200906702/1/R
- Datum uitspraak: 19 oktober 2011 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1] en anderen, wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 2], wonend te 's Gravenmoer, gemeente Dongen,
- [appellanten sub 3] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 4], wonend te Baarle-Nassau,
- de vereniging Vereniging ABC Milieugroep, gevestigd te Baarle-Nassau, en de stichting Stichting Brabantse Milieufederatie, gevestigd te Tilburg,
- [appellant sub 6], wonend te Lierop, gemeente Someren,
- [appellant sub 7], wonend te Baarle-Nassau,
- de vereniging Afdeling Baarle-Nassau-Ulicoten van de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (hierna: ZLTO), gevestigd te Baarle-Nassau,
- [appellanten sub 9], wonend te Den Haag,
- [appellant sub 10], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 11], wonend te Baarle-Nassau,
- de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Landgoed Postel B.V., gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellanten sub 13] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 13]), wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 14], wonend te Castelré, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 15], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellanten sub 16] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 16]), wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 17] en anderen, wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 18], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 19], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellante sub 20], gevestigd te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 21], wonend te Baarle-Nassau,
- Fok- en Menstal de Heimolen, gevestigd te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 23], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 24], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 25], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 26], wonend te Baarle-Hertog (België),
- [appellant sub 27], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellante sub 28], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 21] en [appellant sub 29], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellante sub 30], gevestigd te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 31], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 32], wonend te Castelré, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 33], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 34], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 35], wonend te Baarle-Nassau,
- [appellant sub 36], wonend te Ulicoten, gemeente Baarle-Nassau,
- [appellant sub 37], wonend te Baarle-Hertog (België), en [appellant sub 37A],
- [appellant sub 37], wonend te Baarle-Hertog (België), appellanten, en de raad van de gemeente Baarle-Nassau, verweerder.
- Procesverloop Bij besluit van 16 juli 2009, kenmerk BRD-32, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2008" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], ABC en BMF, [appellant sub 6], [appellant sub 7], ZLTO, [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], Landgoed Postel, [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellant sub 16], [appellant sub 17] en anderen, [appellant sub 18], [appellant sub 19], [appellante sub 20], [appellant sub 21], De Heimolen, [appellante sub 23], [appellante sub 24], [appellante sub 25], [appellant sub 26], [appellant sub 27], [appellante sub 28], [appellant sub 21] en [appellant sub 29], [appellante sub 30], [appellant sub 31], [appellant sub 32], [appellant sub 33], [appellant sub 34], [appellant sub 35], [appellant sub 36], [appellant sub 37] en [appellant sub 37A], en [appellant sub 37] tijdig beroep ingesteld. Een aantal van hen heeft de gronden van het beroep schriftelijk aangevuld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 en 6 september 2011, waar een aantal appellanten zich heeft doen vertegenwoordigen of in persoon, al dan niet bijgestaan door een raadsman, is verschenen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts zijn verscheidene belanghebbenden gehoord die op grond van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn toegelaten tot het geding.
- Overwegingen Intrekking 2.
- Ter zitting heeft [appellante sub 28] haar beroep ingetrokken. Het beroep van [appellant sub 2] 2.
- [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte de bestemming "Natuur- en bosgebied" is toegekend aan zijn gronden. Weliswaar liggen zijn gronden in de ecologische hoofdstructuur, maar het gebied verbindt geen grotere natuurgebieden en aan alle kanten grenst het perceel van [appellant sub 2] aan percelen met woonhuizen, zo voert [appellant sub 2] aan. 2.2.
- De raad stelt zich op het standpunt dat toekenning van een woonbestemming niet past in het provinciale beleid voor de ecologische hoofdstructuur zoals opgenomen in de Interimstructuurvisie. Uit het verhandelde ter zitting en de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad het ter zake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.2.
- Het provinciale beleid was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit onder meer neergelegd in de "Interimstructuurvisie Noord-Brabant Brabant in Ontwikkeling" (hierna: de Interimstructuurvisie), vastgesteld bij besluit van 27 juni 2008 van provinciale staten van Noord-Brabant, en in de "Paraplunota ruimtelijke ordening" (hierna: de Paraplunota), vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie op 1 juli
- 2.2.
- Het perceel van [appellant sub 2] is bestemd als "Natuur- en bosgebied" en is volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht ingericht als (loof)bos. Blijkens het deskundigenbericht beschikt [appellant sub 2] niet over concrete bouwplannen voor zijn gronden. Onder deze omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet tegemoet te komen aan de wens van [appellant sub 2] om, in strijd met het geldende provinciale en gemeentelijke beleid, bebouwing op zijn perceel mogelijk te maken. 2.
- In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 2] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9] 2.
- [appellant sub 9] betogen dat de raad hun zienswijze ten onrechte niet heeft betrokken bij zijn besluitvorming omtrent vaststelling van het plan. Volgens hen voorziet het plan ten onrechte niet in een paardenhouderij op hun gronden. 2.4.
- In zijn verweerschrift stelt de raad zich op het standpunt dat nieuwvestiging van een paardenhouderij in strijd komt met het provinciale beleid. 2.4.
- Aan de gronden van [appellant sub 9] is de bestemming "Groen, landschapselement" toegekend. Uit de stukken blijkt dat de zienswijze van [appellant sub 9] na overhandiging aan een bij de gemeente werkzame ambtenaar is zoekgeraakt en nadien, voorafgaand aan de vaststelling van het plan, is teruggevonden. In de nota van beantwoording van zienswijzen is de zienswijze van [appellant sub 9] evenwel niet weergegeven en ook overigens is niet gebleken dat deze zienswijze is betrokken bij het besluit tot vaststelling van het plan. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 9] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Groen, landschapselement" dat betrekking heeft op de gronden van [appellant sub 9]. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 14] 2.
- [appellant sub 14] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om bij zijn woning een minicamping te exploiteren. Gezien de grootte van zijn perceel zou dit, evenals het geval is bij agrarische percelen, moeten worden toegestaan, zo voert [appellant sub 14] aan. 2.5.
- De raad stelt zich op het standpunt dat een minicamping in verband met het aanwezige aanbod en het tegengaan van wildgroei niet bij een burgerwoning en alleen bij een in bedrijf zijnd agrarisch bedrijf wordt toegestaan, als middel voor verbrede landbouw. Indien zou worden tegemoetgekomen aan de wens van [appellant sub 14], zou daarvan voorts een ongewenste precedentwerking uitgaan, aldus de raad. 2.5.
- De gronden van [appellant sub 14] zijn bestemd als "Wonen" en "Agrarisch met waarden, agrarische functie met landschapswaarden". Gebruik van deze gronden voor een minicamping is niet toegestaan. 2.5.2.
- Uit het deskundigenbericht kan worden afgeleid dat [appellant sub 14] over ongeveer vijf jaar bij zijn woning een minicamping wenst op te zetten. Van concrete plannen daartoe is in dit verband evenwel niet gebleken. De gronden van [appellant sub 14] werden ten tijde van de vaststelling van het bestreden besluit niet gebruikt voor een agrarisch bedrijf. De Afdeling acht het niet onredelijk dat de raad een minicamping bij een burgerwoning uit planologisch oogpunt niet wenselijk acht. Gelet hierop alsmede gelet op de precedentwerking die zou kunnen uitgaan van een besluit van de raad om tegemoet te komen aan de wens van [appellant sub 14] tot het realiseren van een minicamping, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid om minicampings slechts toe te laten bij in bedrijf zijnde agrarische bedrijven. 2.5.
- In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 14] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 16] 2.
- [appellant sub 16] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in het gebruik als burgerwoning van de recreatiewoning aan de Fransebaan 2b te Ulicoten, terwijl dit bij diverse woningen in de omgeving wel is gebeurd. Voorts is in strijd met in het verleden gedane toezeggingen niet voorzien in een agrarische bestemming voor het bedrijfsmatig houden van paarden op 0,8 ha grond rondom de recreatiewoning, zo voert [appellant sub 16] aan. De ligging van de gronden in de ecologische hoofdstructuur kan geen argument zijn om de gewenste bedrijvigheid niet mogelijk te maken, nu vijf bedrijven in de omgeving in dezelfde situatie verkeren, aldus [appellant sub 16]. 2.6.
- De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 16] vier paarden heeft en er maximaal vijf wenst te houden, hetgeen wordt gezien als het hobbymatig houden van paarden. Volgens de raad is in verband met een gedane toezegging de bestemming "Agrarisch met waarden, agrarische functie met natuurwaarden" toegekend aan een deel van de gronden van [appellant sub 16]. 2.6.
- De gronden van [appellant sub 16] zijn bestemd als "Natuur- en bosgebied", "Recreatie" met de aanduiding "solitaire recreatiewoning", "Agrarisch met waarden, agrarische functie met natuurwaarden" en "Groen, landschapselement". 2.6.
- Bij brief van 21 oktober 1994 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [persoon] naar aanleiding van een gesprek met [appellant sub 16] bevestigd dat in dat gesprek de toezegging is gedaan dat bij de eerstvolgende herziening van het bestemmingsplan een oppervlakte van 8.000 m² zal worden bestemd als "agrarisch gebied" en dat wat betreft de mogelijkheid van het oprichten van schuilgelegenheden annex paardenstallen in zijn algemeenheid nog een nader beleid zal worden geformuleerd zodat het mogelijk wordt om op het desbetreffende gedeelte van het perceel een dergelijk bouwwerk te realiseren. 2.6.3.
- Uit voornoemde brief van het college van burgemeester en wethouders kan niet worden afgeleid dat aan [appellant sub 16] is toegezegd dat gebruik van de gronden aan de Fransebaan 2b ten behoeve van een paardenhouderij mogelijk zou worden gemaakt. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat zonder meer zou worden meegewerkt aan de mogelijkheid tot realisering van een stal op die gronden. Reeds daarom geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van een planregeling voor deze gronden heeft gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel. 2.6.3.
- [appellant sub 16] heeft ter onderbouwing van het betoog dat recreatiewoningen zijn bestemd als burgerwoningen niet gewezen op situaties die gelijk moeten worden geacht aan die waarin [appellant sub 16] verkeert. Reeds daarom geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van een planregeling voor deze gronden heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Gezien de ligging van de recreatiewoning in het buitengebied en nu het provinciale beleid, dat door de raad op dit punt wordt onderschreven en als gemeentelijk beleid toegepast, zich in beginsel verzet tegen nieuwe burgerwoningen in het buitengebied, geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het gebruik van de recreatiewoning van [appellant sub 16] als burgerwoning bij recht mogelijk had moeten maken. 2.6.3.
- Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht is een oppervlakte van 8.000 m² van de gronden van [appellant sub 16] in gebruik als weiland/paardenbak en is, zonder dat daartoe een bouwvergunning is verleend, een paardenstal opgericht op gronden van [appellant sub 16] die in het voorliggende plan zijn bestemd als "Natuur". Tussen partijen is niet in geschil dat de gronden van [appellant sub 16] niet bedrijfsmatig, maar hobbymatig worden gebruikt. [appellant sub 16] heeft niet laten blijken van concrete plannen om de gronden bedrijfsmatig te gaan gebruiken. Met betrekking tot de stelling van [appellant sub 16] dat ten behoeve van andere percelen in de omgeving waar eveneens een klein aantal paarden wordt gehouden het bedrijfsmatig houden van paarden wel planologisch is toegestaan, heeft de raad ter zitting onweersproken gesteld dat het, anders dan bij het perceel van [appellant sub 16], in die gevallen gaat om percelen met een woonbestemming. Indien bij dergelijke percelen sprake is van voornemens om bedrijfsmatig paarden te gaan houden, dan kan de raad onder omstandigheden aanleiding zien om daaraan medewerking te verlenen, maar bij recreatiewoningen bestaat die mogelijkheid niet, zo heeft de raad ter zitting toegelicht. Gelet op deze toelichting is de Afdeling van oordeel dat geen sprake is van situaties die gelijk te stellen zijn aan die van [appellant sub 16]. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door bij de recreatiewoning van [appellant sub 16] het bedrijfsmatig houden van paarden niet toe te staan. 2.6.3.
- Gelet op het voorgaande geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om geen bestemming ten behoeve van een paardenhouderij aan deze gronden toe te kennen. 2.6.
- In hetgeen [appellant sub 16] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 16] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 31] 2.
- [appellant sub 31] betoogt dat ten onrechte een verkeersbestemming is toegekend aan een deel van zijn perceel Grens 30c, terwijl de bushalte ten behoeve waarvan de verkeersbestemming is opgenomen niet is voorzien op zijn gronden. 2.7.
- De raad stelt dat het standpunt van [appellant sub 31] juist is dat geen noodzaak bestaat voor de verkeersbestemming op gronden van [appellant sub 31]. 2.7.
- Nu de raad heeft erkend dat het niet de bedoeling is geweest de bestemming "Verkeer" in het plan op te nemen voor een deel van het perceel Grens 30c, terwijl het plan wel aldus is vastgesteld, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 32] 2.
- [appellant sub 32] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om de woning op zijn gronden aan de Schootsenhoek 6 te Castelré te splitsen in twee burgerwoningen. Nu dit niet zou leiden tot een toename van de bouwmassa ter plaatse en nu de woning door de gemeentelijke Monumentencommissie inmiddels is beoordeeld als cultuurhistorisch waardevol, staat het in de provinciale Nota buitengebied in ontwikkeling opgenomen beleid niet in de weg aan de gewenste ontwikkeling, aldus [appellant sub 32]. [appellant sub 32] voert voorts aan dat ervaringen uit het verleden hebben geleerd dat een bestemming ten behoeve van horeca, die aan de gronden van [appellant sub 32] is toegekend, niet te realiseren is. 2.8.
- De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Volgens de raad is de door [appellant sub 32] gewenste ontwikkeling in strijd met het gemeentelijke en provinciale beleid en is de aan het perceel toegekende horecabestemming in overeenstemming met de bestemming die onder het voorheen geldende plan op de gronden rustte. 2.8.
- Aan de gronden van [appellant sub 32] is de bestemming "Bedrijf" toegekend. Ter plaatse is ingevolge artikel 10, lid 10.1.2, van de planregels uitsluitend een horecabedrijf toegelaten. 2.8.
- In de Beleidsnota buitengebied in ontwikkeling staat het volgende over cultuurhistorisch waardevolle bebouwing: "Gelet op het streven om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te behouden, is het, in afwijking van de beleidslijn dat er geen burgerwoningen aan het buitengebied mogen worden toegevoegd, toegestaan cultuurhistorisch waardevolle bedrijfsbebouwing voor wonen te benutten. Uitgangspunt hierbij is dat er slechts één woonfunctie binnen de bebouwing mogelijk is. Indien de bebouwing zich qua omvang leent voor splitsing en behoud van de bebouwing anderszins niet haalbaar is, kan worden overwogen tot splitsing van het gebouw ten behoeve van de realisering van maximaal twee woningen. Omzetting naar een woonfunctie is alleen mogelijk indien een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd, de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet worden beperkt en er geen afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische kwaliteit van de bebouwing." 2.8.
- Uit het verhandelde ter zitting en de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad het ter zake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.8.
- Vaststaat dat het provinciale beleid zich in beginsel verzet tegen nieuwe burgerwoningen in het buitengebied. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft de gemeentelijke monumentencommissie aan [appellant sub 32]s medegedeeld dat zij welwillend staat tegenover toekenning van een cultuurhistorische waarde aan het pand aan de Schootsenhoek
- De Afdeling overweegt dat de brief van de gemeentelijke monumentencommissie dateert van na het nemen van het bestreden besluit. Nog daargelaten dat het, zoals in de brief staat vermeld, slechts een advies betreft over toekenning van cultuurhistorische waarde aan het pand, geeft het aangevoerde dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat geen sprake is van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing als bedoeld in de Beleidsnota buitengebied in ontwikkeling. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen om niet tegemoet te komen aan de wens van [appellant sub 32] om splitsing van de woning op zijn gronden mogelijk te maken. 2.8.
- De enkele gestelde omstandigheid dat ter plaatse een horecabedrijf niet succesvol meer kan worden geëxploiteerd, geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat binnen de planperiode redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat een zinvolle invulling aan de in het plan voorziene horecabestemming tot de mogelijkheden behoort. 2.
- In hetgeen [appellant sub 32] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door [appellant sub 32] bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van Landgoed Postel 2.
- Landgoed Postel betoogt dat het perceel Postel 2 ten onrechte is bestemd als "Overig, landgoed". In dit verband voert zij aan dat dit perceel geen deel uitmaakt van het landgoed en geen eigendom is van Landgoed Postel en dat de toegekende bestemming van het perceel niet in overeenstemming is met het bestaande gebruik ten behoeve van burgerbewoning. Landgoed Postel stelt dat het perceel en het landgoed weliswaar oorspronkelijk behoorden tot hetzelfde agrarische bedrijf, maar dat bij de beëindiging van het agrarische bedrijf en de oprichting van het landgoed de woning en het landgoed bij verschillende partijen in eigendom zijn gekomen. Voorts voert Landgoed Postel aan dat onduidelijk is of een beheerdersgebouw kan worden opgericht als bijgebouw en dat ten onrechte niet alle bestaande bijgebouwen bij recht zijn toegelaten. 2.10.
- De raad heeft in de omstandigheid dat de woning aan de Postel 2 in het verleden is afgesplitst van de gronden die nu het landgoed vormen en in gebruik is als burgerwoning geen aanleiding gezien om die ontwikkeling te volgen bij de vaststelling van het plan, om te voorkomen dat ten behoeve van het landgoed nieuwbouw van een woning mogelijk zou worden. Indien wordt voldaan aan de voorwaarden voor het provinciale landgoederenbeleid acht de raad toekenning van een woonbestemming aan het perceel Postel 2 bespreekbaar, maar vooralsnog is dit niet aan de orde, aldus de raad. Wat betreft bijgebouwen is de raad van oordeel dat de totale oppervlakte niet meer mag bedragen dan 400 m². 2.10.
- Het bestaande gebruik van de woning aan de Postel 2 als burgerwoning is in overeenstemming met de in het voorheen geldende bestemmingsplan ten behoeve van deze woning opgenomen bestemming "Woondoeleinden", maar is in het voorliggende plan niet bij recht toegestaan als gevolg van de daarin voor de woning opgenomen bestemming "Overig, landgoed". Het gebruik van de woning als burgerwoning moet, gelet op de voorheen geldende bestemming, evenwel worden aangemerkt als bestaand legaal gebruik, welk gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Niet aannemelijk is dat aan deze laatstgenoemde voorwaarde zal worden voldaan, nu het gebruik als burgerwoning mag worden voortgezet op grond van het in het plan opgenomen gebruiksovergangsrecht en nu niet is gebleken van voornemens van de zijde van de bewoner om dit gebruik binnen de planperiode te staken en evenmin van gemeentelijke voornemens tot aankoop of onteigening van de gronden waarop de woning is gebouwd. 2.10.
- Gelet op het overwogene in 2.10.
- geeft hetgeen Landgoed Postel heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Overig, landgoed" dat betrekking heeft op het perceel Postel 2 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In zoverre is het plan vastgesteld in strijd met artikel 3.1 van de Wro. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd. De Afdeling ziet voorts aanleiding om het besluit tot vaststelling van het plandeel met de bestemming "Overig, landgoed" dat betrekking heeft op de gronden van Landgoed Postel eveneens te vernietigen. Daartoe overweegt de Afdeling dat, indien het bestreden besluit niet tevens wordt vernietigd voor zover het de vaststelling van dit laatstgenoemde plandeel betreft, het oprichten van een beheerderswoning bij het landgoed zonder meer mogelijk zou zijn, terwijl de raad ervan is uitgegaan dat de woning aan de Postel 2 als zodanig zou fungeren. Bij het vaststellen van een nieuw plan voor de tot "Overig, landgoed" bestemde gronden aan de Postel kan de raad alsnog bezien of de mogelijkheid dient te worden geboden tot het oprichten van een beheerderswoning op de gronden van Landgoed Postel, en zo ja, op welke wijze de raad die mogelijkheid vorm wenst te geven. Aan afzonderlijke bespreking van de bestreden bijgebouwenregeling komt de Afdeling niet toe. Het beroep van [appellant sub 26] 2.
- [appellant sub 26] stelt dat zijn zienswijze ten onrechte niet is betrokken bij de besluitvorming door de raad, terwijl hij op 1 februari 2009 zijn zienswijze per e-mail heeft verzonden aan de behandelend ambtenaar bij de gemeente en een door hem aangestelde zaakwaarnemer zijn schriftelijke zienswijze bij het gemeentehuis heeft afgegeven op 2 februari 2009, binnen de termijn voor het naar voren brengen van een zienswijze over het ontwerpplan. 2.11.
- Ter zitting heeft de raad niet betwist dat de zienswijze van [appellant sub 26] op 2 februari 2009 is ingekomen, maar heeft hij zich op het standpunt gesteld dat die datum buiten de termijn voor het naar voren brengen van een zienswijze valt en dat niet kenbaar is gemaakt dat de mogelijkheid bestaat om via elektronische weg zienswijzen naar voren te brengen, zodat de door [appellant sub 26] verzonden e-mail niet kan worden aangemerkt als een tijdig ingekomen zienswijze. 2.11.
- Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. 2.11.
- Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 22 december 2008 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht eindigde, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid van de Algemene termijnenwet, derhalve op 2 februari
- Nu als vaststaand moet worden aangenomen dat [appellant sub 26] op 2 februari 2009 schriftelijk een zienswijze omtrent het ontwerpplan naar voren heeft gebracht, had de raad deze zienswijze dienen te betrekken bij zijn besluitvorming. Dit heeft de raad evenwel nagelaten. 2.
- In hetgeen [appellant sub 26] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel dat betrekking heeft op zijn gronden, kadastraal bekend gemeente Baarle-Nassau, C, nr.
- Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.12.
- Ten behoeve van toekomstige besluitvorming overweegt de Afdeling nog het volgende. Volgens het deskundigenbericht bevindt zich op het perceel van [appellant sub 26] een met bouwvergunning opgerichte paardenstal met een oppervlakte van 25 m². Zoals door de raad ter zitting is erkend, dienen bouwwerken die overeenkomstig een daarvoor verleende bouwvergunning zijn opgericht in beginsel bij recht te worden toegelaten in een bestemmingsplan. Bij de vaststelling van een nieuwe planologische regeling voor de gronden van [appellant sub 26] dient de raad hiermee rekening te houden. Het beroep van [appellant sub 15] 2.
- [appellant sub 15] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in de mogelijkheid tot bouw van een woning op het perceel Maaijkant 2c. [appellant sub 15], eigenaar van een timmerwerkplaats op het perceel Dorpstraat 32, vreest daardoor te worden beperkt in de uitvoering van zijn bedrijfswerkzaamheden. Voorts voert hij aan dat vanwege zijn werkzaamheden alsmede vanwege de hinder van een nabijgelegen rundveehouderij aan de Dorpsstraat 38 geen goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van de woning kan worden gegarandeerd. Voorts stelt [appellant sub 15] dat het plan niet in overeenstemming is met het zogenoemde provinciale "ruimte voor ruimte"-beleid, nu de raad dit beleid niet strikt heeft gevolgd. 2.13.
- Volgens de raad is de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorziene woning voldoende onderbouwd in een ten behoeve daarvan lopende procedure omtrent een bouwvergunning. 2.13.
- Aan het perceel Maaijkant 2c is de bestemming "Wonen" en de aanduiding "ruimte-voor-ruimte woningen" toegekend. 2.13.
- Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 15] dat de raad niet heeft gehandeld in overeenstemming met het provinciale beleid, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een plan niet is gebonden aan dat beleid, maar dat hij daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. In het rapport "Ruimtelijke onderbouwing Vrijstaande woning Dorpsstraat 34 Ulicoten" (Compositie 5 stedenbouw bv, september 2008) zijn de resultaten vervat van het onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de aan de Maaijkant 2c voorziene woning. In dit rapport staat over provinciaal beleid onder meer dat de gemeente Baarle-Nassau haar eigen invulling geeft aan de "ruimte-voor-ruimte"-regeling. Bij besluit van 2 december 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant in het kader van een procedure in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een verklaring van geen bezwaar verleend ten behoeve van de thans in het plan voorziene woning en heeft het college gesteld dat het van mening is dat het project passend is binnen de kaders van het provinciale planologische beleid. Het rapport van Compositie 5 stedenbouw behoort bij deze verklaring van geen bezwaar. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het bestreden besluit onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het provinciale "ruimte voor ruimte"-beleid. 2.13.
- In voornoemd rapport staat dat ten oosten van de projectlocatie, aan de Dorpsstraat 32, een [appellant sub 32]bedrijf is gevestigd waarvan de werkplaats op ongeveer 15 m staat van de locatie waar de nieuwe woning beoogd wordt. In het rapport staat dat het bedrijf volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een hindercirkel heeft van 30 m. Een aantal jaren geleden is aan de Maaijkant een woning gerealiseerd tegen het perceel van het [appellant sub 32]bedrijf, die is gelegen op ongeveer 14 m van de werkplaats, zo staat in het rapport. Nu dit geen belemmeringen met zich heeft gebracht voor het milieu, kan volgens het rapport worden gesteld dat ook de realisatie van de beoogde woning hier mogelijk is. Hoewel is beoogd tussen de voorziene woning en de werkplaats van het [appellant sub 32]sbedrijf een afstand aan te houden van 15 m, biedt het voorliggende plan de mogelijkheid om een woning op kortere afstand tot de werkplaats te realiseren, terwijl de effecten daarvan voor zowel de voorziene woning als de bedrijfsvoering van het [appellant sub 32]bedrijf niet zijn onderzocht. In zoverre is bij het ten behoeve van de voorziene woning verrichte onderzoek ten onrechte niet uitgegaan van hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. 2.
- In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij het plandeel met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "ruimte-voor-ruimte woningen" is vastgesteld dat betrekking heeft op het perceel Maaijkant 2c. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Hetgeen [appellant sub 15] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft thans geen bespreking. Het beroep van De Heimolen 2.
- De Heimolen wenst het gebruik van het perceel Hoogstratensebaan 16 te Baarle-Nassau als intensieve veehouderij om te zetten in gebruik ten behoeve van een paardenfokkerij met rijhal voor onder meer wedstrijden en betoogt dat de toegestane maximale oppervlakte voor bedrijfsgebouwen ten onrechte is beperkt tot 3.850 m². Nu het de bedoeling is om naast de reeds aanwezige bebouwing van 711 m² een rijhal voor vierspanrijden te bouwen en daarvoor een grotere rijhal is benodigd dan gebruikelijk is, dient naast de bestaande gebouwen minimaal een oppervlakte van 4.000 m² en bij voorkeur een oppervlakte van 5.000 m² te worden toegestaan, aldus De Heimolen. Volgens De Heimolen is bij de voorbereiding van het plan van gemeentelijke zijde de verwachting gewekt dat een dergelijke oppervlakte ruimtelijk aanvaardbaar werd geacht. Door de in het plan toegekende bestemmingsregeling is de voorheen toegestane bedrijvigheid voor een intensieve veehouderij niet meer mogelijk en wordt tegelijkertijd de beoogde bedrijfsomzetting praktisch niet mogelijk gemaakt, zo voert De Heimolen aan. 2.15.
- De raad stelt zich op het standpunt dat hij achter de plannen voor een paardenhouderij staat, maar dat hij de toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen die het plan mogelijk maakt van maximaal 3.850 m² een ruime uitbreiding van de bebouwingsmogelijkheden acht, gelet op hetgeen thans feitelijk aanwezig is. 2.15.
- Aan een deel van de gronden van De Heimolen aan de Hoogstratensebaan 16 is de bestemming "Agrarisch, paardenhouderij" toegekend. Het plan voorziet ten behoeve van de desbetreffende gronden in een maximale toegestane oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 3.850 m². 2.15.
- Over het betoog van De Heimolen dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat De Heimolen niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een grotere maximaal toegestane te bebouwen oppervlakte zou voorzien dan 3.850 m². Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. 2.15.
- In een door De Heimolen overgelegde brief van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (hierna: KNHS), Team Mennen en Aangespannen Sport, staat het volgende: "Wordt een indoor wedstrijd ter goedkeuring aan ons aangeboden en de rijbaan bedraagt 35 meter x 70 meter, dan zullen geen beperkingen worden opgelegd m.b.t. het aantal deelnemers, ook niet als dit meerspannen zijn. We spreken dan van een rijhal van bijna 2.500 m². Een dergelijke hal is ook geschikt voor het verrijden van promotieconcoursen en shows." De Heimolen voert aan dat uit deze brief niet moet worden afgeleid dat de door haar gewenste oppervlakte aan bedrijfsgebouwen niet nodig zou zijn en heeft er daarbij op gewezen dat zij een paardenfokkerij wenst te realiseren en dat daarbij de beschikking over een rijhal noodzakelijk is om de paarden wedstrijdklaar te kunnen verkopen. De Heimolen heeft dit standpunt echter niet aannemelijk gemaakt. Dit had wel in de rede gelegen, nu het plan naast een rijbaan zoals door de KNHS in voornoemde brief beschreven nog 1.400 m² aan gebouwen mogelijk maakt en nu niet op voorhand valt in te zien waarom dit onvoldoende zou zijn. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maximale toegestane oppervlakte aan gebouwen van 3.850 m² voldoende kan worden geacht. 2.
- In hetgeen De Heimolen heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door De Heimolen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 18] 2.
- [appellant sub 18] betoogt dat in afwijking van de bedoeling van de raad een bestemming voor een recreatiewoning is toegekend aan zijn perceel Huisvennen
- 2.17.
- De raad stelt zich op het standpunt dat abusievelijk een bestemming ten behoeve van een recreatiewoning is opgenomen voor het perceel van [appellant sub 18]. 2.17.
- Nu de raad heeft erkend dat het niet de bedoeling is geweest de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "solitaire recreatiewoning" toe te kennen aan het perceel Huisvennen 12, terwijl het plan wel aldus is vastgesteld, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 21] en [appellant sub 29] 2.
- [appellant sub 21] en [appellant sub 29] voeren aan dat ten onrechte een bedrijfsbestemming is toegekend aan de delen van hun percelen Grensweg 20 en Grensweg 22 die zijn ingericht als tuin. 2.18.
- De raad stelt dat abusievelijk de bestemming "Bedrijf" is toegekend aan delen van de percelen Grensweg 20 en Grensweg
- 2.
- Nu de raad heeft erkend dat het niet de bedoeling is geweest de bestemming "Bedrijf" toe te kennen aan delen van de percelen Grensweg 20 en Grensweg 22, terwijl het plan wel aldus is vastgesteld, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] 2.
- [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] betogen dat aan hun perceel, kadastraal bekend onder sectie L, nummer 89, ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend. De in het vorige plan opgenomen bestemming "Agrarisch kernrandgebied" bood volgens hen meer mogelijkheden. Zij voeren aan dat van gemeentelijke zijde de verwachting is gewekt dat realisering van zogenoemde "ruimte voor ruimte"-woningen mogelijk zou worden gemaakt op deze locatie dan wel dat ten behoeve daarvan een wijzigingsbevoegdheid in het plan zou worden opgenomen. 2.20.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de voorheen bestaande mogelijkheden op de gronden niet zijn gebruikt en dat nieuwe inzichten ten aanzien van het buitengebied hebben geleid tot toekenning van de bestemming "Agrarisch" aan de gronden. 2.20.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] dat het plan minimaal zou moeten voorzien in voortzetting van de op grond van het voorheen geldende plan opgenomen mogelijkheden voor hun gronden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht is de aan de gronden toegekende bestemming in overeenstemming met het huidige gebruik. Dat het voorheen geldende bestemmingsplan voor deze gronden ruimere gebruiksmogelijkheden bood en dat [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] hebben geprobeerd te komen tot een wijziging van het bestaande gebruik van de gronden, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad daaraan niet in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" heeft kunnen toekennen. 2.20.
- Volgens de door [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] aangehaalde toelichting op het bestemmingsplan "Nassaulaan" is de locatie Boschoven een potentiële "ruimte voor ruimte"-locatie. Nu uit het gebruik van het woord "potentiële" reeds blijkt dat op dit punt geen sprake is van afgeronde besluitvorming, hebben [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] aan deze plantoelichting niet de verwachting kunnen ontlenen dat de raad de door hen ter plaatse gewenste ontwikkelingen in het thans voorliggende plan mogelijk zou maken. Volgens de raad zijn geen toezeggingen gedaan die ertoe strekken dat realisering van "ruimte voor ruimte"-woningen mogelijk zou worden op de gronden van [appellant sub 37] en [appellant sub 37A]. [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] hebben niet aannemelijk gemaakt dat in weerwil van deze verklaring door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan zou voorzien in de door hen gewenste ontwikkelingen. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan op dit punt in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld. 2.
- In hetgeen [appellant sub 37] en [appellant sub 37A] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover door hen bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond. De beroepen van [appellant sub 21] en [appellant sub 37] Ontvankelijkheid 2.
- De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 21] geen belanghebbende is bij het door hem bestreden plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop aanpassing van de N260 is voorzien. 2.22.
- Ten aanzien van dit standpunt overweegt de Afdeling dat zij de vrees van [appellant sub 21] voor beïnvloeding van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene aanpassing van de N260 niet op voorhand van iedere grond ontbloot acht, gezien de afstand van zijn woning tot de N260 van ongeveer 200 m en gezien de ruimtelijke uitstraling van deze weg op zijn perceel. Gelet hierop bestaat voldoende aanleiding om aan te nemen dat de belangen van [appellant sub 21] rechtstreeks betrokken zijn bij het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop aanpassing van de N260 is voorzien. Aangevoerde bezwaren 2.
- [appellant sub 21] en [appellant sub 37] voeren als procedureel bezwaar aan dat het vastgestelde plan dusdanig sterk afwijkt van het ontwerpplan, dat het opnieuw ter inzage had moeten worden gelegd. [appellant sub 21] en [appellant sub 37] richten zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop aanpassing van de N260 is voorzien op het traject tussen Baarle-Nassau tot de grens tussen Nederland en België. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan naar de effecten van de reconstructie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en is ten onrechte geen milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld ten behoeve van de voorziene reconstructie van de N
- Zij betogen voorts dat onvoldoende inzicht is geboden in de afweging van alternatieve routes voor de N
- Daarnaast bevatten de ten behoeve van het bestreden plandeel opgestelde rapporten over geluidhinder en luchtkwaliteit volgens hen gebreken. Verder voeren zij aan dat onvoldoende aandacht is besteed aan de leefbaarheid en veiligheid van aan- en omwonenden van de weg en dat onvoldoende rekening is gehouden met de landschappelijke waarden van de op grond van het provinciale beleid beschermde bomen langs de N
- Volgens [appellant sub 21] en [appellant sub 37] leidt de wegaanpassing wel tot een verbetering van de verkeersveiligheid voor doorgaand verkeer, maar ten onrechte niet tot verbetering van de veiligheid van omwonenden. 2.23.
- Wat betreft het betoog dat het plan opnieuw in ontwerp ter inzage had moeten worden gelegd, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aanzienlijk aantal wijzigingen. Het aangevoerde geeft evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat deze afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de meest ingrijpende wijziging niet een wijziging van bestemmingen van in het plangebied opgenomen gronden betreft, maar de keuze om landbouwontwikkelingsgebieden buiten het plan te laten, welke keuze niet het risico met zich brengt dat derden de mogelijkheid van het naar voren brengen van een zienswijze omtrent aan gronden toe te kennen bestemmingen is ontnomen. Voorts is daarbij van belang dat [appellant sub 21] en [appellant sub 37] voor het overige niet hebben gewezen op concrete bestemmingswijzigingen die volgens hen hadden moeten leiden tot het opnieuw doorlopen van de procedure voor het plan. 2.23.
- Met betrekking tot het betoog dat ten onrechte geen MER is opgesteld ten behoeve van de voorziene reconstructie, overweegt de Afdeling als volgt. 2.23.2.
- Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, zoals deze gold ten tijde van belang, worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder zij worden ondernomen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Ingevolge artikel 2 van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (hierna: Besluit mer 1994) en onderdeel C, categorie 1.5 van de bijlage bij het Besluit mer 1994, zoals deze gold ten tijde van belang, is het opstellen van een MER bij de wijziging of uitbreiding van een autosnelweg, autoweg, niet zijnde een hoofdweg, of een weg als bedoeld in categorie 1.3 van onderdeel C van de bijlage, verplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 10 km of meer, de verbreding van een weg met één of meer rijstroken en het te verbreden gedeelte twee knooppunten met elkaar verbindt, of de ombouw van een weg tot autosnelweg of autoweg. 2.23.2.
- In het ten behoeve van de voorziene reconstructie opgestelde rapport "Planstudie herinrichting Baarle-Belgische grens, N260" (Provincie Noord-Brabant, november 2005) staat dat het te herinrichten wegvak loopt van hm 52 tot en met hm
- De in het plan voorziene reconstructie van de N260 betreft derhalve een tracélengte van minder dan 10 km. Ook voor het overige is geen sprake van een activiteit waarvoor ingevolge artikel 2 van het Besluit mer 1994 en onderdeel C, categorie 1.5 van de bijlage bij het Besluit mer 1994 een verplichting tot het opstellen van een MER geldt. De raad heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat ingevolge voormelde bepalingen geen aanleiding bestond voor het opstellen van een MER. Met betrekking tot de ter zitting door [appellant sub 21] en [appellant sub 37] aangevoerde samenhang tussen de reconstructie van de N260 en de voorziene aanleg van een rondweg om Baarle-Nassau, is ter zitting naar voren gekomen dat de projectgebieden op enkele kilometers afstand van elkaar liggen en heeft de raad toegelicht dat de uitvoering van de in het plan voorziene reconstructie niet afhankelijk is van de aanleg van de rondweg. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de in het plan voorziene reconstructie van de N260 en de voorziene aanleg van de rondweg om Baarle-Nassau ten onrechte niet heeft aangemerkt als één voorgenomen activiteit waarvoor de verplichting geldt om een MER op te stellen. 2.23.
- Met betrekking tot het betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de in het plan voorziene reconstructie van de N260 voor Natura 2000-gebieden, is het volgende van belang. 2.23.3.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, ten tijde van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. 2.23.3.
- Met betrekking tot het betoog dat onvoldoende onderzoek is verricht naar de gevolgen van de voorziene reconstructie van de N260 voor Natura 2000-gebieden, is van belang dat de reconstructie niet plaatsvindt om de capaciteit van de N260 te vergroten en dat de capaciteit van de N260 als gevolg van de reconstructie ook niet toeneemt, maar dat met de reconstructie is beoogd om de verkeersveiligheid te bevorderen. Voorts vindt de reconstructie van de N260 niet plaats in een Natura 2000-gebied of in de onmiddellijke nabijheid daarvan. De omstandigheid dat in de toekomst ontwikkelingen zijn voorzien als gevolg waarvan de verkeersdruk op de N260 mogelijk zal toenemen, wat daarvan zij, kan niet worden toegerekend aan de voorziene reconstructie. [appellant sub 21] en [appellant sub 37] hebben niet aannemelijk gemaakt dat van de voorziene reconstructie niettemin negatieve effecten zullen uitgaan op Natura 2000-gebieden. Onder deze omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 19j van de Natuurbeschermingswet
- 2.23.
- Met betrekking tot de verkeersveiligheid stelt de raad dat de wegbeheerder, de Provincie Noord-Brabant, medewerking heeft verzocht om deze weg te laten voldoen aan de vigerende veiligheidsnormen. Volgens de raad moet de thans voorziene reconstructie van het wegvak als een minimum voor een regionale ontsluitingsweg worden gezien om de verkeersveiligheid te waarborgen. 2.23.4.
- In voornoemde Planstudie staat dat de N260 zal worden ingericht als overgangswegvak omdat de N260 aansluit op de N268 in België. In verband met de wegaanpassing van de N260 is de kap van 265 eiken langs de N260 voorzien, waarvan sommige volgens de planstudie thans te dicht op de rijbaan staan, hetgeen verkeersonveilige situaties oplevert. Volgens het op dit punt onweersproken deskundigenbericht bestaat aan provinciale zijde in verband met de verkeersveiligheid het voornemen voor een deel van het tracé van de weg de maximale toegestane snelheid terug te brengen van 80 km/h naar 60 km/h. In het deskundigenbericht staat dat de herinrichting van de N260 tot een gebiedsontsluitingsweg die voldoet aan alle eisen van het zogenoemde principe "Duurzaam veilig" niet mogelijk is, omdat de ruimte voor de weg te smal is voor de in beginsel vereiste wegbreedte van een gebiedsontsluitingsweg van 7,2 m. Volgens het deskundigenbericht kan de voorgestelde variant wel worden gerealiseerd binnen de bestemming "Verkeer". [appellant sub 21] en [appellant sub 37] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan in de weg staat aan een wijze van inrichting van de N260 die uit het oogpunt van verkeersveiligheid voor omwonenden aanvaardbaar kan worden geacht. 2.23.
- Wat betreft de gehanteerde verkeersintensiteiten staat in het deskundigenbericht dat uit verkeerstellingen is gebleken dat de verkeersintensiteiten in werkelijkheid lager liggen dan die waarmee is gerekend voor het traject tussen Baarle-Nassau en de Belgische grens, zodat de berekende verkeersgegevens een overschatting zijn ten opzichte van de getelde verkeersintensiteit. [appellant sub 21] en [appellant sub 37] hebben niet aannemelijk gemaakt dat, in tegenstelling tot deze in het deskundigenbericht geconstateerde overschatting van verkeersintensiteiten, sprake zou zijn van een onderschatting. 2.23.
- Naar aanleiding van het betoog van [appellant sub 21] en [appellant sub 37] dat de effecten van de voorziene bomenkap niet zijn meegenomen in het luchtkwaliteitonderzoek is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat aannemelijk is dat het kappen van bomen en eventuele herplant, langs de weg geen invloed heeft op de luchtkwaliteit. Wat betreft het betoog dat gebruik is gemaakt van verkeerde invoergegevens is in het deskundigenbericht geconcludeerd dat de gebruikte wegtyperingen, ten opzichte van de door [appellant sub 21] en [appellant sub 37] voorgestane grotere doorstroomsnelheid, kunnen worden beschouwd als een "worst case"-benadering. [appellant sub 21] en [appellant sub 37] hebben niet, bijvoorbeeld aan de hand van een rapport dat is opgesteld door een onafhankelijke deskundige, aannemelijk gemaakt dat het ten behoeve van de reconstructie van de N260 uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek, in weerwil van de in het deskundigenbericht weergegeven beoordeling van dat onderzoek, niettemin dusdanige gebreken of onjuistheden vertoont dat de raad zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. 2.23.
- Met betrekking tot het betoog dat de bomen langs de N260 volgens het provinciale beleid te beschermen landschappelijke waarden betreffen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, maar dat hij daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat hij het in de belangenafweging dient te betrekken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 augustus 2011, nr. 201012638/1/H2, over de ten behoeve van de kap van de bomen langs de N260 aan de provincie Noord-Brabant verleende kapvergunning, reeds overwogen dat het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau het belang van de verkeersveiligheid op de N260 heeft kunnen laten prevaleren boven het belang bij behoud van de bomen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dat niet in redelijkheid eveneens heeft kunnen doen. Voorts geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op basis van het ten behoeve van de reconstructie opgestelde landschapsplan sprake is van een goede landschappelijke inpassing. 2.23.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de vaststelling van een planregeling voor de N260 in redelijkheid kunnen betrekken dat sprake is van een bestaande weg waarvan de beheerder heeft verzocht om het verlenen van medewerking aan aanpassing ten behoeve van de verkeersveiligheid. Hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de beschikbaarheid van alternatieven geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten het plan in de uiteindelijk door hem gekozen vorm vast te stellen. 2.23.
- De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van de voorziene aanpassing van de N260 voor de geluidsbelasting op naastgelegen woningen zijn onder meer vervat in het rapport "Onderzoek reconstructie Wet geluidhinder in het kader van aanpassing van de provinciale weg N260 traject Baarle-Nassau - België" (Jansen raadgevend ingenieursbureau, 16 april 2008). In het deskundigenbericht staat dat uit het geluidsrapport van 16 april 2008 blijkt dat voor een aantal woningen, waaronder die van [appellant sub 37], sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Uit het rapport blijkt volgens het deskundigenbericht voorts dat door het toepassen van zogenoemd steenmastiek asfalt (SMA 0/6) de geluidbelasting in de toekomstige situatie niet hoger zal zijn dan voor de wijziging van de weg, waarmee de toename vanwege de reconstructie teniet is gedaan. Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft de raad met betrekking tot woningen op de saneringslijst een aanvullend geluidonderzoek laten uitvoeren. In het deskundigenbericht staat voorts dat uit het rapport blijkt dat de huidige maximumsnelheid 80 km/h bedraagt, hetgeen in de toekomstige situatie voor een gedeelte van het traject wordt verlaagd tot 60 km/h, zodat voor de toekomstige geluidbelasting een aftrek van 5 dB moet worden toegepast. Volgens het deskundigenbericht is dit op correcte wijze gedaan. 2.23.9.
- [appellant sub 21] en [appellant sub 37] wijzen er evenwel terecht op dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen verkeersbesluit was genomen ten behoeve van deze voorgenomen verlaging van de maximumsnelheid. Gelet hierop had naar het oordeel van de Afdeling bij het onderzoek naar de geluidsbelasting op woningen langs de N260 moeten worden uitgegaan van de op dat moment geldende maximumsnelheden. In zoverre is het geluidsonderzoek gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. 2.23.9.
- In hun zienswijze op het deskundigenbericht hebben [appellant sub 21] en [appellant sub 37] voor het overige ten aanzien van de in het deskundigenbericht opgenomen beschrijving van de toekomstige situatie, de planregeling, verkeersveiligheid, verkeersintensiteiten, landschappelijke waarden, geluid, luchtkwaliteit en milieueffecten verzocht om nader onderzoek. Naar het oordeel van de Afdeling had het, gezien het reeds beschikbare onderzoek naar de gevolgen van de aanpassing van de N260 en de beoordeling daarvan in het deskundigenbericht, evenwel op de weg van [appellant sub 21] en [appellant sub 37] gelegen om zelf, bijvoorbeeld aan de hand van een rapport dat is opgesteld door een onafhankelijke deskundige, aannemelijk te maken dat het beschikbare onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich bij de besluitvorming over de aanpassing van de N260 niet in redelijkheid op dat beschikbare onderzoek heeft kunnen baseren. Nu zij dat niet hebben gedaan, geeft hetgeen [appellant sub 21] en [appellant sub 37] voor het overige hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit tot vaststelling van het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen. 2.23.9.
- Voor het overige hebben [appellant sub 21] en [appellant sub 37] zich beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 21] en [appellant sub 37] hebben in de stukken noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. 2.23.
- Gelet op het overwogene onder 2.23.9.1 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop de reconstructie van de N260 is voorzien. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.23.10.
- Ter zitting is van de zijde van het college van gedeputeerde staten verklaard dat in het voorjaar van 2011 formeel is besloten tot de in het deskundigenbericht bedoelde verlaging van de maximumsnelheid op de N
- Omdat tegen het daartoe genomen verkeersbesluit geen bezwaar is gemaakt, is het inmiddels onherroepelijk geworden, aldus het college van gedeputeerde staten ter zitting. De Afdeling ziet hierin aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten voor zover het betreft de te vernietigen vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer" dat betrekking heeft op de gronden waarop de reconstructie van de N260 is voorzien. Het beroep van [appellant sub 1] en anderen en het beroep van ABC en BMF, voor zover dat betrekking heeft op camping Ponderosa en gronden in de directe omgeving daarvan Ontvankelijkheid 2.
- Met betrekking tot het standpunt van de raad en camping Ponderosa dat het beroep van [appellant sub 1] en anderen niet-ontvankelijk is voor zover dat beroep ziet op het plandeel dat betrekking heeft op gronden van camping Ponderosa omdat zij niet zijn aan te merken als belanghebbenden, overweegt de Afdeling als volgt. 2.24.
- Het plan voorziet onder meer in uitbreiding van camping Ponderosa in noordelijke richting, aan de noordzijde van de Oude Bredasebaan, en in uitbreiding van de toegestane horecamogelijkheden op de camping. De woningen van [appellant sub 1] en anderen bevinden zich ten zuidwesten van de camping op een maximale afstand van ongeveer 500 m tot die camping. Mede gezien de omvang van de ten behoeve van de camping bestemde gronden en de verkeersaantrekkende werking die van de camping uitgaat is de vrees van [appellant sub 1] en anderen voor nadelige effecten van de camping op hun woon- en leefklimaat naar het oordeel van de Afdeling niet op voorhand van iedere grond ontbloot, zodat daarin voldoende aanleiding is gelegen om aan te nemen dat de belangen van [appellant sub 1] en anderen niet alleen rechtstreeks betrokken zijn bij het plandeel dat ziet op de gronden die reeds in gebruik zijn als camping, maar ook op de gronden waarop de uitbreiding van de camping is voorzien. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen niet alleen zijn gericht tegen de uitbreiding van de camping ten noorden van de Oude Bredasebaan, maar ook zien op verruimde gebruiksmogelijkheden ten behoeve van de camping. Materiële aspecten 2.
- [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF betogen dat het plan ten onrechte voorziet in legalisering van 170 bestaande standplaatsen bij camping Ponderosa, alsmede in uitbreiding van de camping met 80 plaatsen tot in totaal 600 standplaatsen en in legalisering van horeca-activiteiten. [appellant sub 1] en anderen betogen daartoe onder meer dat het plan leidt tot extra geluidsoverlast en verkeersdruk en dat geen rekening is gehouden met de hoge cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. Voorts voeren [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF aan dat in strijd met het provinciale beleid niet is voorzien in compensatie. De geboden mogelijkheden voor horeca en het besluit om de mogelijkheid te bieden om twee standplaatsen voor caravans in te wisselen voor een recreatiewoning achten zij in strijd met het provinciale beleid. Voorts betogen [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF dat ten onrechte niet is getoetst aan de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de Flora- en faunawet (hierna: Ffw). [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF voeren aan dat voor gronden in de omgeving van Ponderosa de in het ontwerpplan opgenomen natuurbestemming bij de vaststelling van het plan ten onrechte is gewijzigd in een agrarische bestemming. 2.25.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de planologische aanvaardbaarheid van de uitbreiding van de camping uitgebreid is onderzocht en dat uit het laatste advies van de provinciale commissie voor toerisme en recreatie, dat positief luidde, blijkt dat voldoende aan de voorwaarden uit het provinciale beleid voor uitbreiding van de recreatie is voldaan. Bovendien ligt de uitbreiding volgens de raad grotendeels in een gebied waar een advies van voornoemde commissie niet verplicht is en de beleidsregel natuurcompensatie niet van toepassing is. De raad stelt dat de in het plan opgenomen horecamogelijkheid in belangrijke mate ondersteunend kan zijn voor de exploitatie van de camping en dat provinciaal beleid niet in de weg staat aan nieuwvestiging van horeca op de beoogde locatie. De horeca ligt voorts op ruime afstand van de woningen van verzoekers, aldus de raad. Wat betreft de wijziging van de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen natuurbestemming van bepaalde nabij de camping gelegen gronden in de bestemming "Agrarisch" stelt de raad dat de bestemmingen van deze gronden ten onrechte zijn gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. 2.25.
- Ingevolge artikel 14, lid 14.1.1, van de planregels, voor zover van belang, zijn de voor "Recreatie" op verbeelding 1 aangewezen gronden bestemd voor recreatieve doeleinden bestemd voor recreatief (nacht)verblijf, met als ondergeschikte functie recreatieve voorzieningen zoals een ligweide, zwembad, trap- en speelveld. Ingevolge lid 14.2.2, aanhef en onder e, voor zover van belang, mogen op de gronden van Ponderosa met de bestemming "Recreatie" gebouwen worden opgericht ten behoeve van gemeenschappelijke voorzieningen, zoals horeca, waaronder ook horeca die niet gericht is op verblijfsrecreatie. Ingevolge lid 14.2.3, voor zover van belang, bedraagt het maximaal aantal toegestane standplaatsen voor recreatiebedrijf Ponderosa 360 voor stacaravans en 240 voor toeristisch kamperen. Ingevolge lid 14.2.6, aanhef en onder a, voor zover van belang, mag de oppervlakte van gebouwen ten behoeve van de gemeenschappelijke voorzieningen bij recreatiebedrijf Ponderosa niet meer bedragen dan 5.250 m³ (incl. kamphuis). 2.25.
- Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] en anderen voor infrastructurele problemen op de Maaijkant, is van belang dat, zoals ook in het deskundigenbericht staat beschreven, de hoofdingang van de camping aan de Oude Bredasebaan ligt. Aannemelijk is dan ook dat de ontsluiting van de camping grotendeels zal plaatshebben over deze weg en niet over de Maaijkant. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat ter plaatse van de Maaijkant niettemin een onaanvaardbare verkeerssituatie te verwachten is als gevolg van de in het plan voorziene uitbreiding van Ponderosa. 2.25.
- Het betoog dat bij de herinrichting van het terrein van Ponderosa rekening moet worden gehouden met waterhuishoudkundige aspecten betreft een kwestie van uitvoering van het plan die in deze procedure niet aan de orde kan komen. 2.25.
- Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF dat niet aan het provinciale beleid voor uitbreiding van recreatiebedrijven is voldaan, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, maar dat hij daarmee wel rekening dient te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. Anders dan [appellant sub 1] en anderen stellen, heeft de Adviescommissie Toerisme en Recreatie bij brief van 15 april 2009 uiteindelijk positief geoordeeld over de voorgenomen uitbreiding van Ponderosa. In deze brief stelt de commissie verheugd te zijn om te constateren dat met de geplande inrichting een verbetering van het leefgebied voor amfibieën wordt nagestreefd, hoewel in het uitbreidingsgebied geen amfibieën voorkomen. Gelet op de inhoud van dit advies geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de besluitvorming omtrent de uitbreidingsmogelijkheden voor Ponderosa onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het provinciale beleid op dit punt. Ook voor het overige geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij zijn besluitvorming over Ponderosa onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het provinciale beleid. 2.25.
- Wat betreft het betoog dat het ten onrechte is toegestaan twee caravanstandplaatsen in te wisselen voor een recreatiewoning, is het volgende van belang. 2.25.6.
- Ingevolge artikel 14, lid 14.2.5, van de planregels, is het op de recreatiebedrijven met zowel recreatiewoningen als stacaravans toegestaan om twee caravanplaatsen te vervangen voor één recreatiewoning en vice versa met dien verstande dat het maximum aantal recreatiewoningen en stacaravans zoals weergegeven in de tabellen 14.2.3 onder j en 14.2.4 onder j niet wordt overschreden. 2.25.6.
- Nu ter plaatse van Ponderosa volgens het plan geen recreatiewoningen zijn toegestaan, is artikel 14, lid 14.2.5, van de planregels niet van toepassing op Ponderosa. Het betoog mist derhalve feitelijke grondslag. 2.25.
- De vragen of voor de uitvoering van het plandeel met de bestemming "Recreatie" dat ziet op gronden van Ponderosa een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een mogelijke procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Naar de gevolgen van uitbreiding van de camping op beschermde soorten is onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn vervat in het rapport "Ecologisch onderzoek en inrichtingsplan Ponderosa" (Els & Linde B.V., januari 2009). Volgens de conclusie van dit rapport wordt geen enkele schade veroorzaakt aan beschermde soorten, zodat een ontheffing op grond van artikel 75 van de Ffw niet noodzakelijk is. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit rapport zodanige gebreken of onjuistheden vertoont dat de raad zich daarop bij het nemen van het bestreden besluit niet in redelijkheid heeft mogen baseren. Daarbij betrekt de Afdeling dat de door [appellant sub 1] en anderen overgelegde informatie van het Natuurloket geen betrekking heeft op het deel van de gronden van Ponderosa ten noorden van de Oude Bredasebaan, waar uitbreiding van de camping is voorzien. Voorts is de bestaande camping grotendeels legaal aanwezig en is, gezien de grootte van het terrein en de diverse verschillende gebruiksmogelijkheden van gronden, aannemelijk dat het, zo dit al nodig zou zijn, mogelijk is om ten aanzien van de situering van verschillende voorzieningen zodanig rekening te houden met eventuele te beschermen natuurwaarden dat de Ffw niet aan de uitbreiding van de camping in de weg staat. Het aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plandeel met de bestemming "Recreatie" dat ziet op gronden van Ponderosa. 2.25.
- Nu de raad heeft erkend dat het niet de bedoeling is geweest om de bestemming "Agrarisch" toe te kennen aan de door [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF bedoelde gronden in de omgeving van camping Ponderosa, terwijl het plan wel aldus is vastgesteld, ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen van [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch" zoals aangegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart. 2.25.
- Hetgeen [appellant sub 1] en anderen en ABC en BMF voor het overige hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Recreatie" die betrekking hebben op de gronden van Ponderosa strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond. Het beroep van ABC en BMF voor het overige 2.
- Het beroep van ABC en BMF ziet op het gehele besluit tot vaststelling van het plan en zij voeren in dit verband onder meer een aantal procedurele bezwaren aan. In de eerste plaats voeren zij aan dat de raad ten onrechte geen structuurvisie heeft vastgesteld, terwijl de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) daartoe verplicht. Voorts betogen zij dat, hoewel de zogenoemde landbouwontwikkelingsgebieden geen deel meer uitmaken van het plan, niettemin een milieu-effectrapportage voor het plan had moeten worden doorlopen, nu de ruimtelijke effecten van de activiteiten in landbouwontwikkelingsgebieden ook merkbaar zijn in het plangebied. Verder betogen zij dat het vastgestelde plan ten opzichte van het ontwerpplan zodanig ingrijpend is gewijzigd dat feitelijk sprake is van een geheel nieuw plan, waarmee aan belanghebbenden de mogelijkheid van het naar voren brengen van een zienswijze wordt ontnomen. Voorts wijzen ABC en BMF op onjuistheden in de bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan. 2.26.
- Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wro, stelt de gemeenteraad ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer structuurvisies vast. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te doen verwezenlijken. 2.26.1.
- Voor zover ABC en BMF betogen dat de raad eerst bevoegd is om het plan vast te stellen wanneer hij een structuurvisie heeft vastgesteld, overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet vaststellen van een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wro, niet afdoet aan de bevoegdheid van de raad om een bestemmingsplan vast te stellen. Het betoog faalt. 2.26.
- Met betrekking tot het betoog dat een milieu-effectrapportage had moeten worden uitgevoerd in verband met de nabijheid van het plangebied bij landbouwontwikkelingsgebieden overweegt de Afdeling als volgt. De landbouwontwikkelingsgebieden maakten deel uit van het ontwerpplan, maar zijn bij de vaststelling van het plan komen te vervallen, zodat het plan niet voorziet in activiteiten voor die gebieden. Er bestaat geen wettelijke bepaling die voorziet in de plicht tot het uitvoeren van een milieu-effectrapportage in verband met het plan voor activiteiten die niet in het plan zelf mogelijk worden gemaakt, maar die mogelijk plaatsvinden dan wel zijn voorzien in de landbouwontwikkelingsgebieden in de directe omgeving van het plangebied. Derhalve faalt het betoog. 2.26.
- Wat betreft de gewijzigde vaststelling van het plan overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen. Vaststaat dat de raad in dit geval het plan heeft vastgesteld met wijzigingen. Deze afwijkingen van het ontwerp zijn naar aard en omvang evenwel niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het ten opzichte van het ontwerpplan laten vervallen van de landbouwontwikkelingsgebieden niet het risico met zich brengt dat derden de mogelijkheid van het naar voren brengen van een zienswijze is ontnomen. Voor het overige is van belang dat sprake is van een omvangrijk plan dat betrekking heeft op een groot gebied en dat, hoewel ten opzichte van het ontwerp sprake is van een aanzienlijk aantal wijzigingen, deze wijzigingen in relatie tot het gehele plan niet zodanig zijn dat kan worden gesproken van een wezenlijk ander plan dan het ontwerpplan. 2.26.
- De gestelde onjuiste bekendmaking van het besluit tot vaststelling van het plan en de aangevoerde omstandigheid dat na de vaststelling van het plan verschillende bij het ontwerpplan behorende stukken niet meer digitaal beschikbaar zijn gesteld, hebben betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kunnen reeds om die reden de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen dan ook geen aanleiding vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. 2.
- ABC en BMF betwijfelen of de doeleindenomschrijving van de bestemming "Natuur- en bosgebied" voldoende rechtszekerheid biedt. ABC en BMF voeren aan dat sommige poelen in het plangebied zijn bestemd als "Groen, landschapselement" en andere als "Natuur- en bosgebied". Dit is volgens hen ook het geval bij zandwegen met historische waarden, die daarnaast soms zijn bestemd als "Verkeer". Een soortgelijk geval doet zich volgens ABC en BMF voor bij historische groenstructuren, die zijn bestemd als "Agrarisch met waarden, agrarische functie met natuurwaarden", "Agrarisch met waarden, agrarische functie met landschapswaarden", "Groen, landschapselement", dan wel "Verkeer". 2.27.
- Ingevolge artikel 13, lid 13.1.1, van de planregels, zijn de voor "Natuur- en bosgebied" op verbeelding 1 aangewezen bestemmingen bestemd voor: a. behoud en/of herstel en ontwikkeling van de ecologische, landschappelijke en natuurwaarden van zowel beboste als niet beboste gronden zoals poelen, waterpartijen, waterlopen, heide en graslanden; b. instandhouding, herstel en/of ontwikkeling van de op de op verbeelding 2a en 2b aangegeven en de in artikel 23, lid 23.2 beschreven:
- levensgemeenschappen van bossen en overige natuurgebieden;
- leefgebied amfibieën en reptielen;
- leefgebied planten en plantengemeenschappen;
- leefgebied weidevogels;
- leefgebied struweelvogels;
- aardkundig waardevol gebieden;
- beschermingszone natte natuurparel;
- waterbergingsgebieden; c. het behoud van voorkomende abiotische, natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige waarden; d. versterking van cultuurhistorische landschapswaarden; e. extensief dagrecreatief medegebruik; f. instandhouding van in het bos- en natuurgebied aanwezige onverharde wegen. g. extensief medegebruik ten behoeve van draf- en rensportcentrum de Kievitshoeve voor zover het de percelen zijn die bekend zijn als Baarle-Nassau, sectie E, nr. 1619 en sectie R, nr.
- Een en ander met bijbehorende voorzieningen. 2.27.
- De Afdeling overweegt dat het niet toekennen van dezelfde bestemming aan alle in het plangebied aanwezige poelen, zandwegen dan wel groenstructuren op zichzelf niet leidt tot rechtsonzekerheid. ABC en BMF hebben niet onderbouwd waarom de gehanteerde wijze van bestemmen zou leiden tot een onevenredige aantasting van bestaande waarden in het plangebied en hebben evenmin gewezen op concrete plaatsen in het plangebied waar deze wijze van bestemmen zou leiden tot een onaanvaardbare situatie. Dat deze wijze van bestemmen volgens ABC en BMF ondoordacht oogt en dat zij graag een eenduidiger bestemming zouden zien voor de genoemde waarden geeft geen aanleiding tot vernietiging van de plandelen waarop dit bezwaar ziet. De onder 2.27.1 weergegeven planregeling biedt naar het oordeel van de Afdeling niet een dusdanig grote verscheidenheid aan toegestane gebruiksmogelijkheden dat deze leidt tot een rechtsonzekere situatie. 2.
- ABC en BMF voeren aan dat het plan, onder meer gezien de intensieve veehouderijen en recreatieve bedrijven in het plangebied, effecten kan hebben op een aantal buiten de gemeente gelegen Natura 2000-gebieden. In dit verband wijzen zij er op dat intensieve veehouderijen aan het Gorpeind en Eikelenbosch op korte afstand liggen van het in België gelegen Natura 2000-gebied Heesbossen, Vallei van Marke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese Loop. 2.28.
- Ten aanzien van de vraag hoe het plan zich verhoudt tot de Natuurbeschermingswet 1998 stelt de raad zich op het standpunt dat voor activiteiten die mogelijk van invloed kunnen zijn, althans waarvoor een passende beoordeling is vereist, beoordelingen vooraf dienen plaats te vinden bij een specifieke activiteit. 2.28.
- Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, ten tijde van belang, houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die terzake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening a. met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied, en b. met het op grond van artikel 19a of artikel 19b voor dat gebied vastgestelde beheerplan. Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied. 2.28.
- Zoals volgt uit artikel 19j van de Nbw 1998 dient reeds bij de vaststelling van het plan te worden bezien of daarbij ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden. De raad stelt zich op het standpunt dat er bouwvlakken voor intensieve veehouderijen zijn die weliswaar ruimte bieden voor uitbreiding, maar dat deze bouwvlakken overeenkomen met de bouwvlakken zoals die waren opgenomen in het voorheen geldende plan, zodat het een continuering betreft van de bouwrechten uit dat plan. Nog daargelaten dat de raad ter zitting heeft verklaard dat het plan in een aantal gevallen wel voorziet in uitbreiding van het bouwvlak zoals dat in het voorheen geldende plan was opgenomen, dient de raad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan de aanvaardbaarheid daarvan (opnieuw) te bezien, mede in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving. Uit de enkele omstandigheid dat een deel van de bouwvlakken voor intensieve veehouderijen overeenstemt met de bouwvlakken die in het voorheen geldende plan reeds waren opgenomen, volgt niet dat het plan op dit punt in overeenstemming is met de Nbw
- De raad heeft dan ook ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt of voor de in het plan geboden mogelijkheden voor bestaande intensieve veehouderijen om uit te breiden een passende beoordeling is vereist. Gelet hierop geeft hetgeen ABC en BMF hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid voor zover daarbij de plandelen met de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" zijn vastgesteld, behoudens voor zover het betreft plandelen die als gevolg van een aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant niet in werking zijn getreden. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij", behoudens voor zover het betreft plandelen die als gevolg van een aanwijzing van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant niet in werking zijn getreden. 2.
- ABC en BMF hebben aangevoerd dat het plan ten onrechte de mogelijkheid biedt voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij, het verlenen van ontheffing ten behoeve van intensieve veehouderijen en voor wijziging van het plan ten behoeve van intensieve veehouderijen. Zij betogen onder meer dat, nu is beoogd om in het gehele plangebied ontwikkeling van intensieve veehouderijen mogelijk te maken, ten onrechte geen milieueffectrapport is opgesteld en toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 achterwege is gebleven, terwijl volgens het geldende reconstructieplan een ruimtelijke toets is vereist op basis van een concreet initiatief. 2.29.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1., aanhef en onder b, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" intensieve veehouderijen uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding op verbeelding
- Ingevolge lid 4.3.
- is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de gronden gegeven bestemming. Ingevolge lid 4.3.2., aanhef en onder a, sub 3, wordt onder strijdig gebruik als bedoeld in 4.3.1 in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor de omschakeling van de bestaande in lid 4.1.1 sub a. tot en met e. genoemde agrarische bedrijfsvorm in een andere op die plaats genoemde bedrijfsvorm, met uitzondering van de omschakeling naar een intensieve veehouderij, voor zover het bestemmingsvlak gelegen is binnen een op verbeelding 3 weergegeven verwevingsgebied, indien de locatie kan worden aangemerkt als een duurzame locatie intensieve veehouderij volgens de als bijlage achter de planregels gevoegde "Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderij". 2.29.
- Ook in de andere door ABC en BMF op dit punt bedoelde bepalingen wordt betekenis toegekend aan voornoemde handleiding. Deze handleiding bestaat uit een bijlage bij het reconstructieplan Peel en Maas met provinciaal beleid over duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor de intensieve veehouderij. Volgens de handleiding is deze onder meer bedoeld als ondersteuning voor het ruimtelijke-ordeningsbeleid van gemeenten en voor het beoordelen door de provincie van initiatieven en plannen in het kader van de ruimtelijke ordening. In paragraaf 6 van de handleiding is een 'beoordelingstabel duurzame locaties' opgenomen met alle randvoorwaarden waarmee bij de beoordeling van duurzame locaties minimaal rekening dient te worden gehouden. Daarnaast dient volgens de tabel te worden bezien hoe het voorgenomen initiatief past binnen de (komende) reconstructiezonering en andere (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen. De criteria uit de handreiking zijn niet bedoeld om als zodanig, zonder nadere uitwerking en objectivering, integraal te worden opgenomen in een bestemmingsplan. Zij zijn daarvoor naar het oordeel van de Afdeling ook niet geschikt, omdat zij op zichzelf onvoldoende concreet en onvoldoende geobjectiveerd zijn om duidelijkheid te verschaffen omtrent hetgeen in de context van het plan moet worden verstaan onder duurzame locaties. In zoverre is het plan vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de vaststelling van de volgende bepalingen uit de planregels:
- artikel 3, lid 3.5.1;
- artikel 4, lid 4.3.2, onder a, sub 3;
- artikel 4, lid 4.3.4;
- artikel 5, lid 5.4.1;
- artikel 6, lid 6.4.1;
- artikel 7, lid 7.4.1;
- artikel 8, lid 8.5.1;
- artikel 9, lid 9.5.1, en
- artikel 10, lid 10.4.
- 2.
- ABC en BMF voeren aan dat de raad ten onrechte heeft besloten het inwisselen van twee caravanplaatsen voor één recreatiewoning mogelijk te maken, omdat recreatiewoningen een hogere druk geven op het milieu, vanwege het feit dat ze het hele jaar gebruikt kunnen worden. 2.30.
- Ingevolge artikel 14, lid 14.2.5, van de planregels, is het op de recreatiebedrijven met zowel recreatiewoningen als stacaravans toegestaan om twee caravanplaatsen te vervangen voor één recreatiewoning en vice versa met dien verstande dat het maximum aantal recreatiewoningen en stacaravans zoals weergegeven in de tabellen 14.2.3 onder j en 14.2.4 onder j niet wordt overschreden. 2.30.
- Uit artikel 14, lid 14.2.5, van de planregels volgt dat de hierin vervatte mogelijkheid tot het vervangen van twee stacaravans door één recreatiewoning aan de voorwaarde is gebonden dat de maximaal toegestane aantallen stacaravans en recreatiewoningen bij recreatiebedrijven niet mogen worden overschreden. Nu dit bij recht toegestane aantallen stacaravans en recreatiewoningen betreft, kan de onder 2.30.1 weergegeven regeling er niet toe leiden dat op een recreatiebedrijf meer stacaravans dan wel recreatiewoningen zijn toegestaan dan het geval zou zijn geweest indien deze vervangingsregeling niet in het plan zou zijn opgenomen. Aan artikel 14, lid 14.2.5, van de planregels komt dan ook geen betekenis toe ten aanzien van de bij recreatiebedrijven maximaal toegestane aantallen stacaravans dan wel recreatiewoningen en deze regeling leidt dan ook niet tot een hogere druk op het milieu. Het betoog faalt. 2.
- ABC en BMF betogen dat hun zienswijze over de toegestane hoogte van lichtmasten van 8 m op gronden met de bestemming "Agrarisch, paardenhouderij" gegrond is verklaard, maar dat de raad heeft nagelaten het plan op dit punt gewijzigd vast te stellen. 2.31.
- Ingevolge artikel 7, lid 7.2.3, van de planregels, voor zover van belang, is op gronden met de bestemming "Agrarisch, paardenhouderij" de maatvoering van lichtmasten maximaal 8 m. 2.31.
- Bij het bestreden besluit heeft de raad besloten dat de lichtmasten uit de onder 2.31.1 weergegeven bepaling worden geschrapt. Niettemin maakt het plan evenwel lichtmasten op gronden met de bestemming "Agrarisch, paardenhouderij" mogelijk. In zoverre is het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig. Het aangevoerde geeft dan ook aanleiding voor het oordeel dat de plandelen met de bestemming "Agrarisch, paardenhouderij" zijn vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is op dit punt gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 2.
- ABC en BMF betogen dat artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels ten onrechte voorziet in een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de bestemming "Natuur- en bosgebied" in de bestemming "Sport". In dat verband voeren zij onder meer aan dat plannen bestaan voor een golfbaancomplex die niet kunnen worden gerealiseerd binnen de begrenzing van de wijzigingsbevoegdheid, zodat de besluitvorming hierover wordt opgesplitst. 2.32.
- Volgens het deskundigenbericht maakt de wijzigingsbevoegdheid niet de aanleg van een volledige golfbaan mogelijk, nu het MOB-complex daarvoor te klein is. De raad stelt zich op het standpunt dat voor de aanleg van de golfbaan is vereist dat de nodige onderzoeken worden uitgevoerd waaruit blijkt of wijziging tot de mogelijkheden behoort. Naar het oordeel van de Afdeling had de raad bij het opnemen van de bestreden wijzigingsbevoegdheid in het plan dienen te bezien of de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid voldoende is gewaarborgd. Hiervan is niet gebleken. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat onvoldoende is onderzocht of de in artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid uitvoerbaar is. 2.32.
- In hetgeen ABC en BMF hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat artikel 13, lid 13.5.1, van de planregels is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.
- Hetgeen ABC en BMF voor het overige hebben aangevoerd geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover hiervoor niet reeds is geconcludeerd dat het besluit tot vaststelling van het plan dient te worden vernietigd, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van [appellant sub 3] 2.
- [appellant sub 3] betoogt dat op de planverbeelding ten onrechte een koppelteken is aangebracht tussen de agrarische bouwvlakken behorende bij zijn percelen aan de Hoogstratensebaan 62 en
- Hij voert daartoe aan dat op deze percelen al jaren conform het voorheen geldende bestemmingsplan twee zelfstandige, agrarische bedrijven met bijbehorende bedrijfsbebouwing worden geëxploiteerd, respectievelijk een kalverhouderij en een plantenkwekerij. De aangebrachte koppeling tussen de percelen staat in de weg aan de plannen om de plantenkwekerij door zijn dochter te laten voortzetten en deze verder tot een volwaardige agrarische bedrijfslocatie te laten ontwikkelen, aldus [appellant sub 3]. 2.34.
- Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1990" rustten op de percelen aan de Hoogstratensebaan 62 en 71 de onderscheidenlijke bestemmingen "Agrarisch gebied - landschappelijke en/of cultuurhistorische waarde" met agrarisch bouwblok en "Agrarisch gebied - primair agrarisch gebied" met agrarisch bouwblok. In het voorliggende plan zijn aan de percelen in kwestie de bestemmingen "Agrarisch, agrarisch bedrijf" met de aanduiding "intensieve veehouderij" en een koppelteken, en aan de omliggende gronden "Agrarisch, agrarische functie met natuurwaarden" toegekend. 2.34.
- Ingevolge artikel 1, onder 51, van de planregels wordt door middel van de aanduiding op de verbeelding "koppelteken" een zogenoemd gekoppeld bestemmingsvlak aangeduid, zijnde meerdere - onderling niet aaneengesloten - percelen die tezamen worden aangemerkt als één bestemmingsvlak. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de regels van het voorliggende plan is per bestemmingsvlak één agrarisch bedrijf toegestaan. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, onder b, is ten gevolge van de aanduiding intensieve veehouderij een ander agrarisch bedrijf dan een intensieve veehouderij niet mogelijk. 2.34.
- Uit de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van zienswijzen, blijkt dat de raad het ter zake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. Niet in geschil is dat het perceel is gelegen in een extensiveringsgebied. Volgens het reconstructieplan De Baronie geldt in het algemeen dat uitbreiding van intensieve veehouderijen in extensiveringsgebieden niet is toegestaan. Aan bestaande intensieve veehouderijen wordt in beginsel een "bouwblok op maat" toegekend. 2.34.
- Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting hanteert de raad als uitgangspunt dat de bestemming tot agrarisch bedrijf in beginsel uitsluitend wordt toegekend aan volwaardige agrarische bedrijven. In dit geval is volgens de raad, gezien een advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen, geen sprake van twee volwaardige agrarische bedrijven. Een agrarisch bouwblok wordt voorts niet zonder meer toegekend omdat dat in het verleden ook reeds aanwezig was. Omdat het hier een intensieve veehouderij in extensiveringsgebied betreft, is op basis van het reconstructiebeleid een eng begrensd bouwblok opgenomen, aldus de raad. 2.34.
- Vaststaat dat bij het bestemmingsplan "Buitengebied 1990" aan de percelen aan de Hoogstratensebaan 62 en 71 twee afzonderlijke bouwvlakken waren toegekend. Niet in geschil is voorts dat op perceel nr. 62 een intensieve veehouderij gevestigd is en op perceel nr. 71 een plantenkwekerij, beide met bijbehorende bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling valt niet in te zien waarom het reconstructieplan noopt tot koppeling van de bestaande zelfstandige bouwblokken. Door de koppeling wordt uitbreiding op perceel nr. 71 mogelijk gemaakt van de intensieve veehouderij, waar op dit moment geen intensieve veehouderij gevestigd is en daartoe evenmin voornemens van [appellant sub 3] bestaan. [appellant sub 3] beoogt om het bedrijf op perceel nr. 71 uit te bouwen tot een volwaardige plantenkwekerij en heeft daartoe bij het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpplan een bedrijfsplan overgelegd van ZLTO Advies te Tilburg, waarin is geconcludeerd dat op het perceel Hoogstratensebaan 71 een volwaardige plantenkwekerij kan worden gerealiseerd. Het standpunt van de raad dat het hier een niet-volwaardig bedrijf betreft steunt op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. Dit advies betreft evenwel uitsluitend de bestaande opzet van het bedrijf. Het had derhalve op de weg van de raad gelegen om het advies van de ZLTO bij zijn besluitvorming te betrekken. 2.34.
- In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wat dit plandeel betreft wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. 2.34.
- Nu uit het overwogene onder 2.28.3 volgt dat het door [appellant sub 3] bestreden plandeel met de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" en de aanduiding "intensieve veehouderij" voorts wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb dient te worden vernietigd, zal de vernietiging van het door [appellant sub 3] bestreden plandeel niet separaat worden vermeld in de beslissing bij deze uitspraak. Het beroep van [appellant sub 13] 2.
- [appellant sub 13] kan zich niet verenigen met de aan zijn huisperceel Zigraeck 5 en aangrenzende gronden toegekende bestemmingen "Agrarisch, agrarische functie met natuurwaarden" en "Natuur- en Bos". Hij betoogt dat aan de gronden de bestemming agrarisch verwant bedrijf had moeten worden toegekend nu ter plaatse al 12 jaar een hoveniersbedrijf is gevestigd, waar plantenteelt plaatsvindt op een perceel van 1 hectare. [appellant sub 13] voert daartoe allereerst aan dat in de door de griffier en de voorzitter van de raad ondertekende besluitenlijst van de raadsvergadering van 16 juli 2009 was vermeld dat zijn bedrijf in het plan positief diende te worden bestemd. Op de besluitenlijst die uiteindelijk bij het definitief vastgestelde plan is gevoegd komt dit besluit van de raad, zonder toelichting, niet meer voor. Het besluit tot vaststelling van het plan kan derhalve niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering en is voorts in strijd met de in acht te nemen zorgvuldigheid bij het nemen van besluiten, aldus [appellant sub 13]. 2.35.
- Ter zitting is het voorgaande door de raad niet weersproken. De raad heeft daar verklaard dat na de raadsvergadering nog nader overleg ter zake heeft plaatsgevonden, maar dat dit niet meer met de raad is besproken en dat uiteindelijk slechts het vaststellingsbesluit waarin het bedrijf van [appellant sub 13] niet meer voorkwam is gepubliceerd. 2.35.
- Door de raad is erkend dat er een door de griffier en voorzitter van de raad ondertekende besluitenlijst is waaruit blijkt dat tot het toekennen van een positieve bestemming van het bedrijf van [appellant sub 13] zou worden overgegaan. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit, noch uit de daarbij behorende, gepubliceerde besluitenlijst kan worden opgemaakt of, en zo ja op welke wijze, de beslissing van de raad om het bedrijf van [appellant sub 13] positief te bestemmen in het bestreden besluit zijn weerslag heeft gevonden. Geconcludeerd moet dan ook worden dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 13] is gegrond, zodat het bestreden besluit wat dit plandeel betreft dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Zijn betoog behoeft gelet hierop voor het overige geen bespreking meer. Het beroep van [appellant sub 7] 2.
- [appellant sub 7] betoogt dat bij de gewijzigde vaststelling van het plan ten onrechte een ecologische verbindingszone over zijn perceel nabij de Zondereigensebaan, kadastraal bekend als sectie Q no. 702, is aangebracht. Hij bestrijdt voorts de in artikel 8, lid 8.5.2, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid, die de aanleg van een dergelijke zone op zijn gronden mogelijk maakt, omdat deze onnodig bezwarend is en zal leiden tot waardevermindering van de gronden. [appellant sub 7] acht de aan de bevoegdheid verbonden voorwaarde in genoemd artikel onder a bovendien te ruim. 2.36.
- Ingevolge artikel 8 van de planregels is aan het perceel in kwestie de bestemming "Agrarisch, agrarische functie met natuurwaarden" toegekend, met de aanduiding "ecologische verbindingszone". Ingevolge artikel 8, lid 8.5.2, is de bevoegdheid aan het college van burgemeester en wethouders toegekend om deze bestemming te wijzigen in "Natuur- en bosgebied" ten behoeve van de realisering van natuur- en bosgebied in de vorm van ecologische verbindingszones en natuurontwikkeling. Ingevolge artikel 8, lid 8.5.2, aanhef en onder a, mag van deze bevoegdheid slechts gebruik worden gemaakt indien de gronden in eigendom zijn van een overheidslichaam, particulier of natuurbeherende instantie dan wel een dergelijke aankoop in voldoende mate is verzekerd. 2.36.
- Uit de stukken, waaronder het deskundigenbericht, en het verhandelde ter zitting volgt dat de raad met de aanduiding heeft beoogd om in het plan de ecologische verbindingszone die in het ruilverkavelingsplan De Baronie is ingetekend vast te leggen. De raad heeft ter zitting erkend dat de zone in het ruilverkavelingsplan niet over het perceel van [appellant sub 7] loopt. Voorts heeft de raad verklaard dat van de wijzigingsbevoegdheid geen gebruik zal worden gemaakt. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellant sub 7] is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft het bestreden plandeel dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 11] 2.
- [appellant sub 11], die een gemengd bedrijf exploiteert op het perceel Groot Bedaf 12 te Baarle-Nassau, kan zich niet verenigen met de bestemming "Agrarisch, agrarische functie met landschapswaarden" die is toegekend aan de gronden ten oosten van zijn bedrijf. Ten gevolge van die bestemming is, zo stelt hij, ingevolge de bij de planregels behorende "Tabel aanlegvergunningenstelsel/strijdig gebruik", voor elke normale agrarische handeling zoals draineren, afgraven en ophogen van grond een aanlegvergunning vereist. Volgens hem is onduidelijk of het aanlegvergunningenstelsel op deze punten, waaronder met name ter zake van het scheuren van grasland, ziet op gronden met natuurwaarden of landschappelijke waarden. Het aanlegvergunningenvereiste levert voorts strijd op met de opmerking in de Nota van Zienswijzen dat het tijdelijk scheuren van grasland niet langer aan een aanlegvergunning zou worden gebonden. Hij betoogt voorts dat op de planverbeelding direct aan de oostkant van zijn bouwblok, ter plaatse van de ligboxenstal voor het melkvee, ten onrechte de bestemming "Groen, landschapselement" is aangegeven. Hierdoor en door het ontbreken van een bevoegdheid om deze bestemming te wijzigen in een agrarische bestemming, is elke wijziging of vergroting van het bouwblok aan die kant onmogelijk. Het beroep van [appellant sub 11] richt zich ten slotte tegen de aanduiding als natuurontwikkelingsgebied van de gronden ten zuiden en ten oosten van zijn bedrijf, nabij de Poppelsche Leij en de Rethse Loop. Zijn bedrijf is aldus binnen de 250-meterzone van een voor ammoniak gevoelig gebied komen te liggen, waardoor elke bedrijfsuitbreiding onmogelijk wordt. Hij vreest bovendien de aanleg van een ecologische verbindingszone ter plaatse. Dit zal leiden tot grote overlast op zijn bedrijf onder meer van ongedierte en door vernatting van zijn gronden, aldus [appellant sub 11]. 2.37.
- In het plan is aan de gronden ten oosten van het bedrijf van [appellant sub 11] de bestemming "Agrarisch, agrarische functie met landschapswaarden" met de op planverbeelding 2B aangegeven differentiatie "aardkundig waardevol gebied" toegekend. 2.37.
- Ingevolge artikel 9, lid 9.4.1, aanhef en onder a, van de planregels is het verboden om zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning) werken en werkzaamheden uit te voeren welke met betrekking tot de binnen deze bestemming aanwezige waarden in de als bijlage achter deze regels ingevoegde Tabel Aanlegvergunningen/Strijdig gebruik (hierna: de Tabel) als zodanig zijn aangegeven. 2.37.
- Het betoog van [appellant sub 11] dat het aan de planregels verbonden stelsel van aanlegvergunningen en strijdig gebruik in de Tabel niet duidelijk is ten aanzien van de categorieën agrarische gebieden waarop de onderdelen van dat stelsel zien, treft geen doel. De toelaatbaarheid van de verschillende werkzaamheden is weergegeven in afzonderlijke rubrieken voor agrarische gronden met natuurwaarden en agrarische gronden met landschappelijke waarden, zodat daarover geen onduidelijkheid kan bestaan. De Afdeling wijst er voorts op dat ingevolge artikel 9, lid 9.4.4, van de planregels het onder artikel 9, lid 9.4.1 vervatte verbod onder meer niet geldt voor werken en/of werkzaamheden, die van geringe omvang zijn dan wel het normale onderhoud en beheer betreffen. De vrees dat voor alle normale agrarische handelingen een aanlegvergunning is vereist, is derhalve zonder grond. Voor het scheuren van grasland op gronden met de bestemming "Agrarisch, agrarische functie met landschapswaarden" is voor geen enkele categorie een aanlegvergunning vereist. Het betoog ontbeert in zoverre een juiste feitelijke grondslag. 2.37.
- Met betrekking tot de door [appellant sub 11] bestreden bestemming "Groen, landschapselement" met betrekking tot de strook grond ten oosten van zijn bouwblok, heeft de raad ter zitting naar voren gebracht dat beoogd was om deze landschapselementen van de verbeelding te verwijderen en de landschappelijke inpassing van agrarische bedrijven in het kader van een wijzigings- of ontheffingsprocedure te regelen, maar dat dit abusievelijk niet is doorgevoerd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat dit onderdeel betreft niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep is op dit punt gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. 2.37.
- In het plan is aan een deel van de gronden ten oosten van het bedrijf van [appellant sub 11] met de bestemming "Agrarisch, agrarische functie met landschapswaarden" op planverbeelding 2A de differentiatie "natuurontwikkelingsgebied" toegekend. Uit de stukken, waaronder de plantoelichting en de Nota van Zienswijzen, blijkt dat de raad het ter zake geldende provinciale beleid onderschrijft en als gemeentelijk beleid heeft toegepast bij de vaststelling van het plan. 2.37.
- In de plantoelichting is in navolging van de Paraplunota vermeld dat natuurontwikkelingsgebied een subzone in de GHS-landbouw betreft bestaande uit landbouwgronden, vooral in beekdalen en uiterwaarden, die bijzonder geschikt zijn voor het ontwikkelen van nieuwe natuur. In deze gebieden dienen ruimtelijke ingrepen die natuurontwikkeling in de nabije of verre toekomst kunnen frustreren achterwege te blijven, aldus de toelichting. Ingevolge artikel 23, lid 23.2, onder Landschappelijke waarden, onder C, is als zodanige bedreigende ingreep uitsluitend aangegeven het oprichten van bebouwing op geringere afstand dan 25 meter uit de insteek van de waterloop. [appellant sub 11] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij aldus door de toegekende differentiatie "natuurontwikkelingsgebied" onevenredig in zijn bedrijfsuitvoering wordt beperkt. 2.37.
- Voor zover het beroep van [appellant sub 11] ziet op de mogelijkheid van het college van burgemeester en wethouders om met toepassing van artikel 9, lid 9.5.2, delen van de bestemming van zijn gronden "Agrarisch, agrarische functie met landschapswaarden" te wijzigen in de bestemming "Natuur- en bosgebied" ten behoeve van de realisering van natuur- en of bosgebied in de vorm van ecologische verbindingszones en natuurontwikkeling, is ter zitting door de raad bevestigd dat aan deze bevoegdheid ingevolge artikel 9, lid 9.5.2, aanhef en onder a, slechts toepassing kan worden gegeven met instemming van de grondeigenaar. Voor zover het beroep van [appellant sub 11] op dit punt ziet op niet tot zijn eigendom behorende gronden rond zijn perceel is door hem niet aannemelijk gemaakt dat hij in zoverre onevenredig in zijn bedrijfsuitvoering wordt beperkt. Het betoog slaagt op dit onderdeel dan ook niet. 2.37.
- Behoudens de beroepsgrond met betrekking tot de bestemming "Groen, landschapselement" ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover bestreden, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is in zoverre ongegrond. Het beroep van de ZLTO 2.
- Het beroep van de Z.L.T.O. richt zich tegen onderdelen van de artikelen 3, 4, 8, 9 en 13 van de planregels en tegen onderdelen van het in bijlage 1 van de planregels in de Tabel opgenomen aanlegvergunningenstelsel. 2.38.
- De ZLTO acht het in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder a en f, van de planregels neergelegde vereiste van een aanlegvergunning voor oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m² ondoelmatig, onpraktisch en onnodig kostenverhogend. Zij voert in dit verband aan dat in de keur van het Waterschap de maat van 2000 m² wordt aangehouden. De bepalingen in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder e en f, omtrent verharding en drainage zijn volgens haar voorts overbodig omdat deze regels ook in de Waterschapskeur zijn opgenomen. De ZLTO betoogt verder dat in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder g, ten onrechte een aanlegvergunning is vereist voor het aanbrengen van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen in het gebied in de beschermingszone rondom de op verbeelding 2a aangegeven natuurparel, omdat dergelijke tijdelijke voorzieningen, zoals hagelnetten en folies ter bescherming tegen nachtvorst, geen nadelige effecten hebben op het grondwatersysteem. 2.38.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.1.1 zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch" onder meer bestemd voor agrarisch grondgebruik en agrarische bedrijfsuitoefening en voor het behoud en herstel van ruimtelijke, landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden. In artikel 3, lid 3.1.2 is bepaald dat, voor zover deze gronden binnen één van de op verbeelding 2a aangegeven differentiatievlakken zijn gelegen, deze overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3.1.1 in het bijzonder bestemd zijn voor de instandhouding en/of ontwikkeling van de beschermingszone natte natuurparel, waterbergingsgebied en ecologische verbindingszones. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder a, is het verboden om op de gronden met de bestemming "Agrarisch" zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van het college van burgemeester en wethouders oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m² aan te brengen. Voor zover die gronden zijn gelegen binnen de op verbeelding 2a aangegeven beschermingszone natte natuurparel is ingevolge artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder e, f en g, eveneens een dergelijke vergunning vereist voor de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een reeds bestaande drainage of het verlagen van de waterstand op een andere wijze (e), het aanbrengen van niet-omkeerbare verhardingen en/of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² anders dan een bouwwerk (f) en het oprichten van teeltondersteunende voorzieningen (g). 2.38.
- Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting staat de raad op het standpunt dat in beginsel oppervlakteverhardingen in agrarisch gebied binnen de in het plan toegekende bouwblokken dienen plaats te vinden. Volgens de raad kunnen oppervlakteverhardingen van meer dan 100 m² buiten het bouwblok in bepaalde situaties tot substantiële aantasting van dat gebied leiden. Dit geldt, aldus de raad ter zitting heeft verklaard, tevens voor agrarische gronden die niet binnen één van de op verbeelding 2a en 2b aangegeven differentiatievlakken zijn gelegen en waaraan derhalve niet op die voet een bijzondere bescherming is toegekend, zodat ook voor die gronden een aanlegvergunning noodzakelijk is. De Afdeling acht deze uitgangspunten niet onredelijk. De ZLTO heeft voorts niet aangetoond dat een vereiste van een aanlegvergunning voor het aanbrengen van een oppervlakteverharding van meer dan 100 m² als bedoeld in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder a en f, op bedoelde gronden onevenredig beperkend is. 2.38.
- Met betrekking tot het betoog van de ZLTO dat de bepalingen in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder e en f, omtrent verharding en drainage overbodig zijn omdat deze regels ook in de Waterschapskeur zijn opgenomen, wordt het volgende overwogen. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.2 zijn werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, lid 3.4.1, onder a tot en met f, slechts toelaatbaar indien: a. deze verband houden met de doeleinden die aan de desbetreffende bestemming of dubbelbestemming zijn toegekend; b. hierdoor dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen de aanwezige en op verbeelding 1a, 2a en 2b en in artikel 23, lid 23.2 aangegeven waarden van de gronden niet evenredig worden of kunnen worden verkleind; c. uit voorafgaand onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de afstemmingsaspecten als bedoeld in artikel 23, lid 23.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.4.3 zijn werken en/of werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, lid 3.4.1, onder f, slechts toelaatbaar indien deze als tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen kunnen worden aangemerkt en aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. uit voorafgaand onderzoek is gebleken dat er geen belemmeringen zijn met betrekking tot de afstemmingsaspecten als bedoeld in artikel 23, lid 23.3; b. de werken en/of werkzaamheden mogen niet leiden tot een verslechtering van de hydrologische situatie. Omtrent dit onderwerp vraagt het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het nemen van een besluit advies aan een ter zake deskundige commissie of instantie; c. de werken en/of werkzaamheden moeten uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering of -ontwikkeling noodzakelijk zijn. Omtrent dit onderwerp vraagt het college van burgemeester en wethouders voorafgaand aan het nemen van een besluit advies aan een ter zake deskundige commissie of instantie. 2.38.
- De Afdeling stelt vast dat het hiervoor weergegeven beoordelingskader ruimer is dan het kader dat ter zake is opgenomen in de Keur, zodat niet kan worden gezegd dat de raad in het kader van het plan geen aanvullende toetsingsbevoegdheid toekomt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu in het kader van het plan een brede afweging plaatsvindt waarbij de waterhuishouding slechts een van de belangen uitmaakt, een aanlegvergunningenstelsel noodzakelijk is om ook de overige belangen die een rol kunnen spelen bij de werkzaamheden in kwestie in de afweging te kunnen betrekken. 2.38.
- Ten aanzien van het vereiste in artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder f, van een aanlegvergunning voor tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen acht de Afdeling het standpunt van de raad dat het plan ter zake een ruimere afweging vereist dan het belang van bescherming van het grondwatersysteem, waarbij volgens de raad in het bijzonder gedacht moet worden aan landschappelijke waarden, niet onredelijk. Mede in aanmerking nemende dat het aanlegvergunningvereiste voor het oprichten van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend ziet op agrarische gronden binnen de beschermingszone natte natuurparel acht de Afdeling door de ZLTO niet aannemelijk gemaakt dat de betrokken bedrijven door artikel 3, lid 3.4.1, aanhef en onder f, onevenredig in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het betoog faalt. 2.
- De ZLTO kan zich er voorts niet mee verenigen dat, ingevolge de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.5.1, onder h, bouwvlakken van grondgebonden agrarische bedrijven slechts mogen worden uitgebreid met 15% tot maximaal 1,5 hectare en dat uitbreiding van de bouwvlakken van dergelijke bedrijven tot 3 hectare uitsluitend is toegestaan in de Agrarische Hoofdstructuur Landbouw (hierna: AHS-Landbouw). Volgens de ZLTO zijn, onder meer ten behoeve van het duurzaam maken van de bedrijfsvoering en enige mate van schaalvergroting, ook buiten de AHS-Landbouw bouwvlakken van 3 hectare noodzakelijk. 2.39.
- Ingevolge artikel 3, lid 3.5.1, aanhef, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Agrarisch" wijzigen in de bestemming "Agrarisch, agrarisch bedrijf" ten behoeve van vergroting of vormverandering van een op verbeelding 1 aangegeven bestemmingsvlak "Agrarisch, agrarisch bedrijf". Aan deze wijzigingsbevoegdheid is in artikel 3, lid 3.5.1, onder h, de voorwaarde verbonden dat grondgebonden agrarische bedrijven hun bouwvlak mogen uitbreiden met 15%, waarbij geldt dat uitbreiding van het bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare is toegestaan mocht het bouwvlak na toepassing van dit percentage kleiner zijn. In afwijking daarvan mogen op grond van hetzelfde artikellid grondgebonden bedrijven in de AHS Landbouw hun bouwvlak uitbreiden tot 3 hectare, tenzij
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.