouding gedurende een termijn van (ten minste) zes maanden danwel de geboorte van een kind uit de relatie. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb, is volgens de minister niet uitgesloten dat iemand in een bepaald, bijzonder geval de duurzame relatie op een andere wijze bewijst. De minister kan evenwel niet een dergelijk bijzonder geval noemen. Verder heeft de minister ter zitting verklaard dat de omstandigheid dat ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet GBA, alleen tot inschrijving in de GBA wordt overgegaan als een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8 van de Vw 2000, niet met zich meebrengt dat het vereiste van een GBA-inschrijving kennelijk onredelijk is. De minister stelt zich in dit verband op het standpunt dat het niet aan hem is de daaruit eventueel voor de vreemdeling voortvloeiende problemen op te lossen. Voorts heeft de minister ter zitting betoogd dat verklaringen van derden verdisconteerd zijn in het beleid en dat de verwijzing hiernaar in het bezwaarschrift dus niet betekent dat de minister niet van het horen in bezwaar mag afzien. Huurcontracten en bewijs van een gezamenlijke bankrekening, zo die al zijn overgelegd, worden evenmin geaccepteerd. 2.
- Ingevolge artikel 8.13, derde lid, onder c en f, van het Vb 2000, dient het familielid naast een relatieverklaring, een document over te leggen waaruit de duurzame relatie met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, blijkt. Nu in de richtlijn niet nader is gedefinieerd wanneer sprake is van een deugdelijk bewezen duurzame relatie, komt de minister bij de vaststelling wanneer hiervan sprake is, binnen de door het gemeenschapsrecht getrokken grenzen, een zekere beoordelingsmarge toe (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juni 2000 in C-365/98, WWF e.a.; www.curia.europa.eu). 2.4.
- Hoewel de door de minister aangehaalde richtsnoeren op zichzelf niet bindend zijn, bieden zij een handvat bij de interpretatie van bepalingen in de richtlijn. Gelet hierop kan, temeer nu de minister de richtsnoeren aanhaalt ter rechtvaardiging van zijn beleid, aan de richtsnoeren niet elke werking worden ontzegd. Zoals de minister terecht stelt, is in de richtsnoeren uitdrukkelijk neergelegd dat in de nationale voorschriften verwezen kan worden naar een minimumduur als criterium om te beoordelen of een partnerschap duurzaam is. In de richtsnoeren is voorts neergelegd dat in dat geval in de nationale voorschriften ook rekening moet worden gehouden met andere relevante aspecten zoals een gezamenlijke hypotheek voor de aankoop van een huis. Verder is in de door de minister aangehaalde richtsnoeren neergelegd dat het bewijs van een duurzame relatie met elk passend middel kan worden geleverd en dat het vereiste van duurzaamheid van de relatie moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het doel van de richtlijn om de eenheid van het gezin in een verruimde betekenis te handhaven. In dit verband wordt verwezen naar punt 6 van de considerans bij de richtlijn. 2.4.
- De richtlijn staat er naar het oordeel van de Afdeling niet aan in de weg dat een duurzame relatie pas wordt aangenomen indien wordt aangetoond dat de ongehuwde partner en de burger van de Unie, die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer, ten minste zes maanden een relatie hebben. De richtlijn staat er naar het oordeel van de Afdeling evenmin aan in de weg dat een duurzame relatie in beginsel pas wordt aangenomen wanneer de partners gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding voeren. Voorts kan van partners, die stellen een duurzame relatie te onderhouden en die stellen in Nederland samen te wonen, deugdelijk bewijs van die samenwoning worden verlangd. Door echter, behoudens omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb, uitsluitend een GBA-inschrijving gedurende zes maanden, danwel de geboorte van een kind, als bewijs van de gestelde duurzame relatie te accepteren, geeft de minister gelet op de richtlijn een te beperkte uitleg aan het begrip 'deugdelijk bewezen duurzame relatie'. Temeer nu de minister ter zitting heeft aangevoerd dat hij geen situatie kan bedenken waarin sprake is van vorenbedoelde omstandigheden. Bovendien is de inschrijving in de GBA volgens de minister eerst mogelijk wanneer de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft. Dat komt er in wezen op neer dat het bewijs van de gestelde duurzame relatie – inschrijving in de GBA - het vereiste van eerder rechtmatig verblijf in Nederland bevat. Aldus maakt de minister het in bepaalde gevallen voor een familielid dat een duurzame relatie onderhoudt met een burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, feitelijk onmogelijk om zijn aanspraak op verblijf op grond van artikel 8.7, eerste en vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder h, van het Vb 2000 geldend te maken. 2.4.
- Volgens het Besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Stb. 2006, 215; pagina 19 en 52) vloeit het bepaalde in artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn reeds voort uit de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 van de Awb. Richtlijnconforme interpretatie van deze artikelen brengt met zich dat, wanneer een familielid zijn verklaring dat hij een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, onderbouwt met bewijs, de minister dit bewijs dient te beoordelen, en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond. De minister kan in dat geval, ter motivering van het standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, aldus niet louter volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van voormelde GBA-inschrijving. Reeds hierom faalt de grief. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 874,00 (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister een griffierecht van € 448,00 (zegge: vierhonderdachtenveertig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Van de Kolk ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011 347-
- Verzonden: 6 september 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser