201102095/1/H3. Datum uitspraak: 12 oktober 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Groningen, tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 januari 2011 in zaak nr. 10/2033 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe. 1. Procesverloop Bij besluit van 26 november 2009 heeft het college geweigerd [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst, hem vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor drie dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg. Bij besluit van 20 april 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, voor twee dagen in 2010 en geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden langs de openbare weg. Bij uitspraak van 4 januari 2011, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2011, hoger beroep ingesteld. De gronden ervan zijn aangevuld bij brief van 14 maart 2011. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2011, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Claessen en mr. S. den Hartog, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 2:10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Overbetuwe 2009 (hierna: APV) is het verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Ingevolge het tweede lid kan een vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. Ingevolge het derde lid geldt het verbod in het eerste lid niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:27; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17. Ingevolge artikel 5:18, eerste lid, is het verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. Ingevolge artikel 5:18a, eerste lid, is het innemen van een standplaats, als bedoeld in artikel 5:18, op een andere locatie dan door het college bij besluit is aangewezen, verboden. Ingevolge het tweede lid geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet ten aanzien van het innemen van een standplaats voor het te koop aanbieden, verkopen of verstrekken van: a. seizoensgebonden producten; b. producten, waaronder gedrukte of geschreven stukken, door ideële instellingen en politieke partijen. Bij besluit van 15 mei 2007 is de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders. Volgens de Welstandsnota 2006, voor zover thans van belang, zijn de criteria voor reclame bedoeld voor alle gebieden in de gemeente. Reclame in de bebouwde kom komt voornamelijk voor in die delen waar winkels en/of bedrijven gevestigd zijn. Op bedrijfs- en winkelpanden kan reclame een passend middel zijn om een bedrijf of winkel herkenbaar te maken, uit te dragen wat voor soort bedrijf het is en welke goederen verkocht worden. In andere delen van de gemeente (woonwijken) is reclame in principe niet passend en daarmee ongewenst. Om die reden wordt in die delen van de gemeente een restrictief beleid gevoerd voor reclame. Daarnaast is er nog de mogelijkheid van algemene reclame op bushokjes en aan lantaarnpalen. Deze vormen van reclame worden meestal door de gemeente geïnitieerd en voor zover daar behoefte aan is binnen een eigen beleidskader behandeld. In deze welstandsnota worden zij verder niet besproken. Volgens artikel 12, eerste lid, eerste volzin, van de Beleidsregels standplaatsen gemeente Overbetuwe 2007 (hierna: de Beleidsregels) worden vergunningen uitsluitend verleend voor de locaties en maximale afmetingen zoals deze door het college bij nadere regels zijn aangewezen. Op bijlage 1 bij de Beleidsregels is de Dorpsstraat te Elst, locatie fontein, genoemd als standplaats voor kentekengraveerders. De locatie Europaplein is niet aangewezen als standplaats. 2.2. Het college heeft geweigerd een vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst voor het graveren van kentekens en het repareren van autoruiten en heeft in plaats daarvan vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein. Verder heeft het bij besluit van 26 november 2009 voor drie van de aangevraagde negen dagen vergunning verleend. Daarnaast heeft het college bij dat besluit geweigerd vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigingsborden langs de openbare weg, omdat het op grond van de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden niet is toegestaan om dergelijke borden met commerciële teksten te plaatsen. Volgens het college in het besluit van 26 november 2009 zijn dat soort borden alleen bedoeld voor het aankondigen van evenementen en niet voor handelsreclame. Bij besluit van 27 april 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 november 2009 gegrond verklaard en voor nog twee dagen vergunning verleend voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, nu [appellant] slechts twee van de zes nog resterende dagen standplaats wenste in te nemen. Voor het overige heeft het college het besluit van 26 november 2009 gehandhaafd, met dien verstande dat voor de weigering vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst en het in plaats daarvan vergunning verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, is verwezen naar bijlage 1 bij de Beleidsregels en voor de weigering een vergunning te verlenen voor het plaatsen van aankondigings- en verwijsborden is verwezen naar de Welstandsnota 2006. 2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het college zijn weigering om vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein te Elst en het in plaats daarvan vergunning verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat ten onrechte heeft gemotiveerd met een verwijzing naar de Beleidsregels en bijlage 1 van de Beleidsregels. De rechtbank heeft hierin evenwel geen grond voor vernietiging gezien, omdat in het besluit van 15 mei 2007 de Dorpsstraat is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders en het Europaplein in het geheel niet als standplaats wordt aangewezen in dat besluit en omdat de relevante bepalingen in dat besluit gelijkluidend zijn aan die in bijlage 1 bij de Beleidsregels. Volgens de rechtbank is [appellant] daarom niet benadeeld door de verwijzing naar bijlage 1 bij de Beleidsregels. Voorts heeft de rechtbank het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel afgewezen. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college terecht de beleidsnotitie sandwich- en driehoeksborden niet van toepassing heeft geacht op de aanvraag voor een vergunning om verwijsborden te plaatsen. Het college had aan zijn besluit van 27 april 2010 volgens de rechtbank echter de Welstandsnota 2010 ten grondslag moeten leggen. Omdat die op de relevante onderdelen niet wezenlijk verschilt van de Welstandsnota 2006 is [appellant] hierdoor echter niet benadeeld, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft verder overwogen dat het college mocht weigeren een vergunning te verlenen voor het plaatsen van verwijsborden, omdat op grond van de Welstandsnota 2010 slechts reclameborden zijn toegestaan in de onmiddellijke omgeving van een bedrijfspand of vaste standplaats en [appellant] voorts geen rechten kan ontlenen aan borden die zonder vergunning zijn geplaatst. Verder is niet gebleken dat het college [appellant] onvoldoende compensatie heeft geboden voor verloren dagen en heeft het college hem een juiste proceskostenvergoeding toegekend, aldus de rechtbank. 2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college mocht weigeren hem een vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein. Zij heeft volgens hem ten onrechte zijn betoog onbesproken gelaten dat de Beleidsregels niet rechtsgeldig zijn. Volgens [appellant] heeft het college in de Beleidsregels weigeringsgronden toegevoegd en wordt ten onrechte onderscheid gemaakt naar de aard van de activiteit waarvoor een standplaatsvergunning wordt aangevraagd. Het besluit van 15 mei 2007, waarbij de Dorpsstraat is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders en het Europaplein in het geheel niet is aangewezen als standplaats, is voorts genomen zonder dat daaraan een onderzoek naar de relevante feiten ten grondslag lag, aldus [appellant]. Volgens hem liggen aan dat besluit andere redenen ten grondslag dan de parkeerdruk en is hij ten onrechte niet betrokken bij de voorbereiding van dat besluit. Daarnaast heeft het college een bloemenverkoper vergunning verleend om standplaats in te nemen op het Europaplein terwijl de verkoop van bloemen niet seizoensgebonden is. Ook heeft het college toestemming verleend om de bibliobus een aantal weken in 2010 op tien parkeerplaatsen op het Europaplein te stallen terwijl die bus werd opengesteld voor het publiek. Volgens [appellant] heeft de rechtbank verder miskend dat het college vergunning heeft verleend aan kentekengraveerders voor het innemen van standplaats op andere locaties dan de Dorpsstraat, locatie fontein, ondanks het feit dat alleen de Dorpsstraat is aangewezen als een locatie voor kentekengraveerders voor het innemen van standplaats. De rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met het verbod op willekeur en vooringenomenheid en is daarnaast niet ingegaan op zijn betoog over de bloemenverkoper, aldus [appellant]. 2.4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college mocht weigeren [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein en in plaats daarvan vergunning mocht verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, omdat het Europaplein in het geheel niet is genoemd in het besluit van 15 mei 2007 en de Dorpsstraat, locatie fontein, in dat besluit is aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders. Het besluit van 15 mei 2007 is genomen overeenkomstig artikel 5:18a, eerste lid, van de APV. Hetgeen [appellant] aanvoert tegen dat besluit kan niet leiden tot het oordeel dat het college hem ten onrechte geen vergunning heeft verleend voor het innemen van standplaats op het Europaplein, omdat dat besluit geen onderwerp vormt van dit geding. Nu het college de weigering [appellant] vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op het Europaplein en in plaats daarvan vergunning te verlenen voor het innemen van standplaats op de Dorpsstraat, locatie fontein, mocht baseren op het besluit van 15 mei 2007, behoefde de rechtbank zich geen oordeel te vormen over de vraag of de Beleidsregels rechtsgeldig zijn. Hieraan doet niet af dat het college een bloemenverkoper vergunning heeft verleend om standplaats in te nemen op het Europaplein, de bibliobus ontheffing heeft verleend om op het Europaplein te parkeren en aan andere kentekengraveerders vergunning heeft verleend voor het innemen van standplaats op standplaatsen die niet zijn aangewezen als standplaats voor kentekengraveerders. De door [appellant] genoemde gevallen zijn niet gelijk aan zijn geval. Het college heeft gemotiveerd betoogd dat de bloemenverkoper vergunning is verleend voor de verkoop van seizoensproducten op de zaterdag voor moederdag en de zaterdag voor Pasen. Verder is aan de andere kentekengraveerders waarnaar [appellant] verwijst geen vergunning verleend voor het innemen van standplaats op het Europaplein, hetgeen hij wenst. Daarnaast heeft het college gemotiveerd betoogd dat de bibliobus slechts ontheffing is verleend vanwege een verbouwing van de bibliotheek. Ter zitting van de Afdeling heeft het college hieraan toegevoegd dat ten onrechte niet is beoordeeld of de bibliobus voor de betreffende standplaats tevens een standplaatsvergunning nodig zou hebben en dat die vergunning waarschijnlijk niet zou zijn verleend. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2010 in zaak nr. 201002815/1/H2; www.raadvanstate.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.