200907617/1/R
- Datum uitspraak: 19 oktober 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau (hierna: het gemeentebestuur),
- [appellant sub 2], wonend te Den Haag,
- [appellant sub 3], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 4], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 5A] en [appellante sub 5B], beiden wonend te Baarle-Nassau (hierna in enkelvoud: [appellant sub 5]),
- [appellant sub 6], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] (hierna: [appellanten sub 7]), beiden wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 8], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 9A], wonend te Baarle-Nassau, en [appellante sub 9B], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de maten zijn [appellant sub 9A], [appellant sub 9C] en [appellant sub 9D], allen wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 10], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 11], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 12], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellante sub 13], gevestigd te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], beiden wonend te Baarle-Nassau,
- [appellanten sub 15], beiden wonend te Baarle-Nassau (hierna in enkelvoud: [appellant sub 15]),
- [appellant sub 16], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 17], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 18], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 19], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 20], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 21A] en [appellante sub 21B], beiden wonend te Riel, gemeente Goirle (hierna in enkelvoud: [appellant sub 21]),
- [appellante sub 22], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 23], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 24], wonend te Castelre, gemeente Baarle-Nassau,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Certitudo Baarle Nassau B.V., gevestigd te Eindhoven, en anderen,
- [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], beiden wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], beiden wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 28], wonend te Baarle-Nassau,
- wijlen [appellant sub 29],
- [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], beiden wonend te Baarle-Nassau,
- [appellante sub 31], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], wonend te Meerle, België,
- [appellant sub 32], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 33], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 34], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 35], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 36], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 37], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 38], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 39], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 40], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellante sub 41], gevestigd te Baarle-Nassau, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 25 augustus 2009, kenmerk 1563973/1573347, heeft het college aan de raad van de gemeente Baarle-Nassau een aantal aanwijzingen gegeven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) met betrekking tot het door de raad bij besluit van 16 juli 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied 2008" (hierna: het bestemmingsplan). Tegen dit besluit hebben het gemeentebestuur, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], Versmissen, [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 21], [appellante sub 22], [appellant sub 23], [appellant sub 24], Certitudo en anderen, [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], [appellant sub 27A] en [appellant sub 27B], [appellant sub 28], wijlen [appellant sub 29], [appellant sub 30A] en [appellante sub 30B], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 39], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] tijdig beroep ingesteld. Een aantal heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). Het gemeentebestuur, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 12], Versmissen, [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 26A] en [appellant sub 26B], [appellant sub 28], wijlen [appellant sub 29], [appellante sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 39], [appellant sub 40], [appellante sub 41] en [belanghebbenden] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Het gemeentebestuur, het college, [appellant sub 24], Certitudo en anderen en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus en 1 september 2011, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Buiten bezwaren van partijen is ter zitting nog een stuk in het geding gebracht.
- Overwegingen 2.
- Ter zitting is door het gemeentebestuur aangegeven dat [appellant sub 29] is overleden. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om ter beoordeling van de vraag of er nog procesbelang bestaat de behandeling van het beroep van [appellant sub 29] aan te houden. Daartoe zal het beroep van [appellant sub 29] worden afgesplitst van de overige beroepen. Wettelijk kader 2.
- Ingevolge artikel 3.8, vierde lid, van de Wro, voor zover hier van belang, wordt het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zes weken na de vaststelling bekendgemaakt, indien door het college een zienswijze is ingediend en deze niet volledig is overgenomen of indien de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college. Ingevolge het zesde lid, eerste volzin, kan het college, indien aan de in het vierde lid bedoelde voorwaarden is voldaan, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, binnen de in dat lid genoemde termijn met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan aan de raad een aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, geven, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld (hierna: reactieve aanwijzing). Ingevolge de vierde volzin vermeldt het college in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen. Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan. Intrekking reactieve aanwijzingen en beroepen 2.
- Bij besluiten van 26 januari 2010 en 12 juli 2010 heeft het college ruim dertig van de bij het bestreden besluit gegeven reactieve aanwijzingen ingetrokken. 2.3.
- De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat het college bij bovengenoemde besluiten onder meer de reactieve aanwijzingen met betrekking tot de percelen Grens tussen 15 en 17, Gorpeind 6/6A, Het Bosch ongenummerd, ten zuiden van nr. 1 (Het Bosch 1A) en In het bosgebied ten noorden van Ponderosa ten oosten van de Oude Bredasebaan (Bredaseweg 47) heeft ingetrokken. Dit betekent dat met betrekking tot deze percelen geen reactieve aanwijzing resteert. Ter zitting hebben het gemeentebestuur en [appellante sub 41] hun beroepen ingetrokken, voor zover deze beroepen zijn gericht tegen reactieve aanwijzingen die bij bovengenoemde besluiten door het college zijn ingetrokken. 2.
- Het beroep van het gemeentebestuur is onder meer gericht tegen de reactieve aanwijzing die is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg 17 te Baarle-Nassau. 2.4.
- De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat het perceel Bredaseweg 17 niet is genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in overweging 2.10.3.2 van de uitspraak van 15 april 2011 in zaak nr. 200902874/1/R3 is uit een oogpunt van rechtszekerheid vereist dat de strekking van een besluit inhoudende het geven van een reactieve aanwijzing duidelijk is. De strekking van een dergelijk besluit dient dan ook niet behoeven te worden afgeleid uit de overwegingen die daarin zijn opgenomen of uit hetgeen het college met het geven van de reactieve aanwijzing heeft beoogd; alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit is hiervoor bepalend. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het perceel Bredaseweg
- De enkele omstandigheid dat dit perceel wel is opgenomen binnen de rode belijning op de bijlage die behoort bij de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Bredaseweg 19 vormt geen grond voor een ander oordeel nu in het dictum van het bestreden besluit niet is bepaald dat deze reactieve aanwijzing betrekking heeft op de in de bijlage met een rode belijning aangegeven percelen. Gelet hierop heeft het gemeentebestuur zijn beroep ter zitting ook in zoverre ingetrokken. 2.
- Voorts heeft [appellant sub 2] ter zitting haar beroep ingetrokken omdat met betrekking tot haar perceel geen reactieve aanwijzing is gegeven. Algemene bezwaren 2.
- Het gemeentebestuur, [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 28], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het aanwijzingsbesluit ten onrechte is gebaseerd op provinciaal beleid, dat is neergelegd in de op 27 juni 2008 door provinciale staten vastgestelde Interimstructuurvisie Noord-Brabant, Brabant in Ontwikkeling (hierna: de Interimstructuurvisie) en de door het college op 1 juli 2008 vastgestelde Paraplunota ruimtelijke ordening (hierna: de Paraplunota). Zij hebben in dit verband aangevoerd dat een reactieve aanwijzing alleen kan worden gegeven nadat op grond van de Wro nieuw beleid is geformuleerd en algemene regels zijn vastgesteld. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was een dergelijke verordening met algemene regels volgens hen nog niet vastgesteld. 2.6.
- Uit hetgeen is overwogen in onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1 volgt dat het college onder meer gebruik kan maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing in gevallen waarin het stellen van algemene regels wordt overwogen of voorbereid. Volgens het bestreden besluit zijn de provinciale belangen die het college door het geven van een reactieve aanwijzing heeft beoogd te waarborgen beschreven in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota. Om de in de Interimstructuurvisie en de Paraplunota beschreven belangen te waarborgen hebben provinciale staten besloten om voor een zeventiental onderwerpen een verordening voor te bereiden, welk besluit in de op 12 december 2008 vastgestelde Startnotitie Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Startnotitie) is uitgewerkt. In deze notitie en in bijlage 6 van de Interimstructuurvisie is aangegeven over welke onderwerpen uit de Interimstructuurvisie en de Paraplunota in de verordening regels zouden worden opgenomen. Verder blijkt uit de Startnotitie dat in de op te stellen verordening tevens regels zullen worden gesteld over de integrale zonering op grond van reconstructieplannen en over daarin opgenomen beleidslijnen inzake de ontwikkelmogelijkheden van de intensieve veehouderij. In de Startnotitie is aangegeven dat een aantal onderwerpen direct in een verordening zal worden uitgewerkt, waarbij het ontwerp van de verordening is voorzien voor de zomer van 2009 (categorie 1-onderwerpen), en dat de uitwerking van een aantal andere onderwerpen wordt afgestemd op de totstandkoming van een nieuwe structuurvisie, waarbij de ontwerpverordening is voorzien voor eind 2009 (categorie 2-onderwerpen). De Interimstructuurvisie, de Paraplunota, het Reconstructieplan De Baronie (hierna: het Reconstructieplan) en de Startnotitie dateren van voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Naar aanleiding van de Startnotitie is de procedure tot vaststelling van de Verordening Ruimte Noord-Brabant (hierna: de Verordening) gestart. De eerste fase van de Verordening is in werking getreden op 1 juni 2010 en de tweede fase op 1 maart
- Uit vorenstaande volgt dat de reactieve aanwijzingen zijn gegeven daar waar de provinciale belangen die een vertaling zouden krijgen in de Verordening niet of onvoldoende in het plan zijn gewaarborgd. Nu algemene regels over de onderwerpen waarop het bestreden besluit betrekking heeft werden voorbereid, is er geen grond voor het oordeel dat het college, wat betreft het provinciale beleid ten aanzien waarvan het voornemen bestond om dat in de Verordening op te nemen, als zodanig geen gebruik had mogen maken van de bevoegdheid tot het geven van een reactieve aanwijzing om tussentijdse ruimtelijke ontwikkelingen in strijd met het door de Verordening te waarborgen provinciaal belang te voorkomen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de Verordening met een zekere voortvarendheid tot stand is gekomen. Het betoog dat de aanwijzingen niet met het oog op de op handen zijnde Verordening konden worden gegeven, omdat deze ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vastgesteld en evenmin na inwerkingtreding van de Wro nieuw beleid was geformuleerd, faalt. 2.
- [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 28], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het primaat in de ruimtelijke ordening bij de raad dient te liggen en dat het college het instrument van de reactieve aanwijzing ten onrechte aanwendt om zich op detailniveau met gemeentelijke besluiten te blijven bemoeien. Zij betwijfelen of sprake is van provinciale belangen en stellen dat uit het aanwijzingsbesluit onvoldoende blijkt waarom het college niet had kunnen kiezen voor het inzetten van andere instrumenten. Daarnaast stellen zij dat het instrument van de reactieve aanwijzing ten onrechte wordt ingezet om de raad op de vingers te tikken voor het niet of onvolledig verstrekken van gevraagde informatie. Een gebrekkige communicatie tussen de gemeente en de provincie mag volgens hen niet ten koste gaan van degenen die belang hebben bij het voorliggende bestemmingsplan. Ook [appellant sub 21] stelt dat hij de dupe is geworden van slecht overleg tussen de gemeente en de provincie. 2.7.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2011, in zaak nr. 201005138/1/R3) is, voor het antwoord op de vraag of een bepaald belang een provinciaal belang is, bepalend of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan klevende bovengemeentelijke aspecten en is de mogelijkheid om een reactieve aanwijzing te geven niet beperkt tot bijzonder zwaarwegende belangen. De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar de uitspraak van 2 februari 2010, in zaak nr. 201009121/1/R3, dat het college in het algemeen in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan indien niet is uitgesloten dat, zolang de in voorbereiding zijnde Verordening nog niet in werking is getreden, kan worden gehandeld in afwijking van de Verordening en het daaraan ten grondslag liggende provinciale beleid. Onder verwijzing naar die uitspraak overweegt de Afdeling voorts dat het college zich in die omstandigheden in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het provinciaal belang onvoldoende kon worden beschermd door het toepassen van andere bevoegdheden dan het geven van een reactieve aanwijzing. Het geven van een zogenoemde proactieve aanwijzing of het vaststellen van een inpassingsplan liggen immers in de rede voor ontwikkelingen die het provinciebestuur met het oog op een goede ruimtelijke ordening juist wenselijk of noodzakelijk acht - anders dan in het voorliggende geval waarin het bestemmingsplan voorziet in bestemmingsregelingen die het college onwenselijk acht - terwijl het stellen van algemene regels bij provinciale verordening reeds werd voorbereid. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college het instrument van de reactieve aanwijzing slechts heeft ingezet om een gebrekkige communicatie tussen de gemeente en de provincie te sanctioneren en dat het college, met het oog op degenen die belang hebben bij het voorliggende bestemmingsplan, om die reden ten onrechte is overgegaan tot het geven van reactieve aanwijzingen. Het betoog van het gemeentebestuur dat de reactieve aanwijzingen die zien op onderdelen van het bestemmingsplan die overeenkomen met het voor vaststelling van kracht zijnde bestemmingsplan "Buitengebied 1990", niet effectief zijn omdat door de aanwijzingen het voorgaande planologische regiem van kracht is gebleven, vormt evenmin grond voor het oordeel dat het college van het geven van deze aanwijzingen af had moeten zien. Niet valt in te zien dat deze omstandigheid afdoet aan het standpunt van het college dat opname van deze bestemmingsregelingen in een nieuw plan onwenselijk is. Het betoog van het gemeentebestuur dat het college had moeten afzien van het geven van reactieve aanwijzingen omdat het geen schadevergoedingsregeling heeft aangeboden voor de te verwachten verzoeken om planschade faalt, reeds omdat de reactieve aanwijzing ingevolge artikel 6.1, tweede lid, van de Wro niet is aangemerkt als schadeoorzaak als bedoeld in het eerste lid van die bepaling en met het geven van een reactieve aanwijzing geen wijziging wordt teweeggebracht in het geldende planologische regiem. 2.
- [appellant sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8], [appellant sub 9A] en [appellante sub 9B], [appellant sub 10], [appellant sub 12], [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17], [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellant sub 20], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 36], [appellant sub 37], [appellant sub 38], [appellant sub 40] en [appellante sub 41] stellen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval heeft gekozen voor het geven van een aantal reactieve aanwijzingen en niet voor het instellen van beroep tegen het bestemmingsplan. 2.8.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 oktober 2010 in zaak nr. 200910210/1/R1) maakt het feit dat het college ook beroep had kunnen instellen niet dat daarmee zijn vrijheid om te kiezen voor het geven van een reactieve aanwijzing is beperkt. Dit betoogt faalt. Bezwaren per reactieve aanwijzing
- Thema Ruimtelijke kwaliteit Het perceel Reth 18 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Reth
- 2.9.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch verwante bedrijven, conform de Staat van agrarisch verwante bedrijven. In lid 6.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch verwante bedrijven. In die Staat van agrarisch verwante bedrijven is ten aanzien van het perceel Reth 18 vermeld: "hondenkennel annex africhten". 2.9.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Reth 18 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan geen bouwvlak voor het perceel is opgenomen. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang. 2.9.
- Het gemeentebestuur en [appellant sub 39], eigenaar van het perceel, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij hebben onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.9.3.
- De Afdeling stelt vast dat het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit bestaat uit de tekst die is vermeld onder het kopje "Besluit", bezien in samenhang met hetgeen direct daarvoor is vermeld onder het kopje "Conclusie", waarin de verschillende onderdelen van het aanwijzingsbesluit zijn opgesomd. Die opsomming bevat bij het eerste gedachtenstreepje de tekst "het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor de percelen aan de Reth 18". De Afdeling overweegt dat aan het perceel Reth 18 in het bestemmingsplan niet de bestemming "Bedrijf" is toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch verwant bedrijf". Nu, zoals hiervoor in 2.4.1 is overwogen, alleen het dictum van het aanwijzingsbesluit bepalend is voor de strekking ervan, betekent dit dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Reth
- Gelet hierop zijn de beroepen gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellant sub 39] is geheel en het beroep van het gemeentebestuur is in zoverre niet-ontvankelijk. 2.9.
- Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking. 2.9.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Reth 18, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Reth 18, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, plaatselijk bekend als het perceel Groot Bedaf 10a. 2.10.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In lid 5.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Groot Bedaf 10a vermeld: "veehandelsbedrijf". 2.10.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang. 2.10.
- [appellant sub 10], eigenaar van het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.10.3.
- Uit de onder 2.2 weergegeven bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat een reactieve aanwijzing uitsluitend kan worden gegeven indien en voor zover het college met betrekking tot het desbetreffende onderdeel van het bestemmingsplan een zienswijze heeft ingediend en deze bij de vaststelling van het plan niet volledig is overgenomen of indien en voor zover de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, anders dan op grond van zienswijzen van het college. Gelet op het vorenstaande dient het college in de zienswijzen duidelijk aan te geven op welke onderdelen de raad het plan bij de vaststelling dient te wijzigen ten opzichte van het ontwerp om een reactieve aanwijzing te voorkomen. 2.10.3.
- De Afdeling stelt vast dat het college de planregeling voor het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. 2.10.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 10] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, dient te worden vernietigd. 2.10.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.10.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Groot Bedaf ongenummerd tegenover nr. 5, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Visweg 1b te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b. 2.11.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In lid 5.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Visweg 1b vermeld: "veehandelsbedrijf". 2.11.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Visweg 1b ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang. 2.11.
- [appellant sub 8], die een veehandelsbedrijf exploiteert op het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.11.3.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Visweg 1b in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Visweg 1b, bij de vaststelling weliswaar gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, maar deze wijziging behelst een verkleining van het bestemmingsvlak met de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". De reactieve aanwijzing is echter niet gegeven met het oog op deze verkleining, maar heeft betrekking op de bestemmingsregeling die in het ontwerpplan voor dit perceel was opgenomen. 2.11.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 8] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b, dient te worden vernietigd. 2.11.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.11.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf" aan het perceel Visweg 1b, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. De percelen Kapelstraat 38-40-42 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemmingen "Bedrijf" en "Wonen" aan de percelen Kapelstraat 38-40-
- 2.12.
- Op de verbeelding zijn ter plaatse van de percelen Kapelstraat 38-40-42 twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf" opgenomen. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Kapelstraat 40 vermeld: "timmerbedrijf". Ten aanzien van het perceel Kapelstraat 42 is daarin vermeld: "onderhoudsbedrijf". Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder b, mag per bestemmingsvlak één bedrijfswoning worden opgericht, doch uitsluitend ter plaatse waar deze in de bestaande toestand reeds aanwezig is. 2.12.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemmingen op de bovengenoemde percelen ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Hiertoe heeft het college overwogen dat in het vigerende bestemmingsplan voor deze percelen één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" is opgenomen, welk bestemmingsvlak in het vastgestelde plan is gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang. 2.12.
- [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemmingen op de bovengenoemde percelen ten onrechte is gegeven. Zij hebben aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.12.3.
- Dit betoog faalt. Het bestemmingsplan is op dit punt gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat op de verbeelding ter plaatse van de bovengenoemde percelen een apart bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming is opgenomen. De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. 2.12.
- [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] betogen verder dat geen sprake is van de nieuwvestiging van een niet agrarisch bedrijf, omdat ter plaatse reeds twee bedrijven zijn gevestigd, hetgeen is toegestaan op grond van het vigerende plan. In dit verband stellen zij dat in het vigerende plan weliswaar één bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming voor de desbetreffende percelen is opgenomen, maar dat in de voorschriften van dat plan niet is bepaald dat op de gronden die zijn gelegen binnen dat bestemmingsvlak slechts één bedrijf mag worden gevestigd. 2.12.4.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening is de nieuwvestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw - anders dan door middel van een zogenoemde VAB-vestiging - niet toegestaan. 2.12.4.
- Voor de percelen Kapelstraat 38-44 is op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" één bestemmingsvlak opgenomen met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)". Dit bestemmingsvlak is op de plankaart aangeduid met nummer
- Ingevolge artikel 15, onder I, van de voorschriften van dat plan zijn de gronden op de plankaart aangewezen voor "Bedrijfsdoeleinden" bestemd voor bedrijven van overwegend lokale aard op het gebied van nijverheid, dienstverlening en/of handel, een en ander met uitzondering van een A-inrichting. Ingevolge artikel 15, lid A, mogen op de tot "Bedrijfsdoeleinden" bestemde gronden bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van de hierna in kolom I. genoemde bedrijven in de daarvoor in kolom II. aangegeven bestemmingsvlakken. Bestemmingsvlak nummer 18 ontbreekt in de desbetreffende tabel. 2.12.4.
- Nu het bestemmingsvlak met nummer 18 ontbreekt in de tabel die is opgenomen in artikel 15, lid A, van de voorschriften van het vigerende bestemmingsplan en nu het bestemmingsvlak met dit nummer ook overigens niet is genoemd in artikel 15 van de voorschriften, is de Afdeling van oordeel dat ingevolge het vigerende plan op de desbetreffende gronden in het geheel geen bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd. Het betoog van [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] dat het vigerende plan de mogelijkheid biedt om op de desbetreffende gronden ten behoeve van een onbeperkt aantal bedrijven bedrijfsbebouwing op te richten, faalt derhalve. Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, hetgeen in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en hetgeen tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.12.4.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.12.4.
- In hetgeen [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 14A] en [appellant sub 14B] is ongegrond. 2.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemming op de percelen Kapelstraat 38-40-42 ten grondslag gelegd dat er een woning van de voormalige bedrijfsbestemming is afgesplitst. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang. 2.13.
- Het gemeentebestuur stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemming op het perceel Kapelstraat 44 ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.13.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van onder meer de bestemming "Wonen" voor de percelen Kapelstraat 38-40-
- Aan de desbetreffende percelen is in het bestemmingsplan echter geen woonbestemming toegekend. De bestemming "Wonen" is wel toegekend aan het perceel Kapelstraat
- Dat perceel is niet genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de woonbestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Kapelstraat
- Het feit dat dit perceel met een rode belijning is aangegeven op de bijlage bij het aanwijzingsbesluit maakt dit niet anders, nu in het dictum niet is bepaald dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de percelen Kapelstraat 38-40-42 betrekking heeft op de plandelen die op de bijlage bij het besluit met een rode belijning zijn aangegeven. Gelet hierop is het beroep gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van het gemeentebestuur is derhalve in zoverre niet-ontvankelijk. 2.13.
- Gelet hierop behoeven de desbetreffende beroepsgronden geen bespreking. 2.13.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Kapelstraat 44, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Kapelstraat 44, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr.
- 2.14.
- In het plan is aan het desbetreffende gedeelte van het perceel Eikelenbosch 3 de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Eikelenbosch 3 vermeld: "constructiebedrijf en siersmederij". Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder b, mag per bestemmingsvlak één bedrijfswoning worden opgericht, doch uitsluitend ter plaatse waar deze in de bestaande toestand reeds aanwezig is. 2.14.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel uitsluitend de bestemming "Agrarisch bouwvlak" is opgenomen. Dit bestemmingsvlak is in het vastgestelde plan gesplitst, hetgeen heeft geresulteerd in een nieuwe bedrijfsbestemming. Het college acht de nieuwvestiging van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf ter plaatse in strijd met het provinciale belang. 2.14.
- [appellant sub 6], die ter plaatse een siersmederij exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.14.3.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. 2.14.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, dient te worden vernietigd. 2.14.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.14.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Eikelenbosch ongenummerd naast nr. 3, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Heikantsestraat 4 te Ulicoten 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Heikantsestraat
- 2.15.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In lid 5.1.2 is bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Heikantsestraat 4 vermeld: "agrarisch loonwerkbedrijf", met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 4.583 m
- 2.15.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan wat betreft dit bedrijf voorziet in een vergroting van het toegestane bebouwingsoppervlak met meer dan 15%. Ook heeft het college overwogen dat het bestemmingsvlak twee keer zo groot is geworden. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang. 2.15.
- [appellante sub 22], die ter plaatse een agrarisch loonwerkbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betoogt dat in het vigerende bestemmingsplan een te klein bouwvlak voor haar perceel is opgenomen, waartegen zij destijds niet is opgekomen. Volgens [appellante sub 22] is een bebouwingsoppervlak van 4.583 m2 voor haar gronden reëel. Daarbij stelt zij dat de reeds vergunde bebouwing op het perceel een oppervlakte heeft van ongeveer 4.000 m
- 2.15.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Heikantsestraat
- Aan het desbetreffende perceel is in het bestemmingsplan echter niet de bestemming "Bedrijf" toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Heikantsestraat
- Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 22] gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellante sub 22] is derhalve niet-ontvankelijk. 2.15.
- Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking. 2.15.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Heikantsestraat 4, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Heikantsestraat 4, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Meerleseweg 7 te Ulicoten 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het perceel Meerleseweg
- 2.16.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1.1, van de planregels zijn de desbetreffende gronden onder meer bestemd voor agrarisch-technische hulpbedrijven, conform de Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven. In lid 5.1.2 is bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van agrarisch-technische hulpbedrijven is ten aanzien van het perceel Meerleseweg 7 vermeld: "agro & cultuurtechniek", met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 5.753 m
- 2.16.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan, wat dit bedrijf betreft, voorziet in een vergroting van het toegestane bebouwingsoppervlak met meer dan 15%. Ook heeft het college overwogen dat het bestemmingsvlak met ongeveer 40% is vergroot ten opzichte van het vigerende plan. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang. 2.16.
- [appellante sub 31], die ter plaatse een agrarisch loonbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.16.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Meerleseweg
- Aan het desbetreffende perceel is in het bestemmingsplan echter niet de bestemming "Bedrijf" toegekend - welke bestemming in het plan wel aan een aantal andere percelen is toegekend - maar de bestemming "Agrarisch, agrarisch-technisch hulpbedrijf". Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Meerleseweg
- Gelet hierop is het beroep van [appellante sub 31] gericht tegen een onderdeel van het aanwijzingsbesluit dat niet is gericht op rechtsgevolg. Het beroep van [appellante sub 31] is derhalve niet-ontvankelijk. 2.16.
- Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking. 2.16.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Meerleseweg 7, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Meerleseweg 7, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. 2.16.
- [appellante sub 31] stelt zich blijkens haar beroepschrift tegen het aanwijzingsbesluit op het standpunt dat het plan, zoals dat door de raad is vastgesteld, ten onrechte niet de mogelijkheid biedt om een tweede bedrijfswoning op haar perceel te bouwen. Zij heeft echter geen beroep ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op haar perceel. De Afdeling wijst er op dat zij dit vóór het aflopen van de onder 2.16.6 genoemde termijn alsnog kan doen. De percelen Loveren 40-42 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan de percelen Loveren 40-
- 2.17.
- In het plan is aan de desbetreffende percelen één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijf" toegekend. Wat betreft een deel van dit bestemmingsvlak is op de verbeelding de aanduiding "onbebouwd (ob)" opgenomen. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van de percelen Loveren 40-42 vermeld: "houtver- en bewerkingsbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 2.316 m
- Ingevolge lid 10.2.2, aanhef en onder g, mogen op bestemmingsvlakken met de aanduiding "onbebouwd (ob)" alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde worden opgericht ten behoeve van het bedrijf. 2.17.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemde percelen ten grondslag gelegd dat het gaat om een niet-agrarisch bedrijf en dat het plan, wat dit bedrijf betreft, voorziet in een vergroting van het bestemmingsvlak met ongeveer 150% ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Het college acht een dergelijke vergroting in strijd met het provinciale belang. 2.17.
- [appellante sub 41], die ter plaatse een houtver- en bewerkingsbedrijf exploiteert, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.17.3.
- Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat bij verschillende niet-agrarische bedrijven een ruimere uitbreidingsmogelijkheid wordt geboden dan de 15% die het college in het algemeen voor dit soort bedrijven hanteert, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Daarbij merkt de Afdeling overigens nog op dat de percelen Loveren 40 en Loveren 42 in de zienswijzen concreet zijn genoemd als voorbeeld van een bedrijf waar volgens het college te ruime uitbreidingsmogelijkheden zijn geboden. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. 2.17.
- [appellante sub 41] betoogt verder dat de raad reeds in 2003 - op basis van een ruimtelijke onderbouwing - heeft toegezegd te zullen meewerken aan een vergroting van het bestemmingsvlak, zoals dat thans in het plan is opgenomen. Per abuis heeft het gemeentebestuur hiervoor toen de procedure als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) in gang gezet. Omdat het ging om een vergroting van het bestemmingsvlak met meer dan 15% heeft de provincie aangegeven hiervoor geen verklaring van geen bezwaar te willen verlenen. In overleg met de gemeente is er toen voor gekozen om eerst door te zetten met een kleiner bestemmingsvlak. Vervolgens is bouwvergunning verleend voor een loods binnen dat bestemmingsvlak. Die loods kan echter niet worden gebouwd in afwachting van de verplaatsing van houtopslag naar gronden buiten het destijds vastgestelde bestemmingsvlak. Met de verdere uitbreiding van het bestemmingsvlak is vervolgens gewacht op de thans aan de orde zijnde algehele herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Volgens [appellante sub 41] heeft het college met deze omstandigheden ten onrechte geen rekening gehouden bij het nemen van zijn besluit. 2.17.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Daarbij is tevens vermeld dat bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in beginsel een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15%. In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m
- 2.17.
- Voor de percelen Loveren 40-42 is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" één bestemmingsvlak met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" opgenomen. Blijkens het deskundigenbericht en de daarbij behorende bijlagen bedraagt de oppervlakte van het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming in het vigerende bestemmingsplan 5.239 m2 en is deze oppervlakte door middel van het verlenen van een artikel 19-vrijstelling vergroot tot 6.025 m
- Uit het deskundigenbericht blijkt verder dat het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming in het vastgestelde bestemmingsplan is vergroot met 6.539 m2 tot in totaal 12.564 m
- Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een uitbreiding van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid, welke uitbreiding tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. De omstandigheid dat de uitbreiding uitsluitend gronden betreft waaraan in het plan de aanduiding "onbebouwd (ob)" is toegekend, doet daaraan niet af, aangezien deze gronden voor bedrijfsdoeleinden mogen worden gebruikt en hierop bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht. 2.17.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.17.
- De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellante sub 41] aldus dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel een uitzondering had kunnen en moeten maken voor deze concrete situatie. [appellante sub 41] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat haar van de zijde van de provincie is toegezegd dat zal worden meegewerkt aan een vergroting van het bestemmingsvlak zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan. In dit verband overweegt de Afdeling dat de door [appellante sub 41] overgelegde brief van 20 januari 2004 afkomstig is van het gemeentebestuur. Een dergelijke toezegging valt evenmin af te leiden uit de verklaring van geen bezwaar die het college op 17 februari 2004 heeft verleend. [appellante sub 41] heeft hieraan dan ook niet het in rechte te honoreren vertrouwen kunnen ontlenen dat het college zou afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot haar percelen. 2.17.
- In hetgeen [appellante sub 41] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond. Het perceel Goorweg 7 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Goorweg
- 2.18.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Goorweg 7 vermeld: "groothandel" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 4.211 m
- 2.18.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat in het vigerende plan voor het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken zijn opgenomen, waarvan één met een bedrijfsbestemming en één met een agrarische bestemming. In het vastgestelde plan is aan het hele perceel een bedrijfsbestemming toegekend, waardoor het bestemmingsvlak met deze bestemming vijf keer zo groot is geworden. Volgens het college is daarbij niet voldaan aan de voorwaarden die in het provinciale beleid worden gesteld ten aanzien van het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, zoals de sloop van overtollige bedrijfsbebouwing. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.18.
- [appellant sub 23], eigenaar van het desbetreffende perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Volgens [appellant sub 23] is het inderdaad niet nodig dat aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming wordt toegekend. Hij stelt echter dat een substantieel deel van het perceel die bestemming dient te krijgen en dat het plan in elk geval dient te voorzien in een bebouwingsoppervlak van 600 m2, aangezien reeds vanaf 1984 bebouwing met een dergelijk oppervlak aanwezig is. 2.18.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Daarbij is tevens vermeld dat bestaande, niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in beginsel een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15%. In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder h, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits er sprake is van een bebouwingspercentage en bouwhoogte welke passend zijn bij de aard van de omgeving en de beoogde ontwikkeling. 2.18.
- In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" is aan een beperkt deel van het perceel Goorweg 7 de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (BD)" toegekend. Aan het overgrote deel van het perceel is in dat plan de bestemming "Agrarisch Gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" toegekend. In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het gehele perceel een bedrijfsbestemming toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat het plan in zoverre voorziet in een uitbreiding van het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming van meer dan 15% ten opzichte van het vigerende plan. Evenmin is in geschil dat de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen met meer dan 15% mag worden vergroot. Ter zitting is in dit verband door het gemeentebestuur gesteld dat deze oppervlakte in het plan is vergroot van ongeveer 600 m2 naar 4.211 m
- Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een uitbreiding van een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid, welke uitbreiding tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.18.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.18.
- Voor zover [appellant sub 23] stelt dat een deel van zijn perceel wordt gebruikt voor agrarische activiteiten en dat dit gebruik in het plan als zodanig dient te worden bestemd, overweegt de Afdeling dat de ongegrondverklaring van het beroep van [appellant sub 23] tegen deze reactieve aanwijzing tot gevolg heeft dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Goorweg 7, vervalt. Dit betekent dat het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990", waarin aan een deel van het perceel de bestemming "Agrarisch Gebied" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" is toegekend, blijft gelden. 2.18.
- In hetgeen [appellant sub 23] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 23] is ongegrond. Het perceel Bredaseweg 22 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Bredaseweg
- 2.19.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Bredaseweg 22 vermeld: "stratenmakersbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 527 m
- 2.19.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie voor een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die daaraan in het provinciale beleid worden gesteld. In dit verband heeft het college overwogen dat de locatie niet ligt in een door de raad aangewezen kernrandzone. Evenmin is volgens het college sprake van een bebouwingsconcentratie in de zin van het provinciale beleid. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.19.
- [appellant sub 3], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij betoogt dat de locatie ligt in het kernrandgebied dan wel binnen een bebouwingsconcentratie. Volgens hem past de omschakeling dan ook in het provinciale beleid. Ook heeft hij aangevoerd dat de opslag van bestratingsmaterialen al lange tijd ter plaatse plaatsvindt en dat dit valt onder het overgangsrecht van het vigerende plan. Volgens hem is het niet toegestaan dit gebruik wederom onder het overgangsrecht te brengen, zodat de raad dit terecht als zodanig heeft bestemd. 2.19.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Onder bepaalde voorwaarden is vestiging op een voormalige agrarische bedrijfslocatie wel toegestaan. In paragraaf 4.11 staat hierover dat het, buiten de locaties waarvan de agrarische bestemming kan worden gehandhaafd voor de opvang van te verplaatsen agrarische bedrijven en buiten de locaties waar sloop van bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling ruimte-voor-ruimte, in bebouwingsconcentraties buiten de groene hoofdstructuur onder voorwaarden is toegestaan dat voormalige agrarische bedrijfslocaties benut worden voor niet aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid. In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied in Ontwikkeling, die door het college is vastgesteld op 20 juli 2004 (hierna: de beleidsnota Buitengebied). In deze beleidsnota wordt via rood voor groenconstructies ontwikkelingsruimte geboden voor bebouwingsconcentraties en kernrandzones in het buitengebied. In artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, kan voorzien in een VAB-vestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een bestemmingsvlak met een omvang van meer dan 5.000 m
- 2.19.
- Het perceel Bredaseweg 22 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie (een zogenoemde VAB). In het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" is aan dit perceel de bestemming "Agrarisch Gebied (A)" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak" toegekend. In het vastgestelde bestemmingsplan is aan het perceel een bedrijfsbestemming toegekend. Blijkens het deskundigenbericht, dat op dit punt niet is bestreden, heeft het bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming een oppervlakte van meer dan 5.000 m
- Het perceel ligt niet in een gebied dat in het vastgestelde bestemmingsplan is aangewezen als kernrandzone. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het perceel niet in een bebouwingsconcentratie ligt. Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie, welk hergebruik in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.19.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.19.
- De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 3] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het huidige gebruik van het perceel Bredaseweg 22 volgens hem valt onder het overgangsrecht van het vigerende plan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel van [appellant sub 3]. Hetgeen [appellant sub 3] overigens heeft aangevoerd, leidt evenmin tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot zijn perceel. 2.19.
- In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond. Het perceel Schaluinen 1 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Schaluinen
- 2.20.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het gaat om het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie voor een niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, zonder dat wordt voldaan aan de voorwaarden die daaraan in het provinciale beleid worden gesteld. In dit verband heeft het college overwogen dat de locatie niet ligt in een door de raad aangewezen kernrandzone. Het college acht het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.20.
- Versmissen, die een timmerbedrijf exploiteert op het perceel Schaluinen 8, en [appellant sub 34], eigenaar van het perceel Schaluinen 8, stellen dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Zij betogen dat de locatie ligt op een afstand van minder dan 150 meter van de bebouwde kom en dat deze locatie ligt in een gebied, dat is aangeduid als extensiveringsgebied, waar een intensief veehouderijbedrijf niet gewenst is. Wegens de ligging van een burgerwoning tegenover het perceel is de vestiging van een ander veehouderijbedrijf ter plaatse volgens hen evenmin mogelijk. Gelet hierop en gezien het feit dat het timmerbedrijf al jarenlang met de benodigde vergunningen ter plaatse aanwezig is, achten zij het geven van een reactieve aanwijzing hier niet op zijn plaats. 2.20.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.9.3.1, vast dat in het dictum van het bestreden aanwijzingsbesluit een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Schaluinen
- Het perceel Schaluinen 8 is niet genoemd in het dictum van het bestreden besluit. Dit betekent dat geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het bestemmingsplan is toegekend aan het perceel Schaluinen
- Het feit dat dit perceel met een rode belijning is aangegeven op de bijlage bij het aanwijzingsbesluit, maakt dit niet anders, nu in het dictum niet is bepaald dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Schaluinen 1 betrekking heeft op de plandelen die op de bijlage bij het besluit met een rode belijning zijn aangegeven. Nu het aanwijzingsbesluit geen betrekking heeft op het perceel Schaluinen 8, kan het besluit voor dit perceel geen rechtsgevolg hebben. De beroepen van Versmissen en [appellant sub 34] zijn derhalve niet-ontvankelijk. 2.20.
- Gelet hierop behoeven de beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking. 2.20.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is samen met het aanwijzingsbesluit bekendgemaakt conform het bepaalde in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Awb. Nu, zoals uit het voorgaande blijkt, geen reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot de bestemming die in het plan is toegekend aan het perceel Schaluinen 8, moet worden vastgesteld dat het plan in zoverre reeds is bekendgemaakt. Het is echter niet uitgesloten dat belanghebbenden hebben afgezien van het instellen van beroep tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Schaluinen 8, omdat zij ten onrechte in de veronderstelling verkeerden dat met betrekking tot dit onderdeel van het bestemmingsplan een reactieve aanwijzing is gegeven. Gelet hierop dient het gemeentebestuur nogmaals onverwijld, conform het bepaalde in artikel 3:44 van de Awb, mededeling te doen van dit onderdeel van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift bezien in samenhang met het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Alphenseweg tegenover nr 41 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, plaatselijk bekend als het perceel Alphenseweg
- 2.21.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Alphenseweg 14 vermeld: "bouw- en houtbedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 206 m
- 2.21.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel een woonbestemming is opgenomen. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.21.
- [appellant sub 16], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.21.3.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Alphenseweg tegenover nr 41 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, bij de vaststelling niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. 2.21.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 16] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, dient te worden vernietigd. 2.21.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.21.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Alphenseweg tegenover nr 41, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" en "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, plaatselijk bekend als het perceel Heimolen 2-
- 2.22.
- Op de verbeelding is aan een deel van het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Tevens zijn ter plaatse van dit perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Heimolen 4 vermeld: "elektrotechnisch bedrijf" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 225 m
- Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen. Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten. 2.22.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemming op bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf, aangezien in het vigerende bestemmingsplan voor het perceel een woonbestemming is opgenomen. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone en ontbreekt een nadere afweging ten aanzien van het toekennen van een bedrijfsbestemming. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.22.
- [appellant sub 12], eigenaar van het perceel Heimolen 4, stelt dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de bedrijfsbestemming ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.22.3.
- Dit betoog faalt. Het bestemmingsplan is op dit punt gewijzigd vastgesteld ten opzichte van het ontwerpplan, in die zin dat voor een deel van het desbetreffende perceel een bestemmingsvlak met een bedrijfsbestemming is opgenomen. De reactieve aanwijzing heeft betrekking op deze wijziging. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. 2.22.
- [appellant sub 12] betoogt verder dat op het perceel Heimolen 4 al vanaf 1998 een installatiebedrijf aanwezig is en dat hiervoor op 11 maart 1998 een vrijstelling is verleend als bedoeld in artikel 17 van de WRO. Toen de periode van vijf jaar was afgelopen, is van gemeentewege toegezegd dat het feitelijke gebruik zou worden meegenomen bij de algehele herziening van het bestemmingsplan voor het buitengebied. Volgens [appellant sub 12] heeft het college hiermee ten onrechte geen rekening gehouden. 2.22.4.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van niet aan het buitengebied gebonden bedrijven in het buitengebied. In paragraaf 4.13 van de Paraplunota is gesteld dat nieuwvestiging van deze bedrijven in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 11.6, eerste lid, van de Verordening is de nieuwvestiging van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling in agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw - anders dan door middel van een zogenoemde VAB-vestiging - niet toegestaan. 2.22.
- Aan het deel van het perceel Heimolen 4 waaraan in het vastgestelde bestemmingsplan een bedrijfsbestemming is toegekend is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Het vigerende plan maakt de vestiging van een bedrijf ter plaatse niet mogelijk. Gelet hierop heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van niet aan het buitengebied gebonden bedrijf, hetgeen in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en hetgeen tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.22.5.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.22.5.
- De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 12] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat in 1998 op grond van artikel 17 van de WRO een tijdelijke vrijstelling is verleend voor het toestaan van een installatiebedrijf. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 9 maart 2011, nr. 201007291/1/R3, en van 21 januari 2009, nr. 200800347/1, geldt als uitgangspunt bij een verleende vrijstelling op grond van artikel 17 van de WRO dat na het verstrijken van de termijn de met het bestemmingsplan strijdige situatie hetzij in de vorige toestand wordt hersteld, hetzij met het bestemmingsplan in overeenstemming wordt gebracht. Echter, de Wro noch enig ander wettelijk voorschrift verzet zich ertegen dat een eenmaal door toepassing van artikel 17 van de WRO mogelijk gemaakte bebouwing of gebruik, ook na verloop van de in dat artikel beschreven termijnen, alsnog in een bestemmingsplan wordt opgenomen. Bepalend is of een definitieve inpassing zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening en ook anderszins niet in strijd komt met het recht. Uit het vorenstaande volgt dat het in bepaalde gevallen - indien dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of met het recht - weliswaar aanvaardbaar kan worden geacht dat gebruik en bebouwing waarvoor een tijdelijke vrijstelling is verleend wordt opgenomen in een bestemmingsplan, maar dat daarop geen aanspraak bestaat. Uit het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan blijkt dat de raad een bedrijfsbestemming aan het perceel Heimolen 4 heeft toegekend, zonder dat daarbij is ingegaan op de planologische aanvaardbaarheid van die bestemming. Gelet hierop leidt hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd niet tot het oordeel dat het college had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel. 2.22.5.
- Voor zover [appellant sub 12] stelt dat het college op grond van het vertrouwensbeginsel een uitzondering had kunnen en moeten maken voor zijn concrete situatie omdat hem van gemeentewege is toegezegd dat het feitelijke gebruik van het perceel als zodanig zou worden bestemd, overweegt de Afdeling dat thans een besluit van het college aan de orde is en dat het college, behoudens zeer bijzondere omstandigheden, die hier niet aan de orde zijn, niet is gebonden aan een toezegging van gemeentewege in het kader van de totstandkoming van een bestemmingsplan. 2.22.5.
- In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 12] met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond. 2.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemmingen op het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel ten grondslag gelegd dat het perceel in het vigerende bestemmingsplan één woonbestemming heeft en in het vastgestelde plan twee woonbestemmingen. Volgens het college is hierbij geen sprake geweest van splitsing van karakteristieke gebouwen. Het college acht de toevoeging van een burgerwoning in het buitengebied in strijd met het provinciale belang. 2.23.
- [appellant sub 12] en het gemeentebestuur stellen dat de reactieve aanwijzing met betrekking tot de woonbestemmingen ten onrechte is gegeven. Hiertoe hebben zij aangevoerd dat ter plaatse al sinds de jaren 60 van de vorige eeuw twee woningen aanwezig zijn en dat hiervoor in het vigerende bestemmingsplan ten onrechte één woonbestemming is opgenomen. Het gemeentebestuur stelt daarbij dat het pand onmiskenbaar cultuurhistorische waarde heeft en dat de woningsplitsing bijdraagt aan het behoud van cultureel erfgoed. 2.23.
- Het college heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij kan instemmen met de twee woonbestemmingen die zijn toegekend aan het bovengenoemde perceel en dat hij het beroep in zoverre gegrond acht. Ter zitting heeft het college dit bevestigd. 2.23.
- Nu het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan het in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. De beroepen van [appellant sub 12] en het gemeentebestuur zijn op dit punt gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. 2.23.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.23.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Kruising Heimolen/Molenbaan/Tommel, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Reth 8 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Reth
- 2.24.
- In het plan is aan het desbetreffende perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ingevolge artikel 10, lid 10.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Bedrijf" onder meer bestemd voor niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven, alsmede voor woondoeleinden in bedrijfswoningen als ondergeschikte functie. In lid 10.1.2 is, voor zover hier van belang, bepaald dat op de gronden op verbeelding 1 aangegeven als "Bedrijf" overeenkomstig de aanduiding uitsluitend zijn toegestaan de bedrijven genoemd in de navolgende Staat van bedrijven, waarbij geldt dat de genoemde maximale oppervlakte aan bedrijfsbebouwing aangehouden dient te worden. De oppervlakte is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning en de daarbij behorende vrijstaande bijgebouwen. In die Staat van bedrijven is ten aanzien van het perceel Reth 8 vermeld: "glashandel" met een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 260 m
- 2.24.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot bovengenoemd perceel ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in de nieuwvestiging van een niet-agrarisch bedrijf. Volgens het college ligt de locatie niet in een door de raad aangewezen kernrandzone. Gelet hierop acht het college het plan in zoverre in strijd met het provinciale belang. 2.24.
- [appellant sub 33], eigenaar van het perceel, stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft onder meer aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.24.3.
- De Afdeling stelt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 2.10.3.1, vast dat het college de planregeling voor het perceel Reth 8 in zijn zienswijzen tegen het ontwerpplan niet als zodanig heeft bestreden. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat het plan ten onrechte voorziet in de nieuwvestiging van verschillende niet-agrarische bedrijven is evenmin te herleiden tot de zienswijzen. Voorts is het plan, wat betreft het perceel Reth 8, bij de vaststelling weliswaar gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, maar deze wijziging behelst een verlaging van de maximaal toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 500 m2 naar 260 m
- De reactieve aanwijzing is echter niet gegeven met het oog op deze verlaging, maar heeft betrekking op de bestemmingsregeling die in het ontwerpplan voor dit perceel was opgenomen. 2.24.3.
- Uit het vorenstaande volgt dat het aanwijzingsbesluit in zoverre in strijd is met artikel 3.8, zesde lid, bezien in samenhang met het vierde lid, van de Wro. Het beroep van [appellant sub 33] is gegrond. Het bestreden besluit, voor zover daarbij een reactieve aanwijzing is gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Bedrijf" aan het perceel Reth 8, dient te worden vernietigd. 2.24.
- Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden met betrekking tot dit onderdeel van het bestreden besluit geen bespreking meer. 2.24.
- Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel Reth 8, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat. Het perceel Maaijkant 17 te Ulicoten 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Maaijkant
- 2.25.
- Op de verbeelding zijn ter plaatse van het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen. Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen. Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten. Ingevolge lid 18.3.1 is het verboden de in het plan opgenomen gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de gronden gegeven bestemming. In lid 18.3.2, aanhef en onder k, is bepaald dat onder strijdig gebruik als bedoeld in 18.3.1 in ieder geval wordt verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor: de uitoefening van nevenactiviteiten, behoudens de nevenactiviteiten Bed and Breakfast met een oppervlakte van maximaal 150 m2 en Educatieve ruimte met een oppervlakte van maximaal 200 m2 bij het adres Maaijkant
- 2.25.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Maaijkant 17 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van wonen. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. Nu ten aanzien van het desbetreffende perceel geen sprake is van de toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (splitsing) van bestaande boerderijgebouwen en nu geen sloop van voormalige bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden, acht het college de toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang. 2.25.
- Het gemeentebestuur stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.25.3.
- Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. 2.25.
- Het gemeentebestuur betoogt verder dat het voormalige boerderijgebouw een pand betreft met een aantoonbare belangrijke cultuurhistorische waarde, welk pand al sinds 1830 bestaat. De eigenaar wil het pand opknappen en heeft daarom om een woonbestemming gevraagd. Analoog aan de provinciale regeling voor splitsing van een cultuurhistorisch waardevol pand is daaraan meegewerkt zodat de exploitant ook de financiële middelen krijgt om het pand weer in oude stijl op te knappen. Op deze manier wordt het cultuurhistorisch belang gediend. Op het perceel wordt een Bed and Breakfast gerealiseerd, zodat er ook sprake is van een meerwaarde voor de gemeente, omdat deze inzet op nieuwe kleinschalige recreatiemogelijkheden, aldus het gemeentebestuur. 2.25.4.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (voorheen genoemd: splitsing) van gebouwen. Toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van bestaande boerderijgebouwen is echter wel toegestaan, omdat dit kan bijdragen aan het behoud van de voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de bijbehorende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij ze monumentale kwaliteiten bezitten, aldus de Paraplunota. In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied, waarin is aangegeven dat als de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing cultuurhistorische waarden bezit, gebruik voor wonen (onder voorwaarden) mogelijk is. In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing. 2.25.4.
- Het perceel Maaijkant 17 betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het perceel is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" geheel bestemd voor "Agrarisch gebied (A)" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak". In het vastgestelde bestemmingsplan zijn aan dit perceel twee afzonderlijke woonbestemmingen toegekend. Het gemeentebestuur stelt zich blijkens het beroepschrift en het verhandelde ter zitting op het standpunt dat het voormalige boerderijgebouw een belangrijke cultuurhistorische waarde bezit. Ter zitting heeft het gemeentebestuur echter aangegeven dat het pand niet is aangewezen als gemeentelijk monument en dat dit pand momenteel niet wordt bewoond. In het bestemmingsplan is aan dit pand - anders dan voor een aantal in de directe omgeving gelegen panden - niet de dubbelbestemming "Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing" toegekend. Het plan staat dan ook niet in de weg aan de sloop en herbouw van het voormalige boerderijgebouw. De Afdeling overweegt verder dat in het plan, behalve aan het oorspronkelijke boerderijgebouw, ook aan het naastgelegen pand een afzonderlijke woonbestemming is toegekend. Blijkens het deskundigenbericht heeft de eigenaar van dit pand aangegeven dat dit pand eind jaren 90 van de vorige eeuw is gebouwd en was bedoeld als woning ter vervanging van de oude voormalige bedrijfswoning die gesloopt zou worden. Van sloop is nadien echter afgezien, aldus de eigenaar. Ter zitting heeft het gemeentebestuur deze gang van zaken bevestigd. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.25.4.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.25.
- De Afdeling begrijpt het verdere betoog van het gemeentebestuur aldus dat het college voor het perceel Maaijkant 17 een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat het realiseren van een Bed and Breakfast een meerwaarde voor de gemeente oplevert. Het gemeentebestuur heeft in dit verband echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot dit perceel. 2.25.
- In hetgeen het gemeentebestuur heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van het gemeentebestuur met betrekking tot dit onderdeel van het aanwijzingsbesluit is ongegrond. Het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 te Ulicoten 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Oude Strumptsebaan 12-
- 2.26.
- Op de verbeelding zijn ter plaatse van het desbetreffende perceel twee bestemmingsvlakken met de bestemming "Wonen" opgenomen. Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen. Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten. 2.26.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 ten grondslag gelegd dat het plan in zoverre voorziet in het hergebruik van een voormalige agrarische bedrijfslocatie ten behoeve van wonen. Bij deze vorm van hergebruik moeten overtollige stallen en andere voormalige bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij deze gebouwen een bijzondere cultuurhistorische waarde hebben. Nu ten aanzien van het desbetreffende perceel geen sprake is van de toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (splitsing) van bestaande boerderijgebouwen en nu geen sloop van voormalige bedrijfsgebouwen heeft plaatsgevonden, acht het college de toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied in strijd met het provinciale belang. 2.26.
- [appellant sub 36] stelt dat deze reactieve aanwijzing ten onrechte is gegeven. Hij heeft aangevoerd dat het college niet bevoegd is tot het geven van deze aanwijzing, omdat het college tegen dit onderdeel van het plan geen zienswijzen naar voren heeft gebracht. 2.26.3.
- Dit betoog faalt. Het in het aanwijzingsbesluit vervatte standpunt van het college dat ten opzichte van het vigerende plan ten onrechte nieuwe bestemmingsvlakken voor wonen zijn toegekend, steunt naar het oordeel van de Afdeling op de door het college ingediende zienswijzen. Dat in deze zienswijzen, wat betreft dit standpunt, slechts enkele concrete locaties als voorbeeld zijn genoemd, doet daaraan niet af. Gelet hierop is het aanwijzingsbesluit in zoverre niet in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met het vierde lid, van de Wro. 2.26.
- [appellant sub 36] betoogt verder dat het gaat om een voormalig agrarisch bedrijf waar sinds 1976 twee woningen aanwezig zijn. Die woningen zijn tot stand gekomen door splitsing van een langgevelboerderij, hetgeen volgens [appellant sub 36] was toegestaan op grond van het provinciale beleid. Verder stelt hij dat er wel voormalige bedrijfsgebouwen zijn gesloopt, maar dat een machineloods en berging zijn blijven staan vanwege de uitoefening van een akkerbouwbedrijf ter plaatse. Hij stelt ten slotte dat de woningen vallen onder het overgangsrecht van het vigerende plan en dat het niet is toegestaan deze wederom onder het overgangsrecht te brengen, zodat de raad deze woningen terecht als zodanig heeft bestemd. 2.26.4.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gericht op het zoveel mogelijk tegengaan van burgerwoningen in het buitengebied. In paragraaf 4.12.1 van de Paraplunota is gesteld dat toevoeging van burgerwoningen in het buitengebied door nieuwbouw in beginsel niet is toegestaan, evenmin als toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing (voorheen genoemd: splitsing) van gebouwen. Toevoeging van burgerwoningen door bouwkundige aanpassing van bestaande boerderijgebouwen is echter wel toegestaan, omdat dit kan bijdragen aan het behoud van de voor het buitengebied kenmerkende boerderijgebouwen. Hierbij geldt als voorwaarde dat de bijbehorende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, tenzij ze monumentale kwaliteiten bezitten, aldus de Paraplunota. In de Paraplunota wordt op dit punt tevens verwezen naar de beleidsnota Buitengebied, waarin is aangegeven dat als de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing cultuurhistorische waarden bezit, gebruik voor wonen (onder voorwaarden) mogelijk is. In artikel 11.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Verordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat een bestemmingsplan dat is gelegen in agrarisch gebied regels stelt ter voorkoming van nieuwbouw van één of meer woningen dan wel van zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen. In het derde lid, aanhef en onder b en c, is bepaald dat een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid kan voorzien in het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning, mits is verzekerd dat er geen splitsing in meerdere wooneenheden plaatsvindt en dat overtollige bebouwing wordt gesloopt, dan wel in de vestiging of splitsing in meerdere wooneenheden in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, mits deze vestiging of splitsing mede is gericht op het behoud of herstel van deze bebouwing. 2.26.4.
- Het perceel is in het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" geheel bestemd voor "Agrarisch gebied, landschappelijke en/of kultuurhistorische waarde en waardevolle kavelstructuur" met de aanduiding "agrarisch bouwvlak". In het vastgestelde bestemmingsplan zijn aan het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 twee afzonderlijke woonbestemmingen toegekend. De raad is er daarbij vanuit gegaan dat het perceel een voormalige agrarische bedrijfslocatie betreft. Uit het deskundigenbericht en uit het beroepschrift van [appellant sub 36] blijkt dat voorheen een varkensbedrijf op het perceel was gevestigd. Na de beëindiging van dat bedrijf en na het slopen van voormalige varkensstallen, heeft [appellant sub 36] ter plaatse een akker- en bosbouwbedrijf uitgeoefend. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan geen duidelijkheid worden verkregen over de vraag of dat akker- en bosbouwbedrijf ter plaatse is beëindigd. Daarbij wijst de Afdeling tevens op het beroepschrift van [appellant sub 36] waarin is gesteld dat de bestemming "Agrarisch bedrijf" met twee bedrijfswoningen wellicht een meer passende bestemming zou zijn. Verder blijkt uit het deskundigenbericht en het beroepschrift van [appellant sub 36] dat op het perceel nog een loods ten behoeve van het akker- en bosbouwbedrijf aanwezig is. De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 36] weliswaar stelt dat in 1976 vergunning is verleend voor de splitsing van de op het perceel aanwezige bedrijfswoning, maar dat dit - zoals ook blijkt uit het deskundigenbericht - niet is aangetoond. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan in zoverre voorziet in een toevoeging van twee burgerwoningen in het buitengebied die in strijd is met het destijds geldende provinciale beleid en die tevens in strijd is met de inmiddels vastgestelde algemene regels. 2.26.4.
- Gezien het vorenstaande heeft het college, vooruitlopend op de vaststelling van de Verordening, in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing kunnen uitgaan, gelet op artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. 2.26.
- De Afdeling begrijpt het verdere betoog van [appellant sub 36] aldus dat het college voor zijn situatie een uitzondering had kunnen en moeten maken, omdat de twee bestaande woningen op het perceel Oude Strumptsebaan 12-14 volgens hem vallen onder het overgangsrecht van het vigerende plan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (overweging 2.6.2 van de uitspraak van 2 mei 2007 in zaak nr. 200605059/1) betekent het feit dat in een bepaalde situatie sprake zou zijn van bestaand gebruik dat in het vorige plan onder het overgangsrecht viel niet dat aanspraak bestaat op een positieve bestemming van dat bestaande gebruik. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het college om deze reden had moeten afzien van het geven van een reactieve aanwijzing met betrekking tot het desbetreffende perceel. 2.26.
- In hetgeen [appellant sub 36] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van deze reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat dit onderdeel betreft, anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 36] is ongegrond. Het perceel Hoogstratensebaan 35-37 te Baarle-Nassau 2.
- Bij het bestreden besluit heeft het college aan de raad een reactieve aanwijzing gegeven met betrekking tot het toekennen van de bestemming "Wonen" aan het perceel Hoogstratensebaan 35-
- 2.27.
- Op de verbeelding is aan het perceel Hoogstratensebaan 35-37 de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge artikel 18, lid 18.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Wonen", voor zover hier van belang, bestemd voor woningen met bijbehorende voorzieningen, met de daarbij behorende bouwwerken, tuinen, erven en terreinen. Ingevolge lid 18.2.2 mag per bestemmingsvlak maximaal één woning worden opgericht, waarbij geldt dat algehele herbouw van een burgerwoning uitsluitend mag plaatsvinden op de bestaande fundamenten. 2.27.
- Het college heeft aan de reactieve aanwijzing met betrekking tot het perceel Hoogstratensebaan 35-37 ten grondslag gelegd dat voor het perceel in het vigerende bestemmingsplan één bestemmingsvlak met een woonbestemming is opgenomen en dat in het vastgestelde plan twee bestemmings
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.