(1933)weliswaar geen beperkingen ten aanzien van terrassen, alsmede de uitbreiding daarvan met bijbehorende trappen, waren opgenomen, maar dat in het algemeen aan een hiervoor geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Nu de raad ter zitting heeft toegelicht dat een uitbreiding van het terras op het perceel [locatie 1] niet wenselijk is omdat geluidhinder voor naastgelegen percelen kan optreden, oordeelt de Afdeling dat de raad in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden dan aan het belang van [appellante sub 1] om haar terras uit te breiden. Dat de raad in dit verband een onderscheid maakt tussen een terras en een aan- of uitbouw is niet onredelijk. Voor zover [appellante sub 1] bij de huidige afmetingen van het terras vreest voor de veiligheid van kinderen, overweegt de Afdeling dat het plan er niet aan in de weg staat dat ter zake voorzieningen kunnen worden getroffen. Dat voor naastgelegen percelen in het plan wel een uitbreiding van het terras is opgenomen doet niet aan het oordeel af, nu de raad ter zitting heeft toegelicht dat, anders dan [appellante sub 1], de desbetreffende omwonenden ten tijde van het hiervoor geldend plan om uitbreiding van de terrassen hadden verzocht. 2.
- Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan had moeten anticiperen op toekomstige regelgeving wordt overwogen dat de vaststelling van een bestemmingsplan door de raad in beginsel op grond van de op dat moment geldende wet- en regelgeving dient te geschieden. Het betoog faalt. 2.
- In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woningen (W)" en "Tuin (T)", gelegen aan het [locatie 1], strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. [locatie 6] en de landtong 2.
- [appellant sub 3] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 6], kadastraal bekend als […] en […], waarop een woning en een vrijstaande dubbele garage staan. Voor de garage is op 7 juli 2006 bouwvergunning verleend met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Hij bezit voorts sinds 1980 een als tuin ingerichte landtong (hierna: de landtong) met een oppervlakte van 6.915 m², kadastraal bekend als […], die voor een deel is gelegen aan het Wilgenoord en voor een deel aan de C.N.A. Looslaan. Op de landtong bevinden zich thans een vrijstaande garage uit omstreeks 1920 en enkele kleinere bergruimten. 2.
- [appellant sub 3] betoogt dat de raad de toezegging om de garage, gelegen op het perceel [locatie 6], kadastraal bekend als […], op de verbeelding in te tekenen, niet is nagekomen. 2.12.
- De raad stelt zich op het standpunt dat in de planregels is bepaald dat op het perceel [locatie 6] een garage van 57 m² binnen de bestemming "Tuin (T)", die aan de gronden ter plaatse van de garage is toegekend, is toegestaan. 2.12.
- Aan de gronden gelegen aan het [locatie 6] is ter plaatse van de garage de bestemming "Tuin (T)" toegekend. Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder b, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Tuin (T)" mede bestemd voor bouwwerken, zoals vermeld onder de bouwregeling. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, sub 5, voor zover van belang, mag op de in het eerste lid bedoelde gronden niet worden gebouwd, behoudens aanbouwen en bijgebouwen in de achter- en/of zijtuin van grondgebonden woningen, waarbij geldt dat een bijgebouw niet groter mag zijn dan 18,5 m², met dien verstande dat indien een tuin groter is dan 800 m², een bijgebouw ten hoogste 35 m² mag zijn en dat in afwijking hiervan de garage op het perceel [locatie 6] (57 m²) de bestaande maat mag hebben. 2.12.
- Nog daargelaten dat [appellant sub 3] zijn stelling dat de raad een toezegging heeft gedaan om de desbetreffende garage op de verbeelding in te tekenen niet heeft onderbouwd, overweegt de Afdeling dat in geen wettelijke bepaling de verplichting is opgenomen dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan in de verbeelding een exacte weergave van de feitelijke situatie moet worden opgenomen. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verbeelding in zoverre onvoldoende duidelijkheid biedt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat gelet op artikel 20, tweede lid en aanhef, onder e, sub 5, van de planregels de garage op het perceel [locatie 6] planologisch is toegestaan. 2.
- In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ten aanzien van het perceel [locatie 6] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel gelegen aan het [locatie 6] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is in zoverre ongegrond. 2.
- Voorts betoogt [appellant sub 3] dat aan de landtong ten onrechte de bestemming "Groen (Gr)" is toegekend in plaats van een woonbestemming. De raad is er volgens [appellant sub 3] van op de hoogte dat hij reeds sinds 1998 bouwplannen heeft voor één of twee woningen op de landtong. Bovendien is door verschillende toezeggingen, door hetgeen in de plantoelichting is opgenomen en door toekenning van huisnummers aan het desbetreffende gedeelte van de C.N.A. Looslaan, de verwachting gewekt dat de bouw van een woning ter plaatse zou worden toegestaan. [appellant sub 3] stelt dat hij ongelijk behandeld wordt nu aan andere nabijgelegen percelen aan de Straatweg wel de bestemming "Woningen III (W III)" is toegekend. Tevens wijst hij op de bouwplannen voor de Van der Valk-locatie. Het standpunt van de raad dat de groenbestemming passend is omdat zij overeenkomt met de bestemming "Park, plantsoen, speel- en sportterrein" uit het hiervoor geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan Hillegersbergsche Plassen"
(1946)was aan de landtong de bestemming "Park, plantsoen, speel- en sportterrein" toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de planvoorschriften van dat plan, waren de voor park, plantsoen, speel- en sportterrein aangewezen gronden uitsluitend voor aanleg als zodanig bestemd. Ingevolge het tweede lid bepaalde het college van burgemeester en wethouders de nadere indeling van de onder het eerste lid aangeduide gronden. Ingevolge het derde lid was het verboden een bouwwerk te stichten op de voor park, plantsoen, speel- en sportterrein aangewezen gronden, behoudens de uitzondering in het vierde lid. Ingevolge het vierde lid mochten in afwijking van het bepaalde in het derde lid bouwwerken, waarvan de aard niet strijdig is met de bestemming van de gronden, worden gesticht op door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen. 2.14.
- In het deskundigenbericht staat dat de gronden op de landtong zijn ingericht als tuin met gazonnen in het centrale deel en hoog opgaand groen langs de randen. 2.14.
- Met betrekking tot het deel van de landtong waar de garage is gelegen stelt de Afdeling vast dat de groenbestemming een garage niet toestaat. Nu de raad ter zitting heeft erkend dat de garage abusievelijk niet als zodanig is bestemd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid de bestemming "Groen (Gr)" heeft toegekend aan het deel van de landtong waar de garage staat. Gelet op de omstandigheid dat de raad het groene karakter van de landtong wil behouden en daarom geen bebouwing wil toestaan, oordeelt de Afdeling dat de raad in redelijkheid de bestemming "Groen (Gr)" aan het resterende deel van de landtong heeft kunnen toekennen en geen woon- of, voor zover [appellant sub 3] dat wenst, tuinbestemming. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de bestemming "Groen (Gr)" niet aan het gebruik van de landtong als tuin in de weg staat, maar dat er ter plaatse niet mag worden gebouwd, terwijl een tuinbestemming zoals in het plan opgenomen enige bebouwing mogelijk maakt. Voorts heeft de Afdeling bij haar oordeel van belang geacht dat [appellant sub 3] weliswaar de bouw van één of twee woningen wenst, maar dat niet van een concreet bouwvoornemen is gebleken. De vergelijking met de nabijgelegen Van der Valk-locatie gaat naar het oordeel van de Afdeling niet op, omdat de Van der Valk-locatie reeds bebouwd is met een restaurant met een bouwhoogte van deels 10 meter en een parkeerterrein bevat. Omdat de raad het groene karakter van de landtong wil behouden heeft hij naar het oordeel van de Afdeling ook in redelijkheid kunnen afzien van de bestemming "Woningen III (W III)". Over het betoog van [appellant sub 3] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, overweegt de Afdeling dat in het algemeen geen rechten kunnen worden ontleend aan toezeggingen die zijn gedaan door niet ter zake beslissingsbevoegden. De uitlatingen waar [appellant sub 3] zich op beroept zijn gedaan door een ambtenaar en door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hillegersberg-Schiebroek. [appellant sub 3] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een woonbestemming zou voorzien. Aan de enkele omstandigheid dat huisnummers zijn gereserveerd kan in dit verband geen betekenis worden gehecht. 2.
- In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het gedeelte van de landtong met de bestemming "Groen (Gr)", gelegen tussen de C.N.A. Looslaan en het Wilgenoord, ter plaatse van de garage, is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 3] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met betrekking tot het resterende deel van de landtong strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bergse Dorpsstraat 102 2.
- [appellant sub 2] is eigenaar en bewoner van het perceel aan de [locatie 7] en exploiteert ter plaatse een slagerij. Aan de Bergse Dorpsstraat 102 is een vestiging van Indonesisch afhaalrestaurant- en cateringketen Warung Ventje gevestigd. Het perceel Bergse Dorpsstraat 102 ligt op ongeveer 20 meter van het perceel van [appellant sub 2]. 2.
- [appellant sub 2] betoogt dat de bestemming "Gemengde bebouwing I (Gb I)" die aan het perceel Bergse Dorpsstraat 102 is toegekend, ten onrechte horeca toelaat. Ten eerste is deze bestemming in strijd met het standpunt van de raad om conserverend te bestemmen, omdat in het hiervoor geldende plan "Uitbreidingsplan in onderdelen Hillegersberg Honderd en Tien Morgen"
(1955)een winkel ter plaatse toeliet. De Afdeling overweegt verder dat een conserverend plan niet met zich brengt dat geen enkele wijziging ten opzichte van het hiervoor geldende plan mogelijk kan worden gemaakt. In het algemeen kunnen aan een hiervoor geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 2] in zijn beroepschrift noch ter zitting aannemelijk heeft gemaakt dat hij in onevenredige mate hinder zal ondervinden van de horecafunctie en [appellant sub 2] heeft ook niet aangetoond dat de horecafunctie zal leiden tot parkeerproblemen. De Afdeling begrijpt dat een horecafunctie ruimer is dan een op een afhaalrestaurant toegespitste functie, maar gelet op de omstandigheid dat het perceel waaraan de ster op de verbeelding is toegekend relatief klein is, acht de Afdeling het niet aannemelijk dat onevenredige overlast zal ontstaan. Voorts gaat de Nota Horecabeleid, anders dan [appellant sub 2] stelt, uit van een ontwikkelingsbeleid ter plaatse van Hillegersberg-Centrum, zodat de horecafunctie niet in strijd met de Nota Horecabeleid kan worden geacht. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aan het perceel Bergse Dorpsstraat 102 de aanduiding in de vorm van een ster, inhoudende dat horeca is toegestaan, heeft kunnen toekennen. 2.18. In hetgeen [appellant sub 2] met betrekking tot de Bergse Dorpsstraat 102 heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel voor de Bergse Dorpsstraat 102 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre ongegrond. [locatie 8] 2.19. [appellant sub 2] is tevens eigenaar van het perceel achter [locatie 8], kadastraal bekend als gemeente Hillegersberg […], sectie […], nummers […], waar zich thans een bedrijfsgebouw, zijnde een magazijn, in aanbouw met een overkapping bevindt. 2.20. [appellant sub 2] betoogt dat het bij besluit van 24 maart 2005 vergunde bouwplan onjuist is opgenomen in de planregels en onjuist is weergegeven op de verbeelding. Hij heeft in dit verband ter zitting gewezen op het vergunde oppervlak en de vergunde bouwhoogte van het bedrijfsgebouw en op de vergunde ondergrondse parkeergarage. Voorts heeft [appellant sub 2] ter zitting aangevoerd dat de raad het bedrijfsgebouw ten onrechte heeft aangemerkt als achterbouw in plaats van als hoofdgebouw. [appellant sub 2] wijst in dit verband op de omstandigheid dat het thans gesloopte gebouw dat hij in het verleden heeft gekocht op grond van het hiervoor geldende plan niet als aan- of bijgebouw werd aangemerkt en dat het bestond uit twee bouwlagen. Verder voert [appellant sub 2] aan dat artikel 13, lid 2.4, van de planregels niet volledig is. Tot slot betoogt [appellant sub 2] dat aan hem de mogelijkheid is vergund om te parkeren op eigen terrein door personeel en leveranciers, maar dat dit eveneens niet in de planregels is opgenomen. 2.20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de rechtspositie van [appellant sub 2] wordt gewaarborgd door de in rechte onaantastbare bouwvergunning, zodat de raad geen aanleiding ziet het plan aan te passen. Daarnaast is de kadastrale ondergrond van een verbeelding niet bindend, aldus de raad. De stelling van [appellant sub 2] dat het bouwplan onvolledig in het plan is opgenomen heeft de raad ter zitting niet juist geacht, nu [appellant sub 2] in afwijking van de aanvraag en van hetgeen is vergund thans twee rechte bouwlagen wil realiseren in plaats van een bouwlaag met een kap. De raad acht twee rechte bouwlagen niet wenselijk nu in de omgeving woningen op de eerste verdieping aanwezig zijn en het ongewenst is wanneer voor die woningen een gebouw met twee bouwlagen staat. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de ondergrondse parkeergarage abusievelijk niet als garage in het plan is bestemd. 2.20.2. In het plan is aan de gronden ter plaatse van het binnenterrein de bestemming "Achterbouw (Ab)" toegekend. Ter plaatse van het voorziene bedrijfsgebouw is op de verbeelding de aanduiding "kap toegestaan" aangebracht. 2.20.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Achterbouw (Ab)" bestemd voor aanbouwen en/of bijgebouwen behorend bij een hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel, met het daarbij behorende erf, opslag- en werkterreinen, waarbij is bepaald dat de percelen achter [locatie 8] niet behoren tot een hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel. Ingevolge het tweede lid mag op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functie. Ingevolge lid 2.1 mag een aanbouw niet hoger zijn dan het vloerniveau + 0,25 meter van de eerste verdieping van het bijbehorende hoofdgebouw. Op de achterbouw behorend bij [locatie 8] is ter plaatse van de aanduiding "kap toegestaan" op de verbeelding een hoogte van vloerniveau eerste verdieping + 0,15 meter toegestaan. Ingevolge lid 2.2. mag de goothoogte van een bijgebouw niet meer bedragen dan 4 meter. Lid 2.4 luidt als volgt: "De percelen achter [locatie 8] behoren niet tot het hoofdgebouw op het". Ingevolge het derde lid mogen bouwwerken en terreinen als bedoeld in het eerste lid uitsluitend worden gebruikt ten dienste van de functie van de begane grondlaag van het hoofdgebouw waartoe de achterbouw behoort. 2.20.4. Bij besluit van 24 maart 2005 is aan [appellant sub 2] een thans in rechte onaantastbare bouwvergunning verleend voor het vergroten en vernieuwen van de bebouwing op het binnenterrein gelegen achter het perceel [locatie 8], kadastraal bekend als gemeente Hillegersberg […], sectie […], nummers […]. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een kelder mede voor autostalling, magazijn in twee bouwlagen en carport op de na de sloop van een opslaggebouw en een carport vrijkomende en aanliggende gronden. Op de tekeningen bij het bouwplan is een begane grond en een verdieping in de kap weergeven. De goothoogte in het bouwplan bedraagt 2,70 meter boven peil en de bouwhoogte 5,25 meter boven peil. In het deskundigenbericht staat dat het bedrijfsgebouw zal dienen als magazijn dan wel opslagruimte voor goederen. Ter zitting is gebleken dat de eerste bouwlaag is gerealiseerd en dat de tweede bouwlaag wordt voorzien van een thans nog niet gerealiseerde kap. De ondergrondse parkeergarage is gebouwd en voorziet in parkeerruimte voor de bedrijfsauto’s van [appellant sub 2] en voor de auto’s van het personeel. In het deskundigenbericht staat voorts dat het oppervlak van het op de verbeelding aangeduide bijgebouw niet overeenkomt met het vergunde oppervlak van het bedrijfsgebouw. 2.20.5. De Afdeling overweegt dat gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover van belang, zo moet worden gelezen dat de gronden aangewezen voor "Achterbouw (Ab)" bestemd zijn voor aan- en/of bijgebouwen behorend bij een hoofdgebouw op hetzelfde bouwperceel, maar dat voor het bijgebouw op de percelen achter [locatie 8] geldt dat het hoofdgebouw niet op hetzelfde bouwperceel hoeft te staan. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 2] dat de oude bebouwing in het hiervoor geldende plan niet is aangemerkt als achterbouw overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een hiervoor geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. Dat de raad het bedrijfsgebouw aanmerkt als bijgebouw acht de Afdeling niet onredelijk, nu het bedrijfsgebouw wordt gebruikt ten dienste van de bedrijfsvoering van het hoofdgebouw, te weten thans de slagerij gevestigd aan de [locatie 7]. Voorts stelt de Afdeling vast dat artikel 13, lid 2.4, van de planregels niet volledig is. Ten aanzien van de hoogte van het bedrijfsgebouw stelt de Afdeling vast dat onduidelijk is of de raad de vergunde bouwhoogte van het bedrijfsgebouw ook mogelijk heeft gemaakt in de planregels, omdat ten aanzien van de achterbouw behorend bij [locatie 8] onduidelijk is wat wordt bedoeld met de zinsnede "een hoogte van vloerniveau eerste verdieping" in artikel 13, lid 2.1, van de planregels. Met betrekking tot de ondergrondse parkeergarage overweegt de Afdeling dat deze niet als zodanig is bestemd, terwijl de raad ter zitting heeft erkend dat deze parkeervoorziening ten onrechte niet in het plan is bestemd. Tot slot overweegt de Afdeling dat de vraag wie op het terrein mag parkeren niet in het plan hoeft te worden beantwoord, nu dat een kwestie is van uitvoering. 2.21. In hetgeen [appellant sub 2] ten aanzien van het perceel gelegen achter [locatie 8] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 2] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wat betreft het plandeel voor het perceel achter [locatie 8] waaraan de bestemming "Achterbouw (Ab)" is toegekend wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Aanlegsteigers Straatweg 99 en 129 2.22. De Vereniging en andere betogen dat op de kadastrale ondergrond van de verbeelding, ter hoogte van de percelen gelegen aan de Straatweg 99 en 129, ten onrechte aanlegsteigers voor boten zijn ingetekend. Een deel van de aanlegsteigers is namelijk volgens de Vereniging en andere thans niet meer aanwezig en een deel verkeert in slechte staat. Daarnaast ontbreken de aanlegsteigers op de verbeeldingen bij het voorontwerpplan en ontwerpplan en is onduidelijk waarom ze op de verbeelding bij het voorliggend plan wel zijn ingetekend, aldus de Vereniging en andere. 2.22.1. De Afdeling overweegt dat aan de kadastrale ondergrond geen juridische betekenis toekomt. Het betoog faalt. 2.23. In hetgeen de Vereniging en andere hebben aangevoerd ten aanzien van de aanlegsteigers gelegen aan de Straatweg 99 en 129 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van de Vereniging en andere is in zoverre ongegrond. Bestemming "Woningen III (W III)" Straatweg 2.24. De Vereniging en andere richten zich tegen de plandelen gelegen aan de Straatweg met de bestemming "Woningen III (W III)", omdat deze bestemming uitbreiding van de thans aanwezige bebouwing en nieuwbouw mogelijk maakt waarvoor de raad het nut en de noodzaak niet heeft aangetoond. De Vereniging en andere vrezen verdere aantasting van de historische lintbebouwing. Daarnaast is het bouwvolume dat het plan ter plaatse van de percelen aan de Straatweg mogelijk maakt in strijd met de in het Beeldkwaliteitplan 1999 en de Koepelnota welstand Rotterdam omschreven kwaliteiten en het ruimtelijk beleid van de Straatweg, aldus de Vereniging en andere. Voorts betogen de Vereniging en andere dat onduidelijk is waarom de bestemming "Woningen III (W III)" enkel geldt voor percelen met een diepte van minimaal 65 meter. Volgens de Vereniging en andere leidt dat tot rechtsongelijkheid voor de bewoners van percelen die minder dan 65 meter diep zijn. 2.24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat binnen de gemeente Rotterdam behoefte is aan de ontwikkeling van meer hoogwaardige woningbouwlocaties om ook kapitaalkrachtige bewoners voor de gemeente te kunnen behouden. Binnen het plangebied zijn aan de Straatweg hoogwaardige woonlocaties aanwezig, zodat daarbij in het plan aansluiting is gezocht. Om het huidige kenmerkende karakter van de lintbebouwing in het plangebied niet aan te tasten, is binnen de bestemming "Woningen III (WIII)" een beperkte bebouwingsregeling in het plan opgenomen die aansluit bij de huidige bebouwingssituatie. Deze flexibele bestemmingsregeling maakt het mogelijk om in de toekomst bij sloop- en nieuwbouwsituaties desgewenst anders terug te bouwen dan overeenkomstig de contouren van het bestaande pand, mits de bebouwing binnen de gestelde grenzen blijft. De nieuwe regeling geldt voor percelen van 65 meter en dieper. Percelen die minder diep zijn dan 65 meter worden gedetailleerd bestemd overeenkomstig de bestaande situatie, aldus de raad. 2.24.2. Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder a, van de planregels zijn de gronden aangewezen voor "Woningen III (W III)" bestemd voor grondgebonden woningen, inclusief de daarbij behorende inpandige bergingen en garages (al dan niet ondergronds), aanbouwen, bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, watergangen, vijvers, onoverdekte zwembaden, en dergelijke. Ingevolge het tweede lid mag op de in het eerste lid bedoelde gronden uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de aldaar genoemde functies. In het derde lid zijn de bouwgrenzen opgenomen: 3.1 De achtergevel bouwgrens ligt op 30 meter afstand parallel aan de voorgevel bouwgrens, zoals aangegeven op de verbeelding; 3.2 De voor- en achtergevel bouwgrenzen (welke op de verbeelding zijn aangegeven) mogen niet door gebouwen (hoofdgebouwen en bijgebouwen) worden overschreden. Een uitzondering hierop geldt voor uitstekende delen aan gebouwen (balkons, luifels e.d.), mits deze tenminste 2,2 meter boven maaiveld en niet dieper dan 2 meter uit de gevel reiken, alsmede voor gebouwen (hoofdgebouwen en bijgebouwen) welke buiten deze grenzen aanwezig zijn op het tijdstip van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan; 3.3 Op de gronden gelegen tussen voor- en achtergevel bouwgrens mag niet meer dan één hoofdgebouw worden gebouwd, incl. de daarbij behorende inpandige bergingen en garages (al dan niet ondergronds), aanbouwen en bijgebouwen. In het vierde lid zijn regels opgenomen met betrekking tot het hoofdgebouw: 4.1 Een hoofdgebouw mag bestaan uit één vrijstaande woning of twee aaneen gebouwde woningen; 4.2 Een hoofdgebouw (incl. aanbouw(
- en)aan de zijgevel(
- s)mag niet breder zijn dan 25 meter; 4.3 Een hoofdgebouw (incl. aanbouw(
- en)aan de zijgevel(
- s)dient bij een perceelsbreedte van 17 meter of meer tenminste 2,5 meter afstand tot de zijerfgrens aan te houden; de breedte van een bouwperceel wordt hierbij gemeten ter hoogte van de voorgevel bouwgrens; 4.4 De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 7 meter; hierop is een kap toegestaan van ten hoogste 7 meter. In het vijfde lid zijn regels opgenomen met betrekking tot het aanbouwen: 5.1 Een aanbouw is slechts toegestaan aan de zij- en/of achtergevel van een hoofdgebouw. Een aanbouw aan de zijgevel is slechts toegestaan voor zover deze aanwezig was op de datum van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, of op die datum alsnog gerealiseerd kon worden op basis van een verleende bouwvergunning; 5.2 Een aanbouw dient een afstand van tenminste 1 meter tot de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw aan te houden; 5.3 Een aanbouw mag niet breder zijn dan 3 meter, gemeten uit de oorspronkelijke zijgevel. Een aanbouw mag niet dieper reiken dan tot de achtergevel bouwgrens, zoals aangegeven op de verbeelding; 5.3 Een aanbouw mag niet hoger zijn dan het vloerniveau + 0,25 meter van de eerste verdieping van het hoofdgebouw, met dien verstande dat een aanbouw mag worden afgedekt met een kap/ schuin dakvlak, mits met dezelfde hellingshoek als de kap / schuin dakvlak van het hoofdgebouw. In het zesde lid zijn regels opgenomen met betrekking tot bijgebouwen: 6.1 Bijgebouwen dienen een afstand van tenminste 1 meter tot de denkbeeldige lijn getrokken in het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw aan te houden; 6.2 De maximum toegestane goothoogte van een bijgebouw bedraagt 3 meter; een kap is toegestaan met schuine zijden onder een hellingshoek van ten hoogste 45 graden; 6.3 Een bijgebouw mag niet groter zijn dan 35 m². In het zevende lid zijn regels opgenomen met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 7.1 Een gebouwd terras en een onoverdekt terras mogen niet hoger reiken dan 0,2 meter boven maaiveld; alleen bij vrijstaande woningen mogen gebouwde terrassen niet hoger worden dan 0,75 meter boven maaiveld, mits niet dieper dan 3 meter uit de gevel van de woning; 7.2 Een aanlegsteiger is toegestaan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 25, vierde lid, onder a.2; 7.3 Erfafscheidingen in een voortuin mogen niet hoger zijn dan 1.20 meter, behoudens langs de Straatweg, waar de hoogte van erfafscheidingen in een voortuin maximaal 1.50 meter mag bedragen; erfafscheidingen in een voortuin die ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezig waren en die van het voorgaande afwijken, mogen gehandhaafd blijven. 2.24.3. De Afdeling stelt voorop dat een conserverend plan niet met zich brengt dat geen enkele verandering in het plan is toegestaan. De Afdeling overweegt dat nu de Vereniging en andere niet aannemelijk hebben gemaakt dat het standpunt van de raad dat behoefte bestaat aan uitbreiding van de bebouwing onjuist is, geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat er geen vraag is naar uitbreiding van bebouwingsmogelijkheden voor percelen gelegen aan de Straatweg. Voorts overweegt de Afdeling dat het niet onredelijk kan worden geacht dat de raad in dit gebied met lintbebouwing niet aan alle percelen bebouwingsmogelijkheden heeft willen toekennen omdat dat de karakteristieken van de lintbebouwing aantast. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van rechtsongelijkheid. Ook heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen inbreuk wordt gemaakt op het karakter van de lintbebouwing ter plaatse van de Straatweg nu de waarborg voor het behoud daarvan is neergelegd in de planregels en de op de verbeelding aangegeven bouwgrenzen. Zo is de afstand tussen de voorgevel bouwgrens en de achtergevel bouwgrens maximaal 30 meter en dienen alle gebouwen binnen deze 30 meter te worden gerealiseerd. Daarnaast garandeert de strook voortuinen met erfafscheidingen van maximaal 1.50 meter, gelegen voor de voorgevel bouwgrens, het groene aanzicht vanaf de weg en wordt de kwaliteit van de plasoever van de Bergse Voor- en Achterplas gewaarborgd door een ruime bebouwingsvrije zone langs de plasoever van de bebouwing tot de plasoever. Voorts zijn per bouwperceel maximaal een vrijstaande woning of twee aaneen gebouwde woningen toegestaan en bedraagt de toegestane goothoogte maximaal 7 meter, waarboven een kap is toegestaan van maximaal 7 meter hoogte. Verder is een aanbouw slechts toegestaan aan de zij- en/of achtergevel van een hoofdgebouw, waarbij een aanbouw aan de zijgevel slechts is toegestaan voor zover deze aanwezig was op de datum van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, of op die datum alsnog gerealiseerd kon worden op basis van een verleende bouwvergunning. Ten slotte dient bij een hoofdgebouw inclusief aanbouwen aan de zijgevels bij een perceelsbreedte van 17 meter of meer tenminste 2,5 meter afstand tot de zijerfgrens aan te worden gehouden. Gelet op de in de planregels neergelegde waarborgen voor het behoud van de karakteristieke lintbebouwing, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorziene bebouwingsmogelijkheden voor percelen aan de Straatweg in strijd zijn met de Koepelnota Welstand of met het Beeldkwaliteitsplan. 2.25. In hetgeen de Vereniging en andere hebben aangevoerd ten aanzien van de percelen aan de Straatweg ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen aan de Straatweg met de bestemming "Woningen III (W III)" strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van de Vereniging en andere is in zoverre ongegrond. C.N.A. Looslaan 9 2.26. In het plan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het perceel C.N.A. Looslaan 9, de zogeheten Van der Valk-locatie, gelegen op een landtong. Ingevolge artikel 32, aanhef en eerste lid, onder d, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming van de gronden van de op de verbeelding aangegeven locatie waaraan de aanduiding "wijzigingsbevoegdheid D (Van der Valk - C.N.A. Looslaan 9)" is toegekend wijzigen, met inachtneming van de voor die locatie op de verbeelding aangegeven grenzen en de in dit artikelonderdeel genoemde voorwaarden. Ten aanzien van wijzigingsbevoegdheid D is in voormeld artikelonderdeel het volgende bepaald: "Wijziging van de bestemming van de gronden aan de C.N.A. Looslaan 9, welke op de verbeelding nader zijn aangeduid als wijzigingsbevoegdheid D, is toegestaan in de functies wonen en horeca, met de daarbij behorende voorzieningen zoals een ondergrondse parkeervoorziening, openbaar verblijfsgebied, water, groenvoorzieningen, ontsluitingswegen en paden. Toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid is toegestaan in geval het gebruik van het pand C.N.A. Looslaan 9 als horeca-inrichting is beëindigd dan wel wanneer de eigenaar van het terrein aan het college van burgemeester en wethouders heeft meegedeeld dat het gebruik als horeca zal worden beëindigd. De wijzigingsbevoegdheid kan onder de volgende voorwaarden worden toegepast: a. het bebouwde grondoppervlak (footprint) mag in totaal niet meer dan 1.750 m² bedragen (exclusief ondergrondse parkeergarage); het bebouwde grondoppervlak (footprint) van elk afzonderlijk gebouw mag maximaal 750 m² bedragen; b. de maximale bouwhoogte mag maximaal 16 meter bedragen; c. de onderlinge afstand tussen de gebouwen dient ten minste 15 meter te bedragen; d. bovengrondse bebouwing is niet toegestaan op een strook van minimaal 10 meter breed langs de gehele noordzijde van het wijzigingsgebied; e. bovengrondse bebouwing is niet toegestaan op een strook van minimaal 5 meter breed, gemeten vanaf de bestaande oeverlijn aan de zuidzijde; f. de strook als bedoeld onder e. moet openbaar toegankelijk zijn; g. het huidige wateroppervlak dient gehandhaafd te blijven; h. een ondergeschikte aanpassing van de bestaande oeverlijn ten behoeve van de openbare toegankelijkheid van de locatie is toegestaan; i. in het water mag niet worden gebouwd, met uitzondering van steigers; j. in de parkeerbehoefte van het project moet worden voorzien door middel van een geheel ondergrondse parkeergarage; k. een horecafunctie verplichtend op te nemen van minimaal 300 m² b.v.o., uitsluitend op de begane grond, met een terras aan het water; l. een gebouwd terras (geen dakterras zijnde) niet hoger mag reiken dan 0,5 meter boven maaiveld; m. een onderzoek naar het grondwaterpeil en grondwaterstromen is gedaan met het oog op eventuele nadelige gevolgen van de ondergrondse parkeergarage voor de fundering van de aangrenzende, te behouden bebouwing. 2.27. De Berglustlaan ligt ten noordoosten van het perceel C.N.A. Looslaan 9, waarbij de tuinen van [appellant sub 5] en anderen op minstens 15 meter van het perceel C.N.A. Looslaan 9 gelegen zijn. 2.28. De Vereniging en andere en [appellant sub 5] en anderen stellen dat, nu in het ontwerpplan de groensingel en de verbinding voor langzaam verkeer niet waren opgenomen in het wijzigingsgebied en uit het verslag van de raadsvergadering van 17 september 2009 niet blijkt dat deze wijzigingen aan de raad zijn voorgelegd of gemeld, het college van burgemeester en wethouders de raad onvoldoende heeft geïnformeerd over wijzigingen op de verbeelding van het plan ten opzichte van die van het ontwerpplan. Dit geldt ook voor de kadastrale ondergrond van de verbeelding die is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Zij menen dat de raad bij de vaststelling van het plan niet heeft besloten tot verruiming van de grenzen van het wijzigingsgebied en aldus op dit punt niet de gewijzigde verbeelding heeft vastgesteld. 2.28.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de raadsleden op de raadsvergadering van 17 september 2009 de beschikking hadden over de gewijzigde verbeelding en dat met het vaststellen van het plan ook die verbeelding is vastgesteld. 2.28.2. De Afdeling overweegt dat in het voorstel van het college aan de raad de groenstrook en de verbinding voor langzaam verkeer in het wijzigingsgebied zijn opgenomen en dat blijkens het besluit van 17 september 2009 de raad het ter inzage gelegde ontwerp bestemmingsplan heeft aangepast op de wijze zoals die in het voorstel van het college is aangegeven, om de daarbij genoemde redenen, en het plan heeft vastgesteld, met inachtneming van voormelde aanpassingen, overeenkomstig de bij het besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte verbeelding, regels en toelichting. Gelet hierop heeft de raad de gewijzigde verbeelding vastgesteld en ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende is geïnformeerd. 2.29. De Vereniging en andere en [appellant sub 5] en anderen betogen dat de raad het nut en de noodzaak van de ontwikkeling van woningbouw met een hoogte van maximaal 16 meter en een bebouwd grondoppervlak van maximaal 1.750 m² niet heeft aangetoond. Volgens de Vereniging en andere en [appellant sub 5] en anderen heeft de raad ten onrechte een zwaarder gewicht toegekend aan het financiële belang van de projectontwikkelaar om woningbouw te realiseren dan aan het belang van het behoud van een grote horecafunctie en het in stand houden van de resterende vrije ruimte aan de Bergse Plas. Dat de projectontwikkelaar reeds heeft geïnvesteerd mag geen rol spelen voor de raad bij de vaststelling van het plan. Ook de omstandigheid dat de exploitant van het thans gesloten restaurant Van der Valk de horecafunctie niet meer wenst voort te zetten, brengt nog niet met zich dat een bevoegdheid in het plan moet worden opgenomen waarmee de horecabestemming kan worden gewijzigd in deels een woonbestemming, aldus de Vereniging en andere en [appellant sub 5] en anderen. 2.29.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de huidige exploitant van het restaurant Van der Valk de exploitatie heeft beëindigd en een projectontwikkelaar voornemens is ter plaatse woningbouw te realiseren. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat er een markt is voor dergelijke woningbouw, ook omdat de woningbouw op een aantrekkelijke locatie is voorzien. 2.29.2. In het beleidstuk Woonvisie Wonen in Rotterdam