(1997)guidelines which stipulate the importance of having skilled and trained interpreters. The asylum determination officers are required to have a first Degree and/or a Masters Degree in social sciences such as Psychology and Sociology. The office also has asylum determination officers with a background in Law. Asylum determination officers are given a minimum of one month training, which includes training on both the legal aspect as well as the interviewing process. After being acquainted with this theoretical background, asylum determination officers are given hands on training, where they are monitored by a senior colleague. The office has also introduced a mentoring system whereby a senior asylum determination officer follows closely the work of their new colleagues. All cases are thoroughly re-examined by the Refugee Commissioner or his Assistant. The Office of the Refugee Commissioners assigns the most experienced case workers to lead interviews with UM. A discretionary policy may also be used, by which an UM who is of a tender age, is not interviewed directly, but the asylum procedure is conducted by compiling the information about the UM from his/her legal guardian. Thus, in the best interest of the child, the interview may be pursued by his/her legal guardian." 2.4.4.
- Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt niet dat het in Malta niet mogelijk of uiterst moeilijk is een asielaanvraag in te dienen. Evenmin blijkt daaruit van ernstige tekortkomingen in het onderzoek van de aanvraag, een gebrek aan tolken of van onvoldoende training van het personeel dat de gehoren afneemt en/of een beslissing op de asielaanvraag neemt, terwijl evenmin blijkt dat in Malta slechts in uitzonderlijke gevallen een asielaanvraag wordt gehonoreerd. Uit de door de vreemdeling overgelegde stukken blijkt daarentegen dat aan grote aantallen asielzoekers tenminste enige vorm van bescherming wordt geboden. Weliswaar maakt het rapport van Amnesty International melding van enkele tekortkomingen in de Maltese asielprocedure, maar er bestaat, mede gelet op het vorenoverwogene, geen grond voor het oordeel dat deze gebreken zodanig zijn dat sprake is van ernstige gebreken in de asielprocedure, zodanig dat overdracht strijd oplevert met de artikelen 3 of 13 van het EVRM of met het Vluchtelingenverdrag. Ten aanzien van de vreemdeling bestaat voor dat oordeel te minder aanleiding nu uit het rapport van het EMN blijkt dat tijdens de asielprocedure bijzondere aandacht wordt geschonken aan onbegeleide minderjarigen en dat bij het beoordelen van asielverzoeken gebruik wordt gemaakt van hoogopgeleide en voor dat doel geschoolde medewerkers. 2.4.
- Hoewel de vreemdeling, gelet op het in 2.
- overwogene, terecht klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op grond van concrete, op de individuele zaak betrokken feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken dat de minister ten opzichte van Malta niet kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, kan dit niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Daartoe is redengevend dat, gelet op het voorgaande, van de door de vreemdelingen ingeroepen documenten op voorhand kan worden gezegd dat ze niet kunnen leiden tot het oordeel dat de in het arrest in de zaak M.S.S. in verband met de Griekse asielprocedure genoemde aspecten aan overdracht naar Malta in de weg zouden moeten staan. Zoals hiervoor overwogen kunnen de documenten voor zover deze zien op de detentie, niet tot dit oordeel leiden reeds nu hieruit niet blijkt dat met toepassing van de Verordening naar Malta overdragen vreemdelingen worden gedetineerd. Voor zover de ingeroepen documenten zien op de levensomstandigheden voor de vreemdeling na overdracht aan en de asielprocedure in Malta, kan hieruit, zoals hiervoor eveneens is overwogen, niet worden afgeleid dat de situatie in Malta zodanig is dat niet zonder een in het besluit op deze documenten toegespitste standpuntbepaling kan worden aangenomen dat deze aan overdracht in de weg staan. Er bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat door de overdracht van de vreemdeling aan Malta een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM en de minister zich om die reden niet zonder nadere motivering met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kan stellen, dat ervan kan worden uitgegaan dat Malta de refoulementverboden niet zal schenden. 2.4.
- De vreemdeling klaagt terecht dat de voorzieningenrechter niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat Malta in strijd met artikel 3 EVRM asielzoekers, waaronder ook op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers, heeft uitgezet. De klacht kan echter niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De vreemdeling heeft in beroep betoogd dat een grote groep Eritrese asielzoekers in 2002 is gedeporteerd naar Libië. Hij heeft voorts, onder verwijzing naar het in zijn zaak uitgebrachte zwaarwegend advies van 23 juni 2009, betoogd dat Malta blijkens het rapport van de UNHCR van juni 2007 getiteld "Persons of UNHCR concern in Malta: possibility of incidents of refoulement" in december 2005 twee Turkse asielzoekers die op grond van de Verordening door Duitsland aan Malta waren overgedragen direct heeft uitgezet naar Turkije. In aanmerking genomen dat melding wordt gemaakt van slechts één geval waarin op grond van de Verordening overgedragen asielzoekers zijn uitgezet naar hun land van herkomst en de sinds die gebeurtenis verstreken tijd, is hiermee niet gebleken dat in het kader van de Verordening overgedragen vreemdelingen een risico op uitzetting in strijd met artikel 3 van het EVRM lopen. 2.4.
- Dat de President van het EHRM diverse interim measures heeft getroffen impliceert, anders dan de vreemdeling heeft betoogd, niet dat Malta zijn refoulementverplichtingen voortvloeiend uit het EVRM en het Vluchtelingenverdrag niet nakomt. De interim measures zijn niet van een motivering voorzien, zodat daaruit niet kan worden afgeleid of deze betekenis hebben voor andere vreemdelingen. Dat de zaak waarin op 9 november 2010 een interim measure is getroffen, naar de vreemdeling stelt, veel overeenkomsten vertoont met zijn zaak, kan niet tot een ander oordeel leiden. In dit verband is van belang dat de minister er in zijn brief van 12 april 2011 op heeft gewezen dat er in 2010, voor zover hem bekend, drie interim measures zijn getroffen en zeven zijn afgewezen. 2.4.
- De grieven 2, 4 en 5 falen. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins de Vin, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat. w.g. Lubberdink voorzitter w.g. Vonk ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011
- Verzonden: 7 oktober 2011 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, mr. H.H.C. Visser