(2009)" (hierna: het Ontheffingsbeleid) vastgesteld. In het Ontheffingsbeleid is, voor zover hier van belang, bepaald dat ontheffing wordt verleend voor het bouwen van bijgebouwen achter de voorgevel als wordt voldaan aan de daar genoemde voorwaarden. Deze voorwaarden houden onder meer de volgende in: "de gronden buiten het bouwvlak, voor zover ten minste 1 meter achter de oorspronkelijke voorgevel gelegen, mogen per bouwperceel naast de maximaal toegestane bebouwing voor bouwwerken geen gebouwen zijnde tot 50% worden bebouwd met een maximum bruto oppervlak van: - 60 m² voor het totaal aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen; - 150 m² voor het totaal aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde; (..) de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 3 meter; de bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 4 meter, tenzij het hoofdgebouw lager is; in het geval het hoofdgebouw lager is, bedraagt de bouwhoogte van bijgebouwen maximaal de bouwhoogte van het hoofdgebouw (..)". Vast staat dat het bouwplan niet voldoet aan voornoemde voorwaarden ten aanzien van maximale oppervlak, de maximale goothoogte en maximale bouwhoogte, nu het voorziet in een oppervlakte van 129 m², een goothoogte van 3,20 meter en een bouwhoogte van 5,20 meter. 2.
- Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Een beleidsregel wordt geacht in algemene zin het resultaat te zijn van een belangenafweging, als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb. De afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Awb ziet op bijzondere gevallen die niet in de beleidsregel zijn verdisconteerd. 2.
- Het college heeft zich in het besluit van 19 juli 2010 op het standpunt gesteld dat zich bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb voordoen die rechtvaardigen dat het in afwijking van het Ontheffingsbeleid ontheffing heeft verleend voor het bouwplan. Daartoe heeft het overwogen dat de voorziene schuur, gelet op de maatvoering en het beoogde gebruik, minder bezwarend voor de omgeving is dan de bestaande situatie, het bouwplan voorts voorziet in een situatie die meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan de bestaande situatie en niet valt in te zien welke precedentwerking van het verlenen van ontheffing zal uitgaan. 2.
- Sep betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb die rechtvaardigen dat het in afwijking van het Ontheffingsbeleid toch ontheffing heeft verleend. Sep wijst in dit kader op de omstandigheid dat het bouwplan volgens hem qua uiterlijk een verbetering is ten opzichte van de bestaande situatie, het overleg over het bouwplan dat tussen hem en het college heeft plaatsgevonden, alsmede de omstandigheid dat ook elders aan de Aalsmeerderdijk grote schuren als zijn schuur staan. 2.7.
- Dat het bouwplan qua omvang en gebruik minder bezwarend is voor de omgeving en meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan dan de bestaande schuur, zoals het college bij het besluit van 19 juli 2010 heeft overwogen, is geen bijzonder geval dat niet in de beleidsregel is verdisconteerd, nu het er voor gehouden dient te worden dat het college bij de vaststelling van de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en de maximale bouw- en goothoogte van bijgebouwen de ruimtelijke gevolgen daarvan heeft betrokken. Gelet op deze onjuiste veronderstelling van het college, bestaat voorts geen grond voor het oordeel dat Sep uit het overleg dat heeft plaatsgevonden tussen hem en het college, gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen dat aan hem in afwijking van het Ontheffingsbeleid ontheffing en bouwvergunning zou worden verleend. Dat ook elders aan de Aalsmeerderdijk grote schuren, vergelijkbaar met de voorziene schuur voorkomen, is, anders dan Sep betoogt, evenmin een bijzondere omstandigheid. Gelet op de uitdrukkelijk vastgelegde maximale oppervlakte aan bijgebouwen en de maximale goothoogte, is met het Ontheffingsbeleid beoogd dat dergelijke grote schuren niet meer worden gebouwd. Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigden dat het college van het Ontheffingsbeleid zou afwijken. Het college heeft met het verlenen van de ontheffing gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Awb. De rechtbank heeft het besluit van 19 juli 2010 derhalve terecht vernietigd. Het betoog faalt. 2.
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.
- Bij besluit van 15 april 2011 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw besloten op de bouwaanvraag van Sep en geweigerd ontheffing en bouwvergunning voor het bouwplan te verlenen. Daartoe heeft het overwogen dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dat het verlenen van ontheffing in strijd is met het Ontheffingsbeleid en dat er geen reden is om van dit beleid af te wijken. Het hoger beroep wordt, gelet op artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht mede een beroep tegen het besluit van 15 april 2011 in te houden. 2.
- Zoals hiervoor onder 2.7.
- is overwogen, is, anders dan Sep betoogt, niet gebleken van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat het college van het Ontheffingsbeleid afwijkt. Het beroep van Sep tegen het besluit van 15 april 2011 is ongegrond. 2.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. verklaart het beroep van P.C. Sep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 15 april 2011 ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat. w.g. Van Kreveld w.g. Kos voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2011 580.